Comparatieve Politieke Economie
Open vragen examen
Wat zijn de belangrijkste determinanten van de economische groei op
lange termijn volgens de neoklassieke en heterodoxe scholen?
De neoklassieke school: gaat ervanuit dat langtermijngroei alleen
(gedomineerd word door) gedreven word door de aanbodszijde van de
economie. Daarbij zijn er enkele determinanten die hier een belangrijke rol bij
spelen
Productiviteit: dat verwijst naar de efficiëntie van de bronnen die worden
ingezet om producten en diensten te creëren. (= volgens hun niet enkel
belangrijk voor de langtermijn groei van de economie, maar ook belangrijk
voor verbeteringen in de levensstandaarden.)
= meer productiviteit = kan meer output genereren voor de zelfde
hoeveelheid input, wat leid tot economische groei
Binnen deze productiviteit zijn dan ook innovatie en technologische
vooruitgang zeer belangrijk: Innovatie- technologische vooruitgang
zorgen immers voor meer efficiëntie binnen het productieproces, wat
zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit (arbeiders kunnen meer
produceren binnen een uur)
Deze stroming gaat er m.a.w. van uit dat lange termijn groei in de
economie gedreven word door productiviteitsgroei
Maar wat zijn de determinanten van productiviteit die dan belangrijk zijn voor de
lange termijn groei van de economie volgende de neoklassieke school?
Neoklassieke economen benadrukken de rol van de "aanbodzijde" van de
economie, wat verwijst naar de factoren die de efficiëntie van het
productieproces van bedrijven ondersteunen - zoals belastingen, product- en
arbeidsmarktregulering, en de beschikbaarheid van (menselijk) kapitaal.
Een belangrijke veronderstelling van het aanbodzijde-economie is dat
ondernemerschap in de private bedrijfssector de uiteindelijke drijvende
kracht is achter economische groei en kapitaalaccumulatie: alleen wanneer
particuliere bedrijven en individuen bereid zijn risico's te nemen en
kapitaal te investeren, worden er banen gecreëerd en zal inkomen (winsten
en lonen) worden gegenereerd.
Vanuit aanbodzijde perspectief is de sleutel tot economische groei
winstgevendheid: bedrijven zullen alleen investeren in nieuwe fabrieken,
machines en productiefaciliteiten wanneer het winstgevend is om dit te
doen.
Daarnaast is de link tussen de lonen en productiviteit en belastingen ook zeer
belangrijk
Vanuit een aanbodzijde-perspectief zouden overheden "verstorende"
regelgeving op de arbeidsmarkt moeten afschaffen, zoals
minimumloonwetten die leiden tot buitensporige arbeidskosten voor
bedrijven en hun prikkels om te investeren en mensen in dienst te nemen
verminderen.
voorstander van belastingverlagingen voor bedrijven om investeringen
winstgevender te maken
,De heterodoxe school gaat ervanuit de langtermijngroei voornamelijk
gedreven word door de algemene vraag in de economie (en dan vooral de vraag
van huishoudens)
Deze benadering gaat ervanuit dat bedrijven enkel investeren en
producten zullen produceren als zij verwachten dat hun producenten en
goederen ook effectief zullen worden verkocht. (ook de privé investeringen
uitgaven zullen volgens deze school enkel gebeuren als men weet dat er
effectief vraag is naar producten die geproduceerd worden.
Daarnaast is de link tussen de lonen en productiviteit en belastingen ook zeer
belangrijk
Vanuit een vraagzijde-perspectief zijn deze arbeidsmarktregels echter
nodig om werknemers te versterken en hun lonen te verhogen, wat nodig
is om de totale consumptie in de economie te ondersteunen.
Belang van de herverdelende rol van belastinginkomsten en het feit dat ze
transfers mogelijk maken naar arme huishoudens met een hoog
consumptie-neiging. = rol van de overheid is hierin belangrijk! =
ongelijkheid zorgt voor stagnatie
M.a.w. overheidsinterventies essentieel om de algemene vraag te
ondersteunen
Erkennen het belang van macht en instellingen
Belangrijke kanttekening hierbij is dat er ook wel grote verschillen zijn binnen de
verschillende stromingen binnen de scholen opzicht. Daarnaast zien we ook dat
sinds de economische crisis van 2007 binnen de neoklassieke school ook
stromingen zijn die ook besef hebben dat bepaalde zaken uit de heterodoxe
school relevant zijn. Een voorbeeld hiervan is dat er enkele economen die zich
binnen de neoklassieke school bijvoorbeeld zich ook bewust zijn van
machtscentralisatie en hoe dit tot ongelijkheid kan leiden (iets waar ze in de
klassieke neoklassieke school in eerste instantie minder aandacht voor hadden
(of toch niet op deze laatst vermelde manier)
Bespreek de belangrijkste patronen in de evolutie van
inkomensongelijkheid in de afgelopen eeuw, evenals internationale
verschillen in deze patronen. Maak hierbij een onderscheid tussen
maatstaven van persoonlijke inkomensverdeling (Gini, nationale
inkomensaandelen) en functionele inkomensverdeling
(arbeidsinkomensaandeel).
