INLEIDING
Examen:
Meerkeuzevragen
Twee open vragen
Leerstof
Slides
Nota’s
Rechtspraak (= zelfstudie!!)
Oefeningen
DEEL 1: KAPSTOKKEN VAN HET FISCAAL RECHT
DOEL OPLEIDINGSONDERDEEL FISCAAL RECHT
§ Kennis van de basisregels van alle takken van het fiscaal recht
§ Focus op “fiscale geletterdheid” als,burger, én als jurist
§ Inzicht
§ o.m. door toepassingen
§ verbanden tussen hoorcolleges
§ zelfstudie van rechtspraak
§ Kennismaken met het werkveld
§ Gastspreker met casussen
§ Praktijkassistent met oefeningen
INTRODUCTIE TOT HET FISCAAL RECHT
1
,DE STAAT VAN DE STAAT
Bbp = geld dat we ieder jaar gebruiken voor het produceren van producten
De overheidsschuld is groter dan wat er geproduceerd wordt
We zien ook een overheidstekort
Waaraan wordt het besteed: sociale bescherming, gezondheid, economische zaken,
algemeen bestuur
Belastingen zijn natuurlijk nodig om de staat te kunnen laten functioneren
PLAATS VAN HET FISCAAL RECHT TOV ANDERE RECHTSTAKKEN
= onderdeel van het publiekrecht
Relatie tss oh en burger + tss oh onderling
Gevolg
o Toepasselijkheid algemene beginselen van administratief recht. Vooral
belangrijk voor de procedure
Vooral voor formeel fiscaal recht – hoe kan de fiscale administratie
de fiscale regels afdwingen
o Regels van OO
Absolute nietigheid
Kan door iedereen worden ingeroepen, zelfs ambtshalve door de
rechter
Rol van het privaatrecht
Ook de oh is soms aan het privaatrecht onderworpen
o Bv: sluiten van ovks met de belastingsplichtige
Privaatrecht = het gemene recht -> een begrip dat niet door de fiscale wet wordt
omschreven heeft de “gemeenrechtelijke betekenis”
o Bv: het begrip “inkomen”: lijkt evident, het is wat je verdient
Geen definitie in het fiscaal recht gemeen recht
Rechtspraak: burgerrechtelijke betekenis
Gevolg: meerwaarde is geen inkomen (tenzij de fiscale wet dit
bepaalt)
o Bv: het begrip “winst”:
Geen definitie in de fiscale wet gemeen recht
Bepalen volgens de regels van het boekhoudrecht (tenzij
fiscale wet afwijkt)
2
, “Primauteit van het boekhoudrecht”
BASISBEGRIPPEN
BEGRIP BELASTING
Klassieke definitie = een betaling eenzijdig opgelegd door de oh, teneinde haar
middelen te verschaffen om in haar uitgaven van alle aard te voorzien
Kenmerken belasting volgens Cass:
1. Door de oh opgelegd (soevereiniteit van de staat: de staat kan binnen de grenzen
aan de mensen binnen het territorium dit kan opleggen (ook ondernemingen))
Fiscus kan zelf een uitvoerbare titel maken
2. Eenzijdig opgelegde verplichte bijdrage (dwingend karakter)
Je kan er niet aan ontsnappen
Er is geen keuzevrijheid
3. Territorialiteit (nexus: je kan maar belastingen heffen als er een band is met het
grondgebied, territoriaal gebied waar de soevereiniteit van de staat zich afspeelt,
bv: inkomensbelasting, maar ook niet-inwoners moeten in België belastingen
betalen.)
4. Financiering algemeen nut (geen rechtstreekse/ individuele tegenprestatie)
Voor algemene kosten te dekken
Onderscheid met andere inkomsten van de overheid
Waarom is een boete geen belasting? Het is geen financiering van algemeen
nut. Een boete wordt niet opgelegd om bij te dragen in de kosten van de
overheid. Het heeft tot doel een bepaald gedrag te bestraffen.
Schenking of legaat aan de overheid? Dit wordt niet opgelegd door de
overheid, want een schenking/ legaat aan de overheid wordt niet door hen
opgelegd. Het gebeurt vrijwillig.
Retributies
Bv: parkeergeld, gebruik sporthal
Verschil met belasting: geen bijdragen in de algemene uitgaven van de oh, maar
heel specifiek een vergoeding zijn voor een individuele bepaalde dienstverlening
die je van de oh krijgt
Gekoppeld aan een dienst
Redelijke verhouding met de kostprijs van de dienstverlening
o RS: een bepaalde heffing die veel hoger was dan kostprijs van een
dienstverlening mocht niet als retributie beschouwd worden. Dit heeft
(procedurele) gevolgen
Beginselen van het belastingrecht niet allemaal van toepassing (bv.
legaliteitsbeginsel, eenjarigheidsbeginsel, …)
Procedureregels zijn fundamenteel verschillend
3
, Sociale zekerheidsbijdrage
Geen vergoeding voor uitgaven van alle aard (financiering sociale zekerheid)
GEEN BELASTING
Betaling doet bijkomende rechten in hoofde van bijdrageplichtige ontstaan (GwH)
Hoewel de facto:
o Vroeger: << ter financiering >> van de sociale zekerheid + betaling doet
sociale rechte ontstaan
o Nu: sociale zekerheidsuitgaven ook met fiscale opbrengsten gefinancierd +
betaling doet niet altijd rechten ontstaan (bv. sociale bijdrage zelfstandige
in bijberoep)
Beginselen van het belastingrecht niet allemaal van toepassing, bv
legaliteitsbeginsel
WANNEER ONTSTAAT DE BELASTINGSSCHULD
Van zodra de toepassingsvoorwaarden van een belasting vervuld zijn, ontstaat er
een juridische relatie, m.n. de belastingschuld. Dus als je morgen sterft, ontstaat
er een belastingschuld voor de nagelaten.
Onderscheid materieel en formeel karakter:
o Materieel: het moment zelf waarop de verschuldigdheid ontstaat en de prijs
bepaald kan worden. Houdt dus verband met de berekening van de
belastingen.
o Formeel: de eisbaarheid en de invordering van de belasting
Bv: personenbelasting
o Op het einde van het inkomstenjaar (kalenderjaar) ontstaat de materiële
belastingschuld voor elke belastingplichtige die in het kalenderjaar
inkomsten heeft verkregen
o Deze belastingschuld is pas opeisbaar indien deze schuld wordt
geformaliseerd
De belastingplichtige moet een aangifte indienen en vervolgens
moet de administratie de vastgestelde belasting inkohieren (=
uitvoerbare titel maken).
Dit moet binnen een bepaalde termijn door de fiscus gedaan
worden (aanslagtermijnen), zo niet is de administratie vervallen van
het recht belasting te heffen.
Bv: successierechten
o Materieel: op moment dat je overlijdt (openvallen nalatenschap),
belastingschuld
o Deze is opeisbaar zonder formalisering
De belastingplichtige moet een aangifte indienen en vervolgens
verstuurt de administratie een uitnodiging tot betalen
o Pas indien niet vrijwillig wordt betaald, zal de administratie binnen
vastgestelde verjaringstermijnen de belastingschuld moeten formaliseren
door een uitvoerbare titel creëren, met name een dwangschrift
FUNCTIES BELASTINGEN
4