Begrippenlijst – Histopathologie:
Weefselbiomechanica
H1 – Biomechanica van het botweefsel
Belastingsvervormingscurve – Grafiek die belasting tegen vervorming uitzet; toont
hoeveel belasting/vervorming een materiaal aankan tot het bezwijkt en hoeveel
energie het opneemt vóór breuk.
Energieopname – De oppervlakte onder de belastingsvervormingscurve; de energie
die het bot opneemt voor het breekt.
Vloeigrens – Het moment waarop er een moleculaire verandering optreedt in het
materiaal (overgang elastisch → plastisch gebied).
Breekpunt – Het punt waarop geen verdere vervorming meer mogelijk is en er een
breuk optreedt.
Helling van de kromme (stijfheid) – Hoe steiler de kromme, hoe stijver het
materiaal.
Spannings-rekkromme – Genormaliseerde versie van de
belastingsvervormingscurve (belasting per oppervlakte tegen vervorming per lengte),
zodat botten met verschillende vorm/lengte vergeleken kunnen worden.
Spanning (stress) – Belasting per oppervlakte-eenheid als reactie op een externe
kracht (N/cm², Pa, MPa).
Rek (strain) – Mate van vervorming gedeeld door de oorspronkelijke lengte. Twee
types die altijd gecombineerd voorkomen: lengteverandering (verkorting/verlenging)
en afschuiving (hoekvervorming, in rad).
Elasticiteitsmodulus – Verhouding stress/strain (Δstress/Δstrain). Hoe stijver het
materiaal, hoe hoger de modulus: metaal > glas > bot.
Vloeien – Bij metaal: atomen verschuiven; bij bot: botcellen komen kort los, boven de
vloeigrens ontstaat kans op microbreuk.
Bros materiaal – Weinig vervorming vóór breuk (geen plastisch gebied).
Taai materiaal – Veel vervorming vóór breuk (groot plastisch gebied).
Poreusheid – Verhouding gemineraliseerd t.o.v. niet-gemineraliseerd bot. Veel sport
→ minder poreus bot.
Corticaal bot – Compact bot (±95% gemineraliseerd); stijver, kan grotere spanning
aan.
Spongieus bot – Trabeculair bot (±10% gemineraliseerd); kan veel energie
stockeren, breekt bij rek van ±7%.
1/8
, Anisotropie – De mechanische eigenschappen verschillen naargelang de richting
waarin het bot belast wordt (meest stabiel in lengterichting, minst langs de zijkant).
Trekbelasting – Belasting weg van het botstuk; vormt altijd een afrukkingsfractuur
(bv. calcaneus door achillespees, MT5 door peroneusspier). Komt meestal voor bij
spongieus bot.
Drukbelasting – Compressie naar het bot toe; vormt een indeukingsfractuur (bv.
wervels, hard neerkomen bij parachutespringen). Meestal onder invloed van
zwaartekracht.
Afschuiving – Belasting evenwijdig aan het oppervlak; maat = glijdingsmodulus. Bot
bezwijkt sneller bij afschuiving dan bij druk (bv. femorale condylen die van het
tibiaplateau gaan).
Buiging – Combinatie van trek en druk rond een buigingsas (trek en druk = nul op de
as). Bij volwassenen begint de breuk aan de trekzijde, bij kinderen aan de
compressiezijde. Driepuntsbuiging → breuk t.h.v. de middelste kracht;
vierpuntsbuiging → breuk t.h.v. het zwakste punt.
Wringing / torsie – Draaiing rond de as, schuifspanning over de hele structuur
verdeeld; geeft een torsiefractuur (bv. voetballer met tappen in de grond → ook
meniscus-/kruisbandscheuren).
Invloed van spieractiviteit – Een spiercontractie creëert drukspanning die de
trekspanning bijna elimineert → belasting op bot kan gecompenseerd worden door
spieractiviteit.
Energieopslag & belastingssnelheid – Hoe groter de belastingssnelheid, hoe meer
energie opgeslagen wordt. Lage snelheid → energie verdwijnt geleidelijk, weinig
schade. Hoge snelheid → verbrijzeling en beschadiging van weke delen.
Fractuurcategorieën – Lage energie (torsie bij skiën), hoge energie (auto-ongeval),
zeer hoge energie (geweerschot).
Botvermoeidheid / vermoeiingsfractuur – Breuk na vele kleine herhaalde
belastingen (bv. lopen). Tegenover een zuivere breuk (eenmalige belasting). Hoe
dichter bij de vloeigrens, hoe sneller het bot vermoeit → stressbreuk.
Belastingsfrequentie & hypertrofie – Bot breekt tijdens sporten een beetje af en
bouwt zich ±24u later sterker op (hypertrofie). Te snel opnieuw belasten → hoger risico
op vermoeiingsbreuk.
Oppervlaktetraagheidsmoment – Maat voor hoe de massa rond de centrale as
verdeeld is; hoe groter, hoe stijver. Formule rechthoek = B·h³/12 (hoogte telt tot de
derde macht → bepalend).
Buigend moment & kokervorm – Langere botten staan onder grotere
buigspanningen; de holle kokervorm geeft een groot oppervlaktemoment waardoor ze
deze weerstaan.
Fractuurgenezing / callusvorming – Onder invloed van calcium en vitamine D
maakt het lichaam extra bot aan (callus) dat het bot verbreedt → groter
oppervlaktetraagheidsmoment en steviger bot.