Algemeen kunnen we stellen dat er sinds de jaren 80 een enorme groei in
inkomensongelijkheid is. Deze periode kan ook gelinkt worden aan de periode dat
de neoliberale periode zijn intreden deed. Om deze vaststellingen te maken
kunnen we ons beroepen op enkele maatstaven die ons iets meer kunnen
vertellen over de inkomensongelijkheid
Functionele inkomstenongelijkheid = vertelt ons iets over de verhouding van
het aandeel arbeidsinkomen en het aandeel kapitaalinkomsten in het BBP
(arbeidsinkomsten en kapitaalinkomsten zijn de twee bronnen van structureel
inkomen (inkomsten die jaarlijks terug komen)
Als we kijken (via maatstaf voor functionele inkomstenongelijkheid) naar het
aandeel van arbeidsaandeel in de BBP dan kunnen we vaststellen dat vanaf de
jaren 80 er een stelselmatige afname is van het arbeidsaandeel in het BBP ten
,aanzien van het kapitaalsaandeel. Wat dus wil zeggen dat het BBP een steeds
groter deel van kapitaalaandeel omvat.
dit duidt ook op een relatie tussen inkomsensongelijkheid en
vermogensongelijkheid: want om de kapitaalsinkomsten te kennen en de
verdeling van die kapitaalsinkomsten te kennen moet men uiteraard kijken
naar hoeveel kapitaal men bezit en deze bezittingen worden weergegeven
in vermogensongelijkheid (= verdeling van netto vermogen = bezittingen
(activa en onroerend goed - schulden)
we kunnen door dit dan ook stellen dat de productiviteitsgroei ook niet
meer direct aanleiding geeft tot loonsverhoging, want stel dat het BBP 3%
zou stijgen dan zou het aandeel van arbeid in principe ook 3% moeten
stijgen, maar we zien juist dat het arbeidsaandeel daalt.
Persoonlijke inkomensongelijkheid = verteld ons iets over de inkomsten
(zowel arbeidsinkomsten als kapitaalinkomsten) van een gezin
Als we kijken naar de Gini- index (en bijhorende Lorenzcurve) dan kunnen we
vaststellen dat er sinds de jaren 80 een algemene (cijfers van de OESO - op
enkele uitzonderingen na: België/Hongarije en Frankrijk: daar is de ongelijkheid
vrij stabiel gebleven) stijging is van inkomsensongelijkheid
belangrijke kanttekening die we hier wel bij moeten maken is dat de cijfers
waarop we dit gebaseerd hebben verkregen zijn door het afnemen van
survey, waardoor het belangrijk is om te beseffen dat we rekening moeten
houden met eventuele foutmarges (bv rijke zijn minder geneigd om
transparant te zijn over hun financiële toestand)
Door te kijken naar de cijfers over het aandeel van verschillende
inkomensgroepen (waarbij we hier kijken naar de top 1%) in het nationaal
inkomen dan kunnen we ook via deze maatstaf stellen dat er sinds de jaren 80
een sterke stijging is van het aandeel van de top 1% (wat ook wijst op een
toenemende ongelijkheid, aangezien het hier gaat om de superrijken in een land)
ten aanzien van de andere groepen. MAAR door verschillende landen te gaan
vergelijken zijn we dat de stijging van het aandeel van de top 1% niet overal even
hard is gestegen ten aanzien van de andere groepen. Met andere woorden in het
belangrijk om hier enkele Internationale verschillen te bekijken.
Zo zien we dat In de Angelsaksische economieën (bv VK/VS) het aandeel van de
top 1% veel hoger gestegen is (jaren 40daling -> vanaf jaren 80 terug stijging: U-
curve) dan in de West Europese economieën (L-curve daling in de jaren 40 , en
daarna stabieler met weer een lichte stijging sinds eind jaren 90) (Bv BE/DL).
