ANTISOCIAAL
GEDRAG DOOR
BIOSOCIALE BRIL
HOOFDSTUK 1: VAN
BIOLOGISCH
POSITIVISME NAAR
BIOSOCIALE
CRIMINOLOGIE
1. INLEIDING
Biosociale etiologische criminologie=
Stroming waarin ‘oorzaken en wetmatigheden’ gezocht worden: link wordt
tussen ‘biologische’ factoren en criminaliteit.
° Biosociale etiologische criminologie is een stroming binnen de criminologie die
probeert te verklaren waarom mensen crimineel of antisociaal gedrag stellen.
° “Etiologisch” betekent: gericht op oorzaken. Men zoekt dus naar oorzaken van
criminaliteit.
° Het gaat niet om een puur biologische verklaring, maar om een combinatie van
biologische én sociale factoren.
° Gedrag ontstaat volgens deze benadering door een wisselwerking tussen aanleg,
lichaam, hersenen, hormonen, genen, persoonlijkheid, opvoeding, omgeving en
maatschappelijke omstandigheden.
° Belangrijk: moderne biosociale criminologie zegt dus niet: “iemand is crimineel
geboren”, maar onderzoekt hoe biologische kwetsbaarheden in bepaalde sociale
contexten kunnen doorwerken.
o Biosociale interacties (invloed van sociale biologie)
Biosociale interacties betekenen dat biologische factoren en sociale
factoren elkaar beïnvloeden.
1
, Bijvoorbeeld: iemand kan een biologische aanleg hebben voor
impulsiviteit, maar of dat leidt tot criminaliteit hangt af van
opvoeding, toezicht, vrienden, armoede, schoolcontext, stress,
enzovoort.
Biologie werkt dus niet los van de omgeving. De sociale omgeving
bepaalt mee of een biologische aanleg versterkt, afgezwakt of nooit
zichtbaar wordt.
o Evolutiebiologie van ‘criminaliteit’, ‘bestraffing’, ‘sociaal gedrag’
(menselijke sociobiologie)
Binnen deze benadering kijkt men ook naar evolutionaire
psychologie en moderne sociobiologie.
Men vraagt zich af waarom bepaald gedrag evolutionair nuttig kan
zijn geweest.
Voorbeelden:
Agressie kan evolutionair verbonden zijn met competitie om status,
partners of middelen.
Samenwerking kan nuttig zijn geweest voor overleving binnen
groepen.
Bestraffing kan helpen om sociale orde te bewaren en
samenwerking af te dwingen.
Criminaliteit wordt hier niet “goed gepraat”, maar men probeert te
begrijpen waarom antisociaal gedrag soms kan ontstaan binnen
menselijke evolutie.
Verlichtingsfilosofen (Kant, Locke, Hume, Bentham, Beccaria) en het rationeel
mensbeeld (‘homo economicus’)
De Verlichting ging sterk uit van de mens als rationeel wezen.
De mens werd gezien als iemand die keuzes maakt op basis van kosten en baten.
Dit sluit aan bij het beeld van de homo economicus: de mens als rationele
beslisser.
In de klassieke criminologie betekent dit: iemand pleegt een misdrijf als de
voordelen groter lijken dan de nadelen.
Strafrechtelijk beleid werd hierdoor beïnvloed: straffen moesten afschrikken, zodat
mensen rationeel zouden kiezen om geen misdrijf te plegen.
Beccaria is hierbij belangrijk: hij pleitte voor duidelijke wetten, proportionele
straffen en afschrikking.
Plato wees er al op dat mensen hun doelen moeten nastreven op een manier die
anderen geen schade toebrengt, dus op een sociaal aanvaarde manier.
Versus…
Het 19de eeuwse Positivisme (wetmatigheden).
Het positivisme vertrekt niet van vrije wil en rationele keuze, maar van oorzaken
en wetmatigheden.
Positivisten wilden criminaliteit wetenschappelijk bestuderen door observatie,
meting en empirisch onderzoek.
Centraal idee: een theorie is pas juist als ze overeenkomt met wat men in de
echte wereld kan waarnemen en meten.
Het positivisme zoekt dus naar factoren die crimineel gedrag veroorzaken of
voorspellen.
In de 19de eeuw ontstonden drie grote vormen van positivisme:
Biologisch positivisme: zoekt oorzaken in lichaam, erfelijkheid, schedel,
uiterlijk, aanleg.
Psychologisch positivisme: zoekt oorzaken in persoonlijkheid, intelligentie,
mentale ontwikkeling.
2
, Sociologisch positivisme: zoekt oorzaken in armoede, omgeving,
leefomstandigheden en sociale structuur.
− Mislukte start: eurocentrisme, racisme, seksisme, eugenetica!
o De vroege biologische criminologie kende een zeer problematische start.
o Eurocentrisme betekent dat Europa als maatstaf voor beschaving en
ontwikkeling werd gezien. Niet-westerse samenlevingen werden vaak als
“achterlijk” of “minder ontwikkeld” voorgesteld.
o Racisme speelde een grote rol: men dacht foutief dat zogenaamde
“rassen” biologisch verschilden in intelligentie, moraliteit en criminaliteit.
Dit werd gebruikt om kolonialisme, ongelijkheid en uitsluiting te
rechtvaardigen.
o Seksisme: onderzoek ging bijna uitsluitend over mannen. Vrouwen werden
genegeerd of op basis van stereotypen beschreven. Ongelijkheid tussen
mannen en vrouwen werd vaak als “natuurlijk” voorgesteld.
o Eugenetica: de idee dat men de mensheid kon “verbeteren” door
selectieve voortplanting. Mensen met zogenaamd “ongewenste”
eigenschappen moesten zich niet voortplanten.
o Deze ideeën leidden later tot zeer gevaarlijke praktijken, zoals gedwongen
sterilisaties en uiteindelijk extreme vormen van uitsluiting en vernietiging
in nazistische ideologie.
− Misinterpretatie van evolutietheorie (Darwin), vnl de echte betekenis van
‘survival of the fittest’.
o Darwin bedoelde met “survival of the fittest” niet dat de sterkste of meest
agressieve mens overleeft.
o “Fittest” betekent: het best aangepast aan de omgeving.
o De foutieve interpretatie kwam vooral via Herbert Spencer en het sociaal
darwinisme.
o Sociaal darwinisme paste evolutiedenken verkeerd toe op de maatschappij.
o Men zei dan: wie arm, ziek of crimineel is, is “minder aangepast” of
“inferieur”.
o Dit werd gebruikt om ongelijkheid, armoede, racisme en hard sociaal beleid
te rechtvaardigen.
o Belangrijk voor het examen: sociaal darwinisme is een foutief en
ideologisch gebruik van Darwin, niet de correcte evolutietheorie.
− Concept ‘genen’ was ONBEKEND in 19de eeuw.
o In de 19de eeuw wist men nog niet wat genen precies waren.
o Men sprak wel over erfelijkheid, maar zonder moderne genetische kennis.
o Daardoor maakten vroege biologische criminologen vaak grove en foute
conclusies.
o Ze dachten bijvoorbeeld dat criminaliteit rechtstreeks erfelijk was, zonder
inzicht in complexe genetische processen.
o Moderne genetica is veel genuanceerder: gedrag wordt beïnvloed door veel
genen, omgeving en ontwikkeling.
− ‘Biologisch deterministen’ meenden dat de criminele mens niet was
aangepast aan de moderne omgeving
3