Ethiek en recht
Ethisch dilemma
Deontologie = ethiek toegepast op het werk van de hulpverlener.
Omdat we in de hulpverlening een verantwoordelijkheid dragen om bepaalde morele
waarden en normen na te leven, werden plichten voor de beroepsgroep neergeschreven =>
deontologische code
Hierdoor zijn niet alle problemen opgelost, in de hulpverlening zijn er vaak ethische
dilemma’s = dit zijn situaties waarin we niet weten wat het beste is omdat er verschillende
normen en waarden botsen en de ‘regels’ geen uitkomst bieden.
Definitie:
Een moreel/ethisch dilemma wordt door een hulpverlener vaak intuïtief aangevoeld en men
zit ‘gewrongen’ met de situatie. Bij een dilemma ervaart een hulpverlener dat hij gebonden is
aan persoonlijke waarden of beroepsethische normen, die in dat specifieke geval niet met
elkaar te verenigen zijn. Men voelt aan dat er iets niet klopt.
Moreel/ethisch dilemma:
- Verschillende morele waarden staan tegenover elkaar
o (bv. gelijkwaardigheid vs eerlijkheid)
- Verschillende deontologische verplichtingen lijken onderling tegenstrijdig
o (bv. beroepsgeheim garanderen vs recht op informatie)
- Ethische overwegingen lijken moeilijk verenigbaar met wettelijke verplichtingen
o (bv. bezorgde ouders van een volwassen opgenomen patiënt informeren over
de toestand van hun zoon vs privacywet)
Criteria dilemma:
- Er zijn minstens 2 concrete (vaak meer) alternatieven waaruit gekozen moet worden
- De alternatieven hebben te maken met waarden en normen. Het gaat dus niet om de
vraag hoe je iets moet uitvoeren
- Het is een dilemma voor jou als PC (dus niet voor andere partijen). Ook een dilemma
voor jou als individu, het is dus iets dat jou raakt in je kern, hoewel dat voor een
collega minder het geval kan zijn.
Het kiezen voor de ene waarde (handeling) gaat ten koste van de andere waarde.
1
,Ethiek vs moraal:
Moraal = alle normen en waarden die voor jou belangrijk zijn, je bepaalt met je moraal wat
goed en fout is.
Ethiek = het (kritisch) nadenken over de moraal.
Het grootste verschil tussen ethische casussen en geen ethische casussen ligt hem vaak in
hoe ernstig waarden en normen betrokken zijn en het conflict met richtlijnen en belangen.
Waarden en normen:
Waarden = fundamentele overtuigingen of idealen die als belangrijk en wenselijk worden
beschouwd binnen een samenleving, gemeenschap of individu. Ze dienen als leidende
principes die gedrag en beslissingen sturen en vormen de basis van de morele en ethische
standaarden van een persoon of groep.
Waarden zijn vaak positief geformuleerd en geven aan hoe mensen idealiter zouden
handelen.
Functie: bieden een kader voor wat als goed, belangrijk of wenselijk wordt beschouwd. Ze
motiveren en inspireren mensen om op een bepaalde manier te handelen en vormen de
basis voor de ontwikkeling van normen.
Het ervaren van een ethisch dilemma evenals welke handelingskeuze je maakt, is in
die zin dan ook zeer vaak gelinkt aan je waardenkader.
2
,Om deze waardevolle elementen te beschermen, ontstaan er gedragsregels, iets waar je als
groepslid van de samenleving aan zou moeten houden = normen.
Normen = vaak concreet en geven een ondergrens/minimum waaraan je gedrag dient te
voldoen:
- Je mag niet stelen (eerlijkheid, respect)
- Je moet de waarheid spreken (eerlijkheid)
- Je mag geen plagiaat plegen (eerlijkheid, rechtvaardigheid, integriteit…)
- Je mag een client niet discrimineren (respect, integriteit)
- Je moet op tijd komen (punctualiteit, respect)
- Je bent beleefd tegen anderen (respect voor anderen)
Een morele norm = een gedragsregel met een bepaald draagvlak in de groep.
Normen reguleren en sturen gedrag op een meer gedetailleerd niveau dan waarden. Ze
zorgen voor consistentie en voorspelbaarheid in het sociale gedrag en helpen bij het
handhaven van orde en samenhang binnen een gemeenschap.