(periode van daling is trouwens de periode dat het keynesiaansisme er was =
zette in op gelijkheid (defecit spending/ ondersteunen vraag)
Daarnaast kunnen we ook kijken naar een algemeen overzicht waar we een
vergelijking kunnen maken tussen de verschillende groepen binnen de totale
populatie (dus bv: Bottom 50, middel 40, top 10, top0.001 ,…) en ook daar zien
we dat de top 1 procent overal gestegen is (als we kijken naar het Aandeel van
de inkomensgroepen in de totale geaccumuleerde inkomensgroei) maar zien we
een significant verschil tussen de stijging van Europa tegenover de VS en
Canada. (zo zien we dat het aandeel van de top 1% in Europa met 18% gestegen
is terwijl we in de VS voor diezelfde groep een stijging zien van 35%, daarnaast
worden deze verschillen ook doorgetrokken naar mate we naar hogere groepen
kijken (bv top 0.001% Eu: 1% - VS 4%). Ook als we hierbinnen kijken naar het
aandeel van reële loon groei per volwassenen zien we dezelfde tendens.
, Ook belangrijk is dat we in de Europese economieën wel kunnen zien dat ook
voor de Bottom 50 procent het totale cumulatieve inkomensgroei per
volwasseneis toegenomen is (26%), waar de in de VS en Canada een significante
lagere groei kunnen zien (5%)
Ook als we kijken naar de verdeling van welvaart (gelinkt aan vermogen) zien we
grote verschillen tussen bv VS en BE: in België zit 42% van al de welvaart bij de
top 10% en in de VS is dat in die zelfde groep ongeveer 80%)
Als we al deze maatstaven en bekomen cijfers dus samenleggen zien we dat er
dus een algemene stijging van inkomensongelijkheid, maar dat de ongelijkheid in
de Liberale markteconomieën groter zijn dan in de gecoördineerde
markteconomieën. Een mogelijke verklaring hiervoor zouden we kunnen vinden
in beleid verschillen tussen de liberale markteconomieën en gecoördineerde
markteconomieën bv als het gaat over loon zetting en het gevolg daarvan op de
inkomensongelijkheid, corperate govenrance, …)
Korte uitleg maatstaven van persoonlijke en functionele
inkomstenverdeling
Functioneel inkomensverdeling = geeft een verdeling van het BBP/nationaal
inkomen weer in arbeidsinkomen en kapitaalinkomen
Persoonlijke inkomensverdeling = geeft de inkomstenverdelingen van gezinnen
(zowel arbeids- als kapitaalinkomsten) weer. Twee belangrijke maatstaven om
naar deze verdeling te kijken.
GINI index (met de Lorenzocurve): de Gini-index geeft een weergave van
de mate waarin de inkomsten on- of gelijk verdeeld zijn in een cijfer tussen
0 en 1 waarbij 0: perfecte gelijkheid is en 1 perfecte ongelijkheid.
+ We gebruiken de Lorenzcurve om de effectieve inkomstenverdeling weer
te geven in vergelijking met perfecte on-of gelijkheid (Gini-index). De
lorenz curve kijkt daarbij naar het aandeel van een bepaalde groep in het
nationaal inkomen.
Het aandeel va verschillende inkomensroepen (bv Thomas Piketty: top 1%)
in het nationaal inkomen (BBP)
Vermogensongelijkheid= netto vermogen van een groep en hoe groot het
aandeel is van deze groep in de totale netto vermogen van een land. Hiervoor
kijken we naar het aandeel van verschillende welvaartsgroepen (bv top 10
procent) in de nationale welvaart als maatstaf
Bespreek de neoklassieke visie op de oorzaken en gevolgen van
toenemende inkomensongelijkheid in de geavanceerde
markteconomieën sinds de jaren 1980.
Voor de neoklassieke school is inkomstenongelijkheid niet problematisch en zelf
wenselijk.
Oorzaken van toenemende ongelijkheid
Volgens de neoklassieke school is de stijgende inkomens ongelijkheid een gevolg
van het prijsmechanisme in de arbeidsmarkt. => er is meer vraag gekomen naar
hooggeschoolden (die volgens deze stroming meer meerwaarde creëren van
laaggeschoolden (bv in functie van vervangbaarheid) daarbij zouden ook de
Open vragen examen
Wat zijn de belangrijkste determinanten van de economische groei op
lange termijn volgens de neoklassieke en heterodoxe scholen?
