Bijzondere
overeenkomsten
, Bijzondere overeenkomsten
Inwerkingtreding boeken 1 en 5 BW:
Inwerkingtreding op 1 januari 2023
Eerbiedigende werking
o Tenzij partijen anders overeenkomen
o Enkel rechtshandelingen en rechtsfeiten na 1/1/23
o Niet: toekomstige gevolgen rechtshandelingen en rechtsfeiten die dateren van voor 1/1/23 of
rechtshandelingen of rechtsfeiten mbt verbintenis uit rechtshandeling of rechtsfeit van voor 1/1/23
TITEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: BENOEMDE, ONBENOEMDE EN GEMENGDE CONTRACTEN
Benoemd contract = contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Onderworpen aan wettelijke set van regels en de afspraken in het contract zelf
Worden aldus in de wet benoemd en krijgen een regime
Zijn voornamelijk terug te vinden in het Oud BW (deel 3)
We moeten het oude recht niet kennen, dus als casus over contract 2020 dan mag je het oude recht ter zijde
laten
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate dat er niets is
geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Welke regels zijn van toepassing? 3 lagen bij benoemde contracten
o Fase 1: wettelijke set van regels = wettelijk pakketje van de regels als uitgangspunt
o Fase 2: kijken naar het contract, dus wat hebben ze geregeld en wat mochten ze regelen?
Aanvullend en corrigerend op de wettelijke regeling
o Fase 3: gemene verbintenissenrecht toepassen
Onbenoemd contract = contract dat niet aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Geen wettelijke set van regels
Conform het uitgangspunt van wilsautonomie
Welke regels zijn van toepassing? Weer 3 lagen:
o Fase 1: Het contract staat voorop, onderworpen aan de afspraken in het contract zelf
o Fase 2: gemene verbintenissenrecht toepassen (art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
o Fase 3: toepassing naar analogie
Het zou kunnen dat er een contract is waarbij buiten de lijntjes is gekleurd maar we de
lijntjes nog een beetje kunnen zien en kan er naar analogie in ondergeschikte orde
toepassing worden gemaakt van de regels van het benoemd contract
Gemengd contract = contract dat de typische kenmerken van twee of meer benoemde contracten vertoont,
1
, maar dat toch een juridische eenheid vormt [bv. als een aannemer op uw stuk grond komt bouwen, dan wordt
er gebouwd, er worden diensten geleverd (aanneming), maar die aannemer levert u ook goederen zoals
stenen, dakpannen, cement (koopelement)]
→ om deze contracten te kwalificeren, hebben we 3 kwalificatietheorieën (art. 5.67 BW):
Onbenoemd contract: na de mix hebben we geen duidelijk benoemd contract meer
o Het contract is zo gemixt dat we het niet meer kennen
o Het wordt aldus een contract sui generis
Combinatietheorie (cumultheorie of splitsingstheorie): er is duidelijk nog te zien waar een stuk
van het ene en het stuk van de andere zit → op het ene deel passen we de regels daarvan toe en op het
andere deel passen we de regels daarvan toe
o We gaan twee contracten combineren maar er is een duidelijk onderscheid mogelijk
o Vb: deel koop en deel aanneming
Absorptieleer: er is duidelijk één component met andere elementen
o Als we zien dat één van de onderdelen dominant is, dan zal dat onderdeel heel de kwalificatie
bepalen (het hoofdelement absorbeert het ondergeschikte) en dus passen we de regels van het
hoofdelement toe op het geheel
o Valt wel moeilijk, want vaak worden specifieke elementen niet geregeld door het dominante
regime
We gaan heel specifiek en beperkt cumuleren dan
Vb: makelaar is een aannemingscontract maar kan ook zijn dat die dingen voor u mag
tekenen en dan hebben we ook een lastgevingscontract – hoofdonderdeel is de
diensten en dus het aannemingscontract, maar neemt niet weg dat hij wel
rechtshandelingen mag stellen, maar aanneming regelt dat niet en dan cumuleren we
heel beperkt en specifiek dat onderdeeltje wel met lastgevingsregels
uitgangspunt is de cumulatietheorie!!
Overzicht van de leerstof:
Deel 1: contracten mbt overdracht eigendom
- Koop (+ruil)
- Kanscontracten = uitkomst staat op voorhand niet vast
Deel 2: contracten mbt gebruik en genot van een goed
- Huur
- Lening
Deel 3: dienstencontracten
- Aanneming
- Bewaargeving
- Lastgeving
Deel 4: vaststellingscontracten (dading)
op het examen sowieso vragen over huur, koop en aanneming
Examenvragen:
- Onderdeel 1: juist of fout
- Onderdeel 2: inzicht vragen (vergelijken dus bv lastgeving vs bewaargeving)
- Onderdeel 3: casussen
2
, HOOFDSTUK 