Ecosystemen
Van organisme tot ecosysteem
Weefs Orgaa Stelse Organ Popul Levensg Ecosy
Cel emeensc
el n l isme atie hap steem
Dieren en planten
apart
Dieren en planten
samen
Biotische factoren: Elk levend organisme dat een invloed uitoefent op zijn
omgeving.
Populatie: De verzameling van organismen van eenzelfde soort die in een
bepaald gebied voorkomen en waar interactie tussen individuen mogelijk
is.
Levensgemeenschap: De verzameling van populaties van verschillende
soorten, die elkaar direct of indirect beïnvloeden.
Abiotische factoren: Niet-levende zaken die invloeden uitoefenen op hun
omgeving.
Het ecosysteem: Omvat het geheel van
interacties tussen alle biotische en abiotische
factoren in een biotoop.
Biodiversiteit: De verscheidenheid van het
leven in al zijn vormen.
1. Diversiteit van ecosysteem
2. Diversiteit van individuen
3. Diversiteit van genetica
Ecologie: De wetenschap die de complexe wisselwerking tussen de
organismen en hun biotoop bestudeert op verschillende
organisatieniveaus en zo een volledig beeld geeft van een ecosysteem.
Ecosystemen op grote en kleine schaal
Biosfeer: Het gedeelte op aarde waar leven mogelijk is.
Atmosfeer: De lucht.
Hydrosfeer: Het geheel van water boven, onder en op het aardoppervlak.
Lithosfeer: Het vaste gedeelte van de aardkorst.
Van ecosysteem tot biotoop, habitat en niche
Biotoop: Een min of meer homogeen gebied met welbepaalde fysische en
chemische kenmerken (abiotische factoren) waarin een typische
levensgemeenschap (biotische factoren) voorkomt.
1
, Habitat: De voorwaarden waaraan een gebied moet voldoen voor een
bepaalde soort om er te overleven, groeien en voortplanten.
Zomer: moerassen of vochtige graslanden
Winter: vorstvrije plekken
Niche: Specialisatie van een soort, waardoor deze een eigen functie
inneemt in de biotoop.
Biodiversiteit in ecosystemen
Biodiversiteit in kaart brengen
Natuurkwaliteit: hoe gezond een ecosysteem is. Een hoge biodiversiteit en
een goed evenwicht tussen organismen en hun omgeving wijzen op een
goede natuurkwaliteit.
Biotoop- of terreinstudie: onderzoek van de biodiversiteit in een bepaald
gebied.
Determineren → soorten herkennen en benoemen
Inventariseren → aantallen en verspreiding van soorten onderzoeken
Planten onderzoekt men via vegetatieopnames; dieren via tellingen,
vangst of sporen (pootafdrukken, uitwerpselen, haren …).
Door studies regelmatig te herhalen kan men de evolutie van de
biodiversiteit opvolgen en beheerplannen opstellen.
Indicatorsoorten: soorten die door hun aanwezigheid of afwezigheid
informatie geven over het milieu.
Voorbeelden: brede orchis → vochtige, mineraalrijke bodem;
brandnetels → stikstofrijke bodem.
Ze worden gebruikt omdat het onmogelijk is om alle soorten in een
gebied te onderzoeken
Het belang van biodiversiteit op verschillende organisatieniveaus
Natuurlijk ecosysteem: Ecosysteem dat niet beïnvloed is door de mens.
1. Tropisch regenwoud
2. Woestijn
3. Koraalriffen
Half natuurlijk ecosysteem: Ecosystemen die deels door de mens worden
beïnvloed
1. Heide
2. Stuifzandgebied
3. Kalkgrasland
Kunstmatig ecosysteem: Ecosystemen die sterk beïnvloed worden door de
mens.
Intensieve beheersmaatregelen
1. Aquarium
2. Landbouwveld (akker)
3. Stadspark
Focus: Madagaskar
Madagaskar is een afgezonderd stuk natuur met soorten die
helemaal afzonderlijk zijn geëvolueerd
2