De neoklassieke school: gaat ervanuit dat langtermijngroei alleen
(gedomineerd word door) gedreven word door de aanbodszijde van de
economie. Daarbij zijn er enkele determinanten die hier een belangrijke rol bij
spelen
Productiviteit: dat verwijst naar de efficiëntie van de bronnen die worden
ingezet om producten en diensten te creëren. (= volgens hun niet enkel
belangrijk voor de langtermijn groei van de economie, maar ook belangrijk
voor verbeteringen in de levensstandaarden.)
= meer productiviteit = kan meer output genereren voor de zelfde
hoeveelheid input, wat leid tot economische groei
Binnen deze productiviteit zijn dan ook innovatie en technologische
vooruitgang zeer belangrijk: Innovatie- technologische vooruitgang
zorgen immers voor meer efficiëntie binnen het productieproces, wat
zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit (arbeiders kunnen meer
produceren binnen een uur)
Deze stroming gaat er m.a.w. van uit dat lange termijn groei in de
economie gedreven word door productiviteitsgroei
Maar wat zijn de determinanten van productiviteit die dan belangrijk zijn voor de
lange termijn groei van de economie volgende de neoklassieke school?
Neoklassieke economen benadrukken de rol van de "aanbodzijde" van de
economie, wat verwijst naar de factoren die de efficiëntie van het
productieproces van bedrijven ondersteunen - zoals belastingen, product- en
arbeidsmarktregulering, en de beschikbaarheid van (menselijk) kapitaal.
Een belangrijke veronderstelling van het aanbodzijde-economie is dat
ondernemerschap in de private bedrijfssector de uiteindelijke drijvende
kracht is achter economische groei en kapitaalaccumulatie: alleen wanneer
particuliere bedrijven en individuen bereid zijn risico's te nemen en
kapitaal te investeren, worden er banen gecreëerd en zal inkomen (winsten
en lonen) worden gegenereerd.
Vanuit aanbodzijde perspectief is de sleutel tot economische groei
winstgevendheid: bedrijven zullen alleen investeren in nieuwe fabrieken,
machines en productiefaciliteiten wanneer het winstgevend is om dit te
doen.
Daarnaast is de link tussen de lonen en productiviteit en belastingen ook zeer
belangrijk
Vanuit een aanbodzijde-perspectief zouden overheden "verstorende"
regelgeving op de arbeidsmarkt moeten afschaffen, zoals
minimumloonwetten die leiden tot buitensporige arbeidskosten voor
bedrijven en hun prikkels om te investeren en mensen in dienst te nemen
verminderen.
voorstander van belastingverlagingen voor bedrijven om investeringen
winstgevender te maken
,De heterodoxe school gaat ervanuit de langtermijngroei voornamelijk
gedreven word door de algemene vraag in de economie (en dan vooral de vraag
van huishoudens)
Deze benadering gaat ervanuit dat bedrijven enkel investeren en
producten zullen produceren als zij verwachten dat hun producenten en
goederen ook effectief zullen worden verkocht. (ook de privé investeringen
uitgaven zullen volgens deze school enkel gebeuren als men weet dat er
effectief vraag is naar producten die geproduceerd worden.
Daarnaast is de link tussen de lonen en productiviteit en belastingen ook zeer
belangrijk
Vanuit een vraagzijde-perspectief zijn deze arbeidsmarktregels echter
nodig om werknemers te versterken en hun lonen te verhogen, wat nodig
is om de totale consumptie in de economie te ondersteunen.
Belang van de herverdelende rol van belastinginkomsten en het feit dat ze
transfers mogelijk maken naar arme huishoudens met een hoog
consumptie-neiging. = rol van de overheid is hierin belangrijk! =
ongelijkheid zorgt voor stagnatie
M.a.w. overheidsinterventies essentieel om de algemene vraag te
ondersteunen
Erkennen het belang van macht en instellingen
Belangrijke kanttekening hierbij is dat er ook wel grote verschillen zijn binnen de
verschillende stromingen binnen de scholen opzicht. Daarnaast zien we ook dat
sinds de economische crisis van 2007 binnen de neoklassieke school ook
stromingen zijn die ook besef hebben dat bepaalde zaken uit de heterodoxe
school relevant zijn. Een voorbeeld hiervan is dat er enkele economen die zich
binnen de neoklassieke school bijvoorbeeld zich ook bewust zijn van
machtscentralisatie en hoe dit tot ongelijkheid kan leiden (iets waar ze in de
klassieke neoklassieke school in eerste instantie minder aandacht voor hadden
(of toch niet op deze laatst vermelde manier)
Bespreek de belangrijkste patronen in de evolutie van
inkomensongelijkheid in de afgelopen eeuw, evenals internationale
verschillen in deze patronen. Maak hierbij een onderscheid tussen
maatstaven van persoonlijke inkomensverdeling (Gini, nationale
inkomensaandelen) en functionele inkomensverdeling
(arbeidsinkomensaandeel).
