1. DE BEGINSITUATIE
1.1 KINDGERICHT ONDERWIJS.
Start met rekening te houden met beginsituatie van de kinderen.
- Wat kennen/kunnen de kl?
- Wat motiveert en stimuleert hen?
Je neemt de tijd om de beginsituatie goed te analyseren en daarop verder te bouwen om de ontwikkeling vd kl
max. te ondersteunen.
1.2 DE EIGENHEID VAN DE KLEUTERLEEFTIJD
Benoem en leg de specifieke kenmerken van jonge kleuters uit = Wat typeert.
Typisch bij kleuters Uitleg/verklaring
1. Hoofd, hart en handen - Werkelijkheid van een kl. is emotioneel en
Eén geheel bij kleuters gekleurd
- Het is daarom belangrijk dat een kleuter zich goed
en veilig voelt bij de leerkracht. Dan ervaart hij
activiteiten op school als aangenaam.
- Zonder te begrijpen wat er aan de hand is, kunnen
kleuters goed aanvoelen. (Intuïtief aanvoelen)
- Kl. zal handelend omgaan met de wereld om zich
heen, kl. wil doen, uitproberen en verkennen.
Nieuwsgierigheid en op houden valt vaak op.
2. Belang van gewoontes en routines Kleuters moeten de wereld nog ontdekken en
begrijpen, omdat er veel op hen afkomt. Vaste
gewoontjes, routines, zorgen hierbij voor een veilig
houvast
3. Egocentrisme Kleuters denken egocentrisch. Ze kunnen zich niet
verplaatsen in het perspectief van de ander.
Gevolg -> fantasie en werkelijkheid zijn moeilijk te
onderscheiden.
4. Concentratievermogen Concentratieboog van kleuters is vaak kort bij
opgelegde taken en kringactiviteiten. Bij zelfgekozen
en betekenisvolle activiteiten kunnen ze zich
daarentegen veel langer concentreren, vooral
wanneer ze omgaan in hun spel.
5. Bewegingsbehoefte Kleuters hebben een grote bewegingsbehoefte en
kunnen daardoor niet lang stilzitten. Er is sprake van
een bewegingsdrang, lichaam vraagt om zijn motoriek
te oefenen.
1.3 LEG UIT WAT DIE ONTWIKKELINGSWIJZE VAN KLEUTERS KENMERKT
Kenmerken ontwikkelwijze Uitleg/verklaring
1. Incidenteel leren Verschil tussen incidenteel leren en intentioneel leren.
- Tot 7j ontw. kinderen nog in belangrijke mate op een
incidentele, minder gericht wijze. Kl. beseft niet dat het
aan het leren is, gebeurt spelenderwijs.
- Intentioneel = hier gaan ze aan de slag vanuit het
opzet iets te leren.
2. Leren door te doen Kinderen vormen mentale beelden: Beelden in hun
hoofd. Om dit te kunnen is zelf ervaren essentieel.
Kinderen leren begrippen zoals ‘hoog’ en ‘leeg’ niet door
uitleg, maar door het zelf te beleven en het uit te
proberen. Actief beleven van begrippen met het hele
, lichaam helpt deze goed te begrijpen.
3. De ontwikkelingsgebieden vormen één geheel De ontw van kinderen wordt beschreven via
verschillende ontwikkelingsgebieden: cognitieve,
sociaal-emotioneel, taal, motorische, zintuigelijke en
morele ontw. In praktijk horen deze gebieden altijd
samen, ze zijn niet los te zien. De ontw. Van hoofd, hart
en handen samen te ondersteunen en niet apart te
trainen.
4. Het belang van spel Tijdens spel leren kleuters fundamentele kennis en
vaardigheden. Spel is motiverend en helpt kinderen de
werkelijkheid beter te begrijpen. Bv: rollenspel. Kleuters
kunnen zelf hun spel sturen, maar als een meer ervaren
partner (bv leerkracht) suggesties of hulpmiddelen
geven, kan dit op een hoger niveau.
1.4 HET BEGINSITUATIE: EEN BREED BEELD VAN JE KLEUTERS
De beginsituatie:
Is het huidige beeld dat je van de kleuter hebt (nu). Het startpunt van je doelgericht handelen
Vygotsky maakt onderscheid tussen
Zone van de actuele ontwikkeling ALLEEN – Kleuter kan alleen tot 5 tellen
Zonde van de naaste ontwikkeling HULP NODIG – Kleuter kan met jouw hulp tot 10 tellen
De beginsituatie is een dynamisch gegeven
- Kleuters blijven verder ontwikkelen, beginsituatie is geen vaststaand gegeven
- Kleuters pikken gaandeweg nieuwe dingen op, krijgen interesse in bepaalde thema’s
- Kinderen ontwikkelen voort waardoor de beginsituatie mee veranderd
- Beeld van kleuter doorheen het jaar aanvullen
- Observeren in functie van beginsituatie
Individuele beginsituatie
Er is in je klas geen uniforme beginsituatie maar een gedifferentieerde want – Interesse van kleuters verschillen van
elkaar en ontwikkelen ook verschillend.
Wat zijn de signalen van welbevinden?
5 signalen van welbevinden
1. Genieten: is te zien aan hoe een kind geniet en plezier heeft. Bv: lachen, enthousiast zijn
2. Spontaniteit en zichzelf durven zijn: uit de schulp komen, de ruimte innemen die je toekomt.
3. Openheid: leggen contact, genieten van aandacht, gaan het niet uit de weg
4. Ontspanning en innerlijke rust: spieren ontspannen, geen stress te zien
5. Vitaliteit: levendig blik, en trotse houding
Wat zijn signalen van betrokkenheid
Betrokkenheid: Is een toestand waarin kinderen zich bevinden wanneer ze op een intense manier met iets bezig zijn.
Kinderen bewegen zich aan de grens van hun mogelijkheden. Betrokkenheid is dé conditie voor het realiseren van
ontwikkeling in diepte of fundamenteel leren.
6 signalen van betrokkenheid:
1. Concentratie: Duidelijke focus te zien in expressie en lichaamshouding
2. Persistentie: Activiteit niet gemakkelijk loslaten, storende prikkels dringen niet door
3. Openheid en nauwgezetheid: Grote alertheid voor prikkels die relevant zijn voor de activiteit
4. Intense mentale activiteit: alles dringt helemaal tot je door.
5. Motivatie en voldoening: Voelt zich aangesproken tot activiteit, werkelijke geïnteresseerd, geboeid
6. Exploratiedrang: Verzamelnaam voor drang om: te bewegen, te ervaren, zintuigelijke indrukken op te doen.
Leg uit hoe men een score bepaalt voor welbevinden en betrokkenheid.
De Leuvense welbevinden schaal
Niveau 1: zeer laag De lichaamshouding, mimiek en gedrag:
, - bedrukt of verdrietig kijken, huilen, jammeren, snikken, roepen,
gillen…
- niet reageren op de omgeving, contact vermijden, weg-kijken,
zich terugtrekken
- gespannenheid, onrust, gejaagde indruk
- onzekerheid tonen, angstig reageren, in paniek zijn, zich
aanklampen
- boos zijn, woede-buien, stukmaken, pijn doen
Niveau 2: laag De lichaamshouding, mimiek en het gedrag geven aan dat het
kind zich niet goed voelt. Signalen idem niveau 1, maar minder
uitgesproken OF gewoon van kortere duur.
Niveau 3: matig Het gedrag van het kind laat een neutrale indruk na:
- lijkt onverschillig, onbewogen door wat het meemaakt
- gelaat en houding tonen weinig of geen emoties, evenwel
zonder dat er sprake is van ‘zich afschermen’
- eventuele aanwijzingen voor positieve of negatieve gevoelens
zijn zeer beperkt of wisselen elkaar af
- contacten met anderen zijn eerder oppervlakkig
Niveau 4: hoog De lichaamshouding, mimiek en het gedrag geven aan dat het
kind zich goed voelt. Signalen idem niveau 5, maar minder
uitgesproken OF gewoon van kortere duur
Niveau 5: zeer hoog Het kind voelt zich duidelijk op en top, geniet volop:
- blij en opgewekt; lachen, glunderen, kraaien van plezier
- spontaan, is zichzelf, toont zelfvertrouwen
- ontspannen, vertoont geen signalen van stress
Ontwikkelen van jonge kinderen op verschillende ontwikkelingsdomeinen om beginsituatie vast te leggen
In de opleiding schetsen we de individuele beginsituatie op vlak van deze ontwikkelingsdomeinen:
- Socio-emotionele ontwikkeling
- Morele ontwikkeling
- Ontwikkeling op vlak van zelfbepaling en autonomie
- Zintuiglijke en motorische ontwikkeling
- Taalontwikkeling
- Denkontwikkeling
Als je als leerkracht zicht hebt op het aanvangsniveau van de kleuter op vlak van de
Ontwikkelingsdomeinen, kan je ook inschatten wat de zone van naaste ontwikkeling is voor deze kleuter,
en de doelen en onderwijsaanpak daarop richten.
2. MODEL AANPAKKEN – PROCES – EFFECT (DIDACTISCH MODEL)
Beginsituatie = observeren – De LK observeert de kleuters en brengt de zonde van actuele ontwikkeling in kaart:
Wat kunnen de kleuters al?
Doelen bepalen: Op basis van de beginsituatie kiest de leerkracht doelen in de zonde naaste ontwikkeling: wat
kunnen de kleuters bereiken met begeleiding.
Aanpak ontwerpen (didactisch handelen) = De leerkracht maakt bewuste keuzes in:
- Inhoud van het aanbod
- Betekenisvolle situaties
- Didactische houding
- Mate van sturing (vrij-gedeeld-gestuurd)