fysiologie
Introductie
Alle levende organismen hebben volgende kenmerken:
- Reactievermogen
= het vermogen om te reageren op prikkels van buitenaf.
Bv hand op een hete plaat: hand direct terugtrekken.
Bv hond blaft indien hij iemand vreemd ziet.
- Groei & reproductie
Groei is de toename van een organisme door opeenvolgende celdelingen,
waardoor het aantal cellen toeneemt.
Eicel en zaadcel versmelten met elkaar en vormen een bevruchte eicel.
Door
opeenvolgende miljarden celdelingen wordt vervolgens een nieuw
organisme gevormd. Dit is dan ook het principe van voortplanting of
reproductie.
Verder is er ook differentiatie van cellen tijdens het groeiproces waardoor alle
verschillende cellen in het lichaam kunnen gevormd worden.
- Beweging: onderscheid tss
Inwendige beweging: transport van bloed, voedingsstoffen, afvalstoffen…
doorheen
het lichaam
Uitwendige beweging: voortbeweging van een individu.
- Metabolisme
= alle chemische reacties die zich in lichaam voordoen
Anatomie en fysiologie
Anatomen bestuderen:
- Interne en externa structuren
- Fysieke relaties tss lichaamsdelen
Fysiologen bestuderen
- Hoe organismen vitale functies uitvoeren
Macroscopische anatomie: Microscopische anatomie:
- Uitwendige anatomie Belangrijk voor studie van cellen en weefsels
- Systemische anatomie
- Anatomie gebieden - Cytologie: bestuderen van individuele
- Anatomie doorsneden cellen
- Histologie: bestuderen van weefsels
, Fysiologie vd mens:
Bestuderen vd functies vh menselijk lichaam
- Celfysiologie: processen die doorgaan in cellen of tss cellen onderling
- Orgaanfysiologie: bestuderen fysiologie vd organen in lichaam bv.
hartfysiologie, nierfysiologie
- Pathologische fysiologie: bestuderen van effecten van ziekten op functioneren van
organen
Organisatieniveaus
Het leven bestaat uit opeenvolgende niveaus met toenemende complexiteit:
- Chemisch niveau: niveau van atomen en moleculen.
Bv troponine eiwitten
- Celniveau: cellen zijn de kleinste levende eenheden binnen het lichaam.
Bv hartspiercel
- Weefselniveau: een weefsel is een organisatie van identieke cellen met een
specifieke functie.
Bv hartspierweefsel (opgebouwd uit hartspiercellen)
- Orgaanniveau: een orgaan is opgebouwd uit 2 of meer verschillende weefsels die
samen een specifieke functie vervullen.
Bv hart (opgebouwd uit hartspiercellen, bindweefselcellen..)
- Orgaanstelsel niveau: verschillende organen vormen samen een orgaanstelsel.
Bv hart- en bloedvatenstelsel (het hart samen met de bloedvaten en het bloed)
- Organisme niveau: alle 11 orgaanstelsels werken samen als 1 geheel.
Overzicht orgaanstelsels
Menselijk lichaam bestaat uit 11 orgaanstelsels:
1. Spierstelsel: staat in voor beweging, stevigheid van het lichaam en produceert warmte.
2. Zenuwstelsel (ZS): is opgebouwd uit 2 delen:
Centraal ZS: hersenen en ruggenmerg
Perifeer ZS: perifere zenuwen
Maakt reactie op prikkels mogelijk. Zorgt voor de coördinatie van de activiteiten van andere
orgaanstelsels.
3. Endocrien stelsel of hormoonstelsel: reguleert wijzigingen in de werking van andere
orgaanstelsels dmv hormonen.
4. Cardiovasculair stelsel: transporteert cellen, opgeloste componenten, voedingsstoffen,
afvalstoffen en gassen doorheen het lichaam.
5. Lymfestelsel: verdedigt ons lichaam tegen infecties en ziekten en zorgt voor de
terugkeer van weefselvocht naar de bloedsomloop.
6. Ademhalingsstelsel: transporteert lucht naar plaatsen waar gasuitwisseling kan
doorgaan: transport van O2 van buiten het lichaam naar de longen (inademen) en eveneens