Algemeen kunnen we stellen dat er sinds de jaren 80 een enorme groei in
inkomensongelijkheid is. Deze periode kan ook gelinkt worden aan de periode dat
de neoliberale periode zijn intreden deed. Om deze vaststellingen te maken
kunnen we ons beroepen op enkele maatstaven die ons iets meer kunnen
vertellen over de inkomensongelijkheid
Functionele inkomstenongelijkheid = vertelt ons iets over de verhouding van
het aandeel arbeidsinkomen en het aandeel kapitaalinkomsten in het BBP
(arbeidsinkomsten en kapitaalinkomsten zijn de twee bronnen van structureel
inkomen (inkomsten die jaarlijks terug komen)
Als we kijken (via maatstaf voor functionele inkomstenongelijkheid) naar het
aandeel van arbeidsaandeel in de BBP dan kunnen we vaststellen dat vanaf de
jaren 80 er een stelselmatige afname is van het arbeidsaandeel in het BBP ten
,aanzien van het kapitaalsaandeel. Wat dus wil zeggen dat het BBP een steeds
groter deel van kapitaalaandeel omvat.
dit duidt ook op een relatie tussen inkomsensongelijkheid en
vermogensongelijkheid: want om de kapitaalsinkomsten te kennen en de
verdeling van die kapitaalsinkomsten te kennen moet men uiteraard kijken
naar hoeveel kapitaal men bezit en deze bezittingen worden weergegeven
in vermogensongelijkheid (= verdeling van netto vermogen = bezittingen
(activa en onroerend goed - schulden)
we kunnen door dit dan ook stellen dat de productiviteitsgroei ook niet
meer direct aanleiding geeft tot loonsverhoging, want stel dat het BBP 3%
zou stijgen dan zou het aandeel van arbeid in principe ook 3% moeten
stijgen, maar we zien juist dat het arbeidsaandeel daalt.
Persoonlijke inkomensongelijkheid = verteld ons iets over de inkomsten
(zowel arbeidsinkomsten als kapitaalinkomsten) van een gezin
Als we kijken naar de Gini- index (en bijhorende Lorenzcurve) dan kunnen we
vaststellen dat er sinds de jaren 80 een algemene (cijfers van de OESO - op
enkele uitzonderingen na: België/Hongarije en Frankrijk: daar is de ongelijkheid
vrij stabiel gebleven) stijging is van inkomsensongelijkheid
belangrijke kanttekening die we hier wel bij moeten maken is dat de cijfers
waarop we dit gebaseerd hebben verkregen zijn door het afnemen van
survey, waardoor het belangrijk is om te beseffen dat we rekening moeten
houden met eventuele foutmarges (bv rijke zijn minder geneigd om
transparant te zijn over hun financiële toestand)
Door te kijken naar de cijfers over het aandeel van verschillende
inkomensgroepen (waarbij we hier kijken naar de top 1%) in het nationaal
inkomen dan kunnen we ook via deze maatstaf stellen dat er sinds de jaren 80
een sterke stijging is van het aandeel van de top 1% (wat ook wijst op een
toenemende ongelijkheid, aangezien het hier gaat om de superrijken in een land)
ten aanzien van de andere groepen. MAAR door verschillende landen te gaan
vergelijken zijn we dat de stijging van het aandeel van de top 1% niet overal even
hard is gestegen ten aanzien van de andere groepen. Met andere woorden in het
belangrijk om hier enkele Internationale verschillen te bekijken.
Zo zien we dat In de Angelsaksische economieën (bv VK/VS) het aandeel van de
top 1% veel hoger gestegen is (jaren 40daling -> vanaf jaren 80 terug stijging: U-
curve) dan in de West Europese economieën (L-curve daling in de jaren 40 , en
daarna stabieler met weer een lichte stijging sinds eind jaren 90) (Bv BE/DL).