2/8
Weefselbiomechanica
H1 – Biomechanica van het botweefsel
Belastingsvervormingscurve – Grafiek die belasting tegen vervorming uitzet; toont
hoeveel belasting/vervorming een materiaal aankan tot het bezwijkt en hoeveel
energie het opneemt vóór breuk.
Energieopname – De oppervlakte onder de belastingsvervormingscurve; de energie
die het bot opneemt voor het breekt.
Vloeigrens – Het moment waarop er een moleculaire verandering optreedt in het
materiaal (overgang elastisch → plastisch gebied).
Breekpunt – Het punt waarop geen verdere vervorming meer mogelijk is en er een
breuk optreedt.
Helling van de kromme (stijfheid) – Hoe steiler de kromme, hoe stijver het
materiaal.
Spannings-rekkromme – Genormaliseerde versie van de
belastingsvervormingscurve (belasting per oppervlakte tegen vervorming per lengte),
zodat botten met verschillende vorm/lengte vergeleken kunnen worden.
Spanning (stress) – Belasting per oppervlakte-eenheid als reactie op een externe
kracht (N/cm², Pa, MPa).
Rek (strain) – Mate van vervorming gedeeld door de oorspronkelijke lengte. Twee
types die altijd gecombineerd voorkomen: lengteverandering (verkorting/verlenging)
en afschuiving (hoekvervorming, in rad).
Elasticiteitsmodulus – Verhouding stress/strain (Δstress/Δstrain). Hoe stijver het
materiaal, hoe hoger de modulus: metaal > glas > bot.
Vloeien – Bij metaal: atomen verschuiven; bij bot: botcellen komen kort los, boven de
vloeigrens ontstaat kans op microbreuk.
Bros materiaal – Weinig vervorming vóór breuk (geen plastisch gebied).
Taai materiaal – Veel vervorming vóór breuk (groot plastisch gebied).
Poreusheid – Verhouding gemineraliseerd t.o.v. niet-gemineraliseerd bot. Veel sport
→ minder poreus bot.
Corticaal bot – Compact bot (±95% gemineraliseerd); stijver, kan grotere spanning
aan.
Spongieus bot – Trabeculair bot (±10% gemineraliseerd); kan veel energie
stockeren, breekt bij rek van ±7%.
1/8
, Anisotropie – De mechanische eigenschappen verschillen naargelang de richting
waarin het bot belast wordt (meest stabiel in lengterichting, minst langs de zijkant).
Trekbelasting – Belasting weg van het botstuk; vormt altijd een afrukkingsfractuur
(bv. calcaneus door achillespees, MT5 door peroneusspier). Komt meestal voor bij
spongieus bot.
Drukbelasting – Compressie naar het bot toe; vormt een indeukingsfractuur (bv.
wervels, hard neerkomen bij parachutespringen). Meestal onder invloed van
zwaartekracht.
Afschuiving – Belasting evenwijdig aan het oppervlak; maat = glijdingsmodulus. Bot
bezwijkt sneller bij afschuiving dan bij druk (bv. femorale condylen die van het
tibiaplateau gaan).
Buiging – Combinatie van trek en druk rond een buigingsas (trek en druk = nul op de
as). Bij volwassenen begint de breuk aan de trekzijde, bij kinderen aan de
compressiezijde. Driepuntsbuiging → breuk t.h.v. de middelste kracht;
vierpuntsbuiging → breuk t.h.v. het zwakste punt.
Wringing / torsie – Draaiing rond de as, schuifspanning over de hele structuur
verdeeld; geeft een torsiefractuur (bv. voetballer met tappen in de grond → ook
meniscus-/kruisbandscheuren).
Invloed van spieractiviteit – Een spiercontractie creëert drukspanning die de
trekspanning bijna elimineert → belasting op bot kan gecompenseerd worden door
spieractiviteit.
Energieopslag & belastingssnelheid – Hoe groter de belastingssnelheid, hoe meer
energie opgeslagen wordt. Lage snelheid → energie verdwijnt geleidelijk, weinig
schade. Hoge snelheid → verbrijzeling en beschadiging van weke delen.
Fractuurcategorieën – Lage energie (torsie bij skiën), hoge energie (auto-ongeval),
zeer hoge energie (geweerschot).
Botvermoeidheid / vermoeiingsfractuur – Breuk na vele kleine herhaalde
belastingen (bv. lopen). Tegenover een zuivere breuk (eenmalige belasting). Hoe
dichter bij de vloeigrens, hoe sneller het bot vermoeit → stressbreuk.
Belastingsfrequentie & hypertrofie – Bot breekt tijdens sporten een beetje af en
bouwt zich ±24u later sterker op (hypertrofie). Te snel opnieuw belasten → hoger risico
op vermoeiingsbreuk.
Oppervlaktetraagheidsmoment – Maat voor hoe de massa rond de centrale as
verdeeld is; hoe groter, hoe stijver. Formule rechthoek = B·h³/12 (hoogte telt tot de
derde macht → bepalend).
Buigend moment & kokervorm – Langere botten staan onder grotere
buigspanningen; de holle kokervorm geeft een groot oppervlaktemoment waardoor ze
deze weerstaan.
Fractuurgenezing / callusvorming – Onder invloed van calcium en vitamine D
maakt het lichaam extra bot aan (callus) dat het bot verbreedt → groter
oppervlaktetraagheidsmoment en steviger bot.
2/8