Examen-pack & Wetstechnische Analyse
Een systematisch overzicht van de fundamenten en rechtsvormen onder het Wetboek van
Vennootschappen en Verenigingen
Sinds de inwerkingtreding op 1 mei 2019 heeft het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV)
het Belgische ondernemingslandschap ingrijpend vereenvoudigd. Het wetboek is opgebouwd uit 5 delen
en 18 boeken. Een cruciale harde deadline was 1 januari 2024, waartegen alle bestaande vennootschappen
hun statuten dwingend moesten aanpassen aan de nieuwe wetgeving; hierbij is cherry-picking (slechts
gedeeltelijke overname van gunstige regelingen) strikt verboden. Bij het oplossen van casussen hanteert
men de algemene rangorde van rechtsbronnen: de geschreven wet primeert, gevolgd door de rechtspraak,
de rechtsleer en tot slot de gewoonte.
1. De Materiële Vereisten & Rechtspersoonlijkheid
Om te kunnen spreken van een vennootschap in de zin van art. 1:1 , moet cumulatief voldaan zijn aan
vier materiële basisvereisten:
• Rechtshandeling: Een vennootschap ontstaat in de regel door een meerzijdige overeenkomst, maar
kan bij eenhoofdige vennootschappen (zoals de BV of NV) ook voortvloeien uit een eenzijdige
rechtshandeling.
• Inbreng: Iedere vennoot moet iets inbrengen. Dit kan vermogen in geld, goederen in natura, of arbeid/
nijverheid (kennis en prestaties) zijn.
• Voorwerp: De vennootschap moet een bepaald en wettig voorwerp hebben, specifiek gedefinieerd in
haar statuten.
• Vermogensvoordeel: Het doorslaggevende criterium. Een vennootschap streeft het genereren van een
rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel voor haar vennoten na. Dit vormt het fundamentele
verschil met de vzw of de stichting, welke wettelijk verplicht een belangeloos doel moeten nastreven.
Gradaties van Rechtspersoonlijkheid
Het WVV deelt ondernemingsvormen in op basis van hun rechtspersoonlijkheid en de daaraan gekoppelde
aansprakelijkheid van de vennoten:
Pagina 1 van 4