(periode van daling is trouwens de periode dat het keynesiaansisme er was =
zette in op gelijkheid (defecit spending/ ondersteunen vraag)
Daarnaast kunnen we ook kijken naar een algemeen overzicht waar we een
vergelijking kunnen maken tussen de verschillende groepen binnen de totale
populatie (dus bv: Bottom 50, middel 40, top 10, top0.001 ,…) en ook daar zien
we dat de top 1 procent overal gestegen is (als we kijken naar het Aandeel van
de inkomensgroepen in de totale geaccumuleerde inkomensgroei) maar zien we
een significant verschil tussen de stijging van Europa tegenover de VS en
Canada. (zo zien we dat het aandeel van de top 1% in Europa met 18% gestegen
is terwijl we in de VS voor diezelfde groep een stijging zien van 35%, daarnaast
worden deze verschillen ook doorgetrokken naar mate we naar hogere groepen
kijken (bv top 0.001% Eu: 1% - VS 4%). Ook als we hierbinnen kijken naar het
aandeel van reële loon groei per volwassenen zien we dezelfde tendens.
, Ook belangrijk is dat we in de Europese economieën wel kunnen zien dat ook
voor de Bottom 50 procent het totale cumulatieve inkomensgroei per
volwasseneis toegenomen is (26%), waar de in de VS en Canada een significante
lagere groei kunnen zien (5%)
Ook als we kijken naar de verdeling van welvaart (gelinkt aan vermogen) zien we
grote verschillen tussen bv VS en BE: in België zit 42% van al de welvaart bij de
top 10% en in de VS is dat in die zelfde groep ongeveer 80%)
Als we al deze maatstaven en bekomen cijfers dus samenleggen zien we dat er
dus een algemene stijging van inkomensongelijkheid, maar dat de ongelijkheid in
de Liberale markteconomieën groter zijn dan in de gecoördineerde
markteconomieën. Een mogelijke verklaring hiervoor zouden we kunnen vinden
in beleid verschillen tussen de liberale markteconomieën en gecoördineerde
markteconomieën bv als het gaat over loon zetting en het gevolg daarvan op de
inkomensongelijkheid, corperate govenrance, …)
Korte uitleg maatstaven van persoonlijke en functionele
inkomstenverdeling
Functioneel inkomensverdeling = geeft een verdeling van het BBP/nationaal
inkomen weer in arbeidsinkomen en kapitaalinkomen
Persoonlijke inkomensverdeling = geeft de inkomstenverdelingen van gezinnen
(zowel arbeids- als kapitaalinkomsten) weer. Twee belangrijke maatstaven om
naar deze verdeling te kijken.
GINI index (met de Lorenzocurve): de Gini-index geeft een weergave van
de mate waarin de inkomsten on- of gelijk verdeeld zijn in een cijfer tussen
0 en 1 waarbij 0: perfecte gelijkheid is en 1 perfecte ongelijkheid.
+ We gebruiken de Lorenzcurve om de effectieve inkomstenverdeling weer
te geven in vergelijking met perfecte on-of gelijkheid (Gini-index). De
lorenz curve kijkt daarbij naar het aandeel van een bepaalde groep in het
nationaal inkomen.
Het aandeel va verschillende inkomensroepen (bv Thomas Piketty: top 1%)
in het nationaal inkomen (BBP)
Vermogensongelijkheid= netto vermogen van een groep en hoe groot het
aandeel is van deze groep in de totale netto vermogen van een land. Hiervoor
kijken we naar het aandeel van verschillende welvaartsgroepen (bv top 10
procent) in de nationale welvaart als maatstaf
Bespreek de neoklassieke visie op de oorzaken en gevolgen van
toenemende inkomensongelijkheid in de geavanceerde
markteconomieën sinds de jaren 1980.
Voor de neoklassieke school is inkomstenongelijkheid niet problematisch en zelf
wenselijk.
Oorzaken van toenemende ongelijkheid
Volgens de neoklassieke school is de stijgende inkomens ongelijkheid een gevolg
van het prijsmechanisme in de arbeidsmarkt. => er is meer vraag gekomen naar
hooggeschoolden (die volgens deze stroming meer meerwaarde creëren van
laaggeschoolden (bv in functie van vervangbaarheid) daarbij zouden ook de