Abstraheren is het proces waarbij je uit concrete waarnemingen of
voorbeelden de essentiële kenmerken haalt en minder belangrijke details
weglaat. Zo kom je tot een algemeen begrip, concept of regel die op
meerdere situaties toepasbaar is.
Empirisme is een filosofische stroming die stelt dat kennis voornamelijk
voortkomt uit ervaring en zintuiglijke waarneming. Volgens empiristen
leren mensen de wereld kennen door observatie, experiment en ervaring,
eerder dan door aangeboren ideeën of puur redeneren.
Inductie vertrekt van afzonderlijke waarnemingen of voorbeelden en leidt
daaruit een algemene regel af. Bijvoorbeeld: als je vaak ziet dat metalen
uitzetten bij verwarming, concludeer je dat metalen in het algemeen
uitzetten bij verwarming. Deductie werkt omgekeerd: je vertrekt van een
algemene regel en past die toe op een specifiek geval. Als alle metalen
uitzetten bij verwarming en ijzer een metaal is, dan volgt daaruit dat ijzer
uitzet bij verwarming.
Betekenis van de termen
Kinesthesen: zintuiglijke gewaarwordingen die verband houden met
beweging, houding en de positie van het eigen lichaam en de
ledematen.
Immanent: iets wat binnen een bepaald geheel aanwezig is en daar
inherent toe behoort; niet van buitenaf afkomstig of overstijgend.
Homogeen: gelijksoortig van samenstelling of aard; overal dezelfde
kenmerken hebbend, zonder duidelijke verschillen tussen de
onderdelen.
Anamnese: het systematisch verzamelen van informatie over
iemands voorgeschiedenis, ervaringen of omstandigheden, vaak
gebruikt in de geneeskunde, psychologie of sociale wetenschappen.
Abstractie: het denkproces waarbij men de belangrijkste kenmerken
van een verschijnsel naar voren haalt en minder relevante details
buiten beschouwing laat om tot een algemeen begrip te komen.
Kwantificering: het uitdrukken van verschijnselen, eigenschappen of
gegevens in meetbare hoeveelheden of cijfers.
Binair: bestaande uit twee mogelijke waarden, categorieën of
toestanden, bijvoorbeeld ja/nee, waar/onwaar of 0/1.
, Dualisme: de opvatting dat een verschijnsel of werkelijkheid uit twee
fundamenteel verschillende principes of bestanddelen bestaat,
bijvoorbeeld lichaam en geest.
Absolute plaats: de exacte ligging van een plaats op aarde, bepaald
aan de hand van objectieve coördinaten zoals breedte- en
lengtegraad.
Substantivering: het omvormen van een woord of begrip tot een
zelfstandig naamwoord, of het voorstellen van een eigenschap of
proces als een zelfstandig bestaand "ding". Bijvoorbeeld: van het
werkwoord lopen naar het zelfstandig naamwoord het lopen.
Absolute minimumlijst voor het examen
Als je weinig tijd hebt, focus dan vooral op:
1. Idee – Anamnese – Allegorie van de Grot
2. Chora – Ananké
3. Hinterwelt – Wil tot macht – Amor fati
4. Topos – Hylemorphisme – Potentie/Act
5. Cogito ergo sum – Res cogitans – Res extensa – Mind-body problem
6. Empirisme – Touch educates vision – Fenomenologie – Kinaesthesen
– TVSS
Dat zijn de begrippen die het vaakst terugkomen in examenvragen en die
de verschillende denkers van elkaar onderscheiden.