Dus bij problemen waarin het lastig is om te bepalen wat de beste, de betere of de minst
slechte keuze is, spreken we van een moreel of ethisch dilemma.
Ethische reflectie = een proces van zelfstandig nadenken over goed en kwaad en
over je eigen waarden en normen.
o Je neemt dus niet zomaar de bestaande normen over zonder nadenken
Ethisch dilemma vs praktische of methodologische dilemma
Praktische of methodologische dilemma = je voelt wel welke richting je als hulpverlener
uit wil maar je weet niet wat de beste methode is.
Bv. je beslist om de ouders van een minderjarig kind te informeren over wat het kind
heeft gezegd tijdens jullie gesprekken omdat jet het ethisch gezien het beste vindt.
Toch heeft het kind gevraagd om niets door te geven. Bij een praktisch of
methodologisch dilemma vraag je je af hoe je, met alle respect voor alle betrokkenen,
tot een volgende stap geraakt.
3 luiken in de beroepsethiek:
1. Juridische kant
2. Ethische kant
3. Psychologische kant
Het wettelijk-juridisch perspectief:
Voor hulpverleners bestaan er diverse wetten waaraan gehoor gegeven moet worden en
waarin artikelen staan die betrekking hebben op, oa kwaliteitsvolle begeleiding aanbieden,
geïnformeerde toestemming, het patiëntendossier, privacy en klachtenrecht.
Bv. wat zijn de grenzen van beroepsgeheim? Wanneer mag het beroepsgeheim wettelijk
gezien doorbroken worden?
3
, Wettelijke kaders:
1. De erkenning van GGZ-beroepen:
o Sinds 1993 is de titel ‘psycholoog’ bij wet geregulariseerd
▪ Je moet aan bepaalde vereisten voldoen voor je die titel mag
gebruiken en je moet je laten inschrijven op een lijst
• De Psychologencommissie om de vakbekwaamheid van
psychologen garanderen
o WUG-er: klinisch psycholoog oefent een Uitvoerend Gezondheidszorgberoep
uit (W is afkorting voor Wet).
▪ De Wet op de Uitvoering van de Gezondheidszorg beschermt de
beoefening van gezondheidszorg doordat:
• Niet iedereen deze titels mag gebruiken (titelbescherming)
• Bepaalde activiteiten enkel door die titels uitgevoerd mogen
worden (beroepsbescherming)
• Je bepaalde opleidingen gevolgd moet hebben
o Deze erkenning maakt dat de klinisch psycholoog een autonoom
gezondheidsbeoefenaar is
o PC behoort niet tot de autonome beroepen en wordt op dit moment nog niet
wettelijk erkend als een gezondheidszorgberoep.
▪ Er ligt een voorstel klaar om PC een ondersteunend GGZ-beroep te
maken
2. De deontologische code voor psychologen en psychologisch consulenten:
o Deontologische code = een lijst met al onze verplichtingen
o Er is een verschil tussen de deontologische beroepscode van psychologen en
die van PC’en.
▪ Een psycholoog die zich niet ethisch gedraagt => gesanctioneerd door
psychologencommissie
• Dit kan omdat aan de titel van psycholoog een tuchtrecht
verbonden is
o Ze moeten zich houden aan de code want zoniet kan
men binnen het tuchtrecht een sanctie krijgen
▪ De beroepscode van PC komt inhoudelijk overeen met die van
psychologen.
• De beroepscode voor PC is door de beroepsvereniging
ontwikkeld en heeft niet de status van een wettekst
o De beroepsgroep kan dus niet sanctioneren
3. Decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale
jeugdhulp:
o Hierin worden de rechten van de minderjarige beschreven
▪ Geïnformeerde toestemming, vrije keuze van de hulpverlener, zijn
dossier, participatie, bijstand en privacy
o Betrekking op jeugdhulpverlening:
▪ Het agentschap jongerenwelzijn, algemeen welzijnswerk, centra voor
geestelijke gezondheidszorg, CLB, kind & gezin, centra voor integrale
gezinszorg, VAPH.
o Het decreet is in principe niet geldig buiten deze sectoren maar het is wel
handig voor antwoorden
4
Ethisch dilemma
Deontologie = ethiek toegepast op het werk van de hulpverlener.
Omdat we in de hulpverlening een verantwoordelijkheid dragen om bepaalde morele
waarden en normen na te leven, werden plichten voor de beroepsgroep neergeschreven =>
deontologische code
Hierdoor zijn niet alle problemen opgelost, in de hulpverlening zijn er vaak ethische
dilemma’s = dit zijn situaties waarin we niet weten wat het beste is omdat er verschillende
normen en waarden botsen en de ‘regels’ geen uitkomst bieden.
Definitie:
Een moreel/ethisch dilemma wordt door een hulpverlener vaak intuïtief aangevoeld en men
zit ‘gewrongen’ met de situatie. Bij een dilemma ervaart een hulpverlener dat hij gebonden is
aan persoonlijke waarden of beroepsethische normen, die in dat specifieke geval niet met
elkaar te verenigen zijn. Men voelt aan dat er iets niet klopt.
Moreel/ethisch dilemma:
- Verschillende morele waarden staan tegenover elkaar
o (bv. gelijkwaardigheid vs eerlijkheid)
- Verschillende deontologische verplichtingen lijken onderling tegenstrijdig
o (bv. beroepsgeheim garanderen vs recht op informatie)
- Ethische overwegingen lijken moeilijk verenigbaar met wettelijke verplichtingen
o (bv. bezorgde ouders van een volwassen opgenomen patiënt informeren over
de toestand van hun zoon vs privacywet)
Criteria dilemma:
- Er zijn minstens 2 concrete (vaak meer) alternatieven waaruit gekozen moet worden
- De alternatieven hebben te maken met waarden en normen. Het gaat dus niet om de
vraag hoe je iets moet uitvoeren
- Het is een dilemma voor jou als PC (dus niet voor andere partijen). Ook een dilemma
voor jou als individu, het is dus iets dat jou raakt in je kern, hoewel dat voor een
collega minder het geval kan zijn.
Het kiezen voor de ene waarde (handeling) gaat ten koste van de andere waarde.
1
,Ethiek vs moraal:
Moraal = alle normen en waarden die voor jou belangrijk zijn, je bepaalt met je moraal wat
goed en fout is.
Ethiek = het (kritisch) nadenken over de moraal.
Het grootste verschil tussen ethische casussen en geen ethische casussen ligt hem vaak in
hoe ernstig waarden en normen betrokken zijn en het conflict met richtlijnen en belangen.
Waarden en normen:
Waarden = fundamentele overtuigingen of idealen die als belangrijk en wenselijk worden
beschouwd binnen een samenleving, gemeenschap of individu. Ze dienen als leidende
principes die gedrag en beslissingen sturen en vormen de basis van de morele en ethische
standaarden van een persoon of groep.
Waarden zijn vaak positief geformuleerd en geven aan hoe mensen idealiter zouden
handelen.
Functie: bieden een kader voor wat als goed, belangrijk of wenselijk wordt beschouwd. Ze
motiveren en inspireren mensen om op een bepaalde manier te handelen en vormen de
basis voor de ontwikkeling van normen.
Het ervaren van een ethisch dilemma evenals welke handelingskeuze je maakt, is in
die zin dan ook zeer vaak gelinkt aan je waardenkader.
2
,Om deze waardevolle elementen te beschermen, ontstaan er gedragsregels, iets waar je als
groepslid van de samenleving aan zou moeten houden = normen.
Normen = vaak concreet en geven een ondergrens/minimum waaraan je gedrag dient te
voldoen:
- Je mag niet stelen (eerlijkheid, respect)
- Je moet de waarheid spreken (eerlijkheid)
- Je mag geen plagiaat plegen (eerlijkheid, rechtvaardigheid, integriteit…)
- Je mag een client niet discrimineren (respect, integriteit)
- Je moet op tijd komen (punctualiteit, respect)
- Je bent beleefd tegen anderen (respect voor anderen)
Een morele norm = een gedragsregel met een bepaald draagvlak in de groep.
Normen reguleren en sturen gedrag op een meer gedetailleerd niveau dan waarden. Ze
zorgen voor consistentie en voorspelbaarheid in het sociale gedrag en helpen bij het
handhaven van orde en samenhang binnen een gemeenschap.
Dus bij problemen waarin het lastig is om te bepalen wat de beste, de betere of de minst
slechte keuze is, spreken we van een moreel of ethisch dilemma.
Ethische reflectie = een proces van zelfstandig nadenken over goed en kwaad en
over je eigen waarden en normen.
o Je neemt dus niet zomaar de bestaande normen over zonder nadenken
Ethisch dilemma vs praktische of methodologische dilemma
Praktische of methodologische dilemma = je voelt wel welke richting je als hulpverlener
uit wil maar je weet niet wat de beste methode is.
Bv. je beslist om de ouders van een minderjarig kind te informeren over wat het kind
heeft gezegd tijdens jullie gesprekken omdat jet het ethisch gezien het beste vindt.
Toch heeft het kind gevraagd om niets door te geven. Bij een praktisch of
methodologisch dilemma vraag je je af hoe je, met alle respect voor alle betrokkenen,
tot een volgende stap geraakt.
3 luiken in de beroepsethiek:
1. Juridische kant
2. Ethische kant
3. Psychologische kant
Het wettelijk-juridisch perspectief:
Voor hulpverleners bestaan er diverse wetten waaraan gehoor gegeven moet worden en
waarin artikelen staan die betrekking hebben op, oa kwaliteitsvolle begeleiding aanbieden,
geïnformeerde toestemming, het patiëntendossier, privacy en klachtenrecht.
Bv. wat zijn de grenzen van beroepsgeheim? Wanneer mag het beroepsgeheim wettelijk
gezien doorbroken worden?
3
, Wettelijke kaders:
1. De erkenning van GGZ-beroepen:
o Sinds 1993 is de titel ‘psycholoog’ bij wet geregulariseerd
▪ Je moet aan bepaalde vereisten voldoen voor je die titel mag
gebruiken en je moet je laten inschrijven op een lijst
• De Psychologencommissie om de vakbekwaamheid van
psychologen garanderen
o WUG-er: klinisch psycholoog oefent een Uitvoerend Gezondheidszorgberoep
uit (W is afkorting voor Wet).
▪ De Wet op de Uitvoering van de Gezondheidszorg beschermt de
beoefening van gezondheidszorg doordat:
• Niet iedereen deze titels mag gebruiken (titelbescherming)
• Bepaalde activiteiten enkel door die titels uitgevoerd mogen
worden (beroepsbescherming)
• Je bepaalde opleidingen gevolgd moet hebben
o Deze erkenning maakt dat de klinisch psycholoog een autonoom
gezondheidsbeoefenaar is
o PC behoort niet tot de autonome beroepen en wordt op dit moment nog niet
wettelijk erkend als een gezondheidszorgberoep.
▪ Er ligt een voorstel klaar om PC een ondersteunend GGZ-beroep te
maken
2. De deontologische code voor psychologen en psychologisch consulenten:
o Deontologische code = een lijst met al onze verplichtingen
o Er is een verschil tussen de deontologische beroepscode van psychologen en
die van PC’en.
▪ Een psycholoog die zich niet ethisch gedraagt => gesanctioneerd door
psychologencommissie
• Dit kan omdat aan de titel van psycholoog een tuchtrecht
verbonden is
o Ze moeten zich houden aan de code want zoniet kan
men binnen het tuchtrecht een sanctie krijgen
▪ De beroepscode van PC komt inhoudelijk overeen met die van
psychologen.
• De beroepscode voor PC is door de beroepsvereniging
ontwikkeld en heeft niet de status van een wettekst
o De beroepsgroep kan dus niet sanctioneren
3. Decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale
jeugdhulp:
o Hierin worden de rechten van de minderjarige beschreven
▪ Geïnformeerde toestemming, vrije keuze van de hulpverlener, zijn
dossier, participatie, bijstand en privacy
o Betrekking op jeugdhulpverlening:
▪ Het agentschap jongerenwelzijn, algemeen welzijnswerk, centra voor
geestelijke gezondheidszorg, CLB, kind & gezin, centra voor integrale
gezinszorg, VAPH.
o Het decreet is in principe niet geldig buiten deze sectoren maar het is wel
handig voor antwoorden
4