EVOLUTIONAIRE
DYNAMIEKEN IN HET
HOMINISATIEPROCES
1. INLEIDING
▪ Belangrijke topics die aanbod komen:
o Dit hoofdstuk gaat over het hominisatieproces: de lange evolutionaire ontwikkeling van
vroege mensachtigen tot de moderne mens, Homo sapiens.
o We bekijken dus niet één plots moment waarop “de mens” ontstond, maar een lange
reeks evolutionaire veranderingen in lichaam, brein, gedrag, voortplanting en sociaal
leven.
▪ Fossiele vondsten en hun beperkingen
o Fossielen zijn de belangrijkste bronnen om de evolutie van vroegere soorten te
reconstrueren.
o Maar fossielen zijn zeldzaam en onvolledig. Daardoor is onze kennis altijd gedeeltelijk en
voorlopig.
o Nieuwe vondsten kunnen bestaande theorieën aanpassen.
▪ Tijd in evolutionair perspectief: DEEP TIME
o Deep time betekent dat evolutie zich afspeelt op enorm lange tijdschalen: miljoenen en
zelfs miljarden jaren.
o Voor mensen is dat moeilijk voor te stellen, omdat ons gewone tijdsbesef beperkt is tot
jaren, eeuwen of hoogstens enkele duizenden jaren.
o In evolutiebiologie zijn miljoenen jaren vaak “normale” tijdseenheden.
▪ Primaatkenmerken en hun sociaal gedrag
o Mensen zijn primaten. Daarom moeten we begrijpen welke kenmerken we delen met
andere primaten.
o Primaten hebben vaak complex sociaal gedrag, ouderlijke investering, hiërarchieën,
coalities en communicatievormen.
o Door primaten te vergelijken, kunnen we beter begrijpen wat typisch menselijk is en wat
evolutionair ouder is.
▪ DE GROTE TRENDS IN HET LANGE HOMINISATIEPROCES
o Grote trends zijn onder andere: tweevoetigheid, manipulatieve handen, groter brein,
langere kindertijd, tragere ontwikkeling, langere levensduur, sociaal gedrag en
verminderde seksuele dimorfie.
o Deze kenmerken zijn niet allemaal tegelijk ontstaan. Ze ontwikkelden zich geleidelijk over
miljoenen jaren.
1
, ▪ Bijzondere aandacht voor permanente tweevoetigheid en seksueel dimorfisme
o Permanent bipedalisme = leven en bewegen op twee voeten als normale
voortbewegingswijze.
o Dit is één van de oudste kenmerken van homininen.
o Seksueel dimorfisme = verschillen tussen mannen en vrouwen in lichaamsgrootte,
kracht, tanden, gedrag of fysiologie.
o Bij de mens is seksueel dimorfisme kleiner dan bij veel andere primaten, wat belangrijk is
voor het begrijpen van samenwerking en sociale relaties.
▪ Wat zijn fossielen?
o Fossielen zijn overblijfselen of sporen van organismen uit het verleden.
o Dat kunnen botten, tanden, afdrukken, voetsporen of versteende resten zijn.
o Ze geven informatie over hoe vroegere soorten eruitzagen, hoe ze bewogen, wat ze aten
en in welke omgeving ze leefden.
▪ Wat vertellen fossielen ons over het verleden?
o Fossielen tonen welke soorten vroeger leefden en hoe ze doorheen de tijd veranderden.
o Ze kunnen informatie geven over lichaamsbouw, hersengrootte, gebit, voortbeweging en
soms gedrag.
o Bijvoorbeeld: voetafdrukken kunnen aantonen of een soort tweevoetig liep.
▪ Welke methoden gebruiken antropologen en andere wetenschappers om fossielen te
bestuderen?
o Antropologen gebruiken onder andere anatomische vergelijking, dateringstechnieken,
geologie, archeologie, DNA-onderzoek indien mogelijk, isotopenanalyse en tafonomie.
o Tafonomie bestudeert wat er met resten gebeurt vanaf de dood van een organisme tot
de ontdekking als fossiel.
o Men kijkt dus naar ontbinding, beschadiging, sedimentlagen, verplaatsing door water of
dieren, en fossilisatie.
Fossiele vondsten zijn zeldzaam!
Fossilisatie gebeurt niet zomaar. De meeste organismen verdwijnen volledig na hun dood.
Daarom is het fossiele archief onvolledig.
→ Waarom?
o Na de dood begint het lichaam te ontbinden.
o Vlees en zachte weefsels verdwijnen snel.
o Vaak blijven enkel harde delen zoals tanden en botten tijdelijk over.
→ Aaseters (predatoren of roofdieren)
o Roofdieren en aaseters kunnen resten opeten, verplaatsen of beschadigen.
o Daardoor blijven botten vaak niet intact liggen.
Maden (Maggots)
Maden en micro-organismen versnellen de ontbinding van zachte weefsels.
Daardoor blijft er meestal weinig over.
Zuurstofvrije omgeving is vereist
Voor fossilisatie is vaak een zuurstofarme of zuurstofvrije omgeving nodig.
In zo’n omgeving verloopt ontbinding trager.
Bijvoorbeeld: een organisme sterft aan de oever van een rivier, raakt bedekt door sediment, komt
in zuurstofarme omstandigheden terecht en wordt langzaam opgenomen in aardlagen.
Na lange tijd kunnen onderzoekers dan versteende resten terugvinden.
2
, Afbeelding: tafonomie
De afbeelding toont waarschijnlijk hoe resten van een organisme na de dood kunnen veranderen
en uiteindelijk fossiel kunnen worden.
Belangrijk: wat wij als fossiel vinden, is maar een klein en vertekend deel van wat ooit geleefd
heeft.
2. BEPERKINGEN VAN HET FOSSIELE ARCHIEF
Voorbeeld van fossielrijke plaats:
• ‘Fayum depressie’ (Egypte)
o De Fayum-depressie is een bekende fossielrijke regio in Egypte.
o Ze is belangrijk voor de studie van vroege primatenevolutie.
• Fossielrijk voor primatenevolutie tussen 37 MYA en 29 MYA
o MYA = million years ago, dus miljoen jaar geleden.
o De Fayum-depressie bevat fossielen uit een belangrijke periode in de evolutie van
primaten.
o Omdat er veel fossielen gevonden zijn, kunnen onderzoekers variatie beter bestuderen.
• Vooral ook oostelijk Afrika en zuidelijke delen van Afrika
o Oost- en Zuid-Afrika zijn zeer belangrijk voor de studie van menselijke evolutie.
o Veel fossielen van vroege homininen zijn daar gevonden.
o Afrika is cruciaal omdat de menselijke evolutionaire geschiedenis daar haar oorsprong
heeft.
3
, Voetafdrukken uit Laetoli (Tanzania): 3,5 miljoen jaar oud, afkomstig van Australopithecus-
groep
De voetafdrukken van Laetoli zijn zeer belangrijk omdat ze aantonen dat sommige
Australopithecus-achtigen al tweevoetig liepen.
Op basis van de vorm en plaatsing van de voetafdrukken kunnen onderzoekers afleiden hoe ze
bewogen.
Dit is belangrijk omdat bipedalisme ouder is dan grote hersenen en ouder dan systematische
jacht.
De voetafdrukken tonen dus dat tweevoetigheid al vroeg in het hominisatieproces aanwezig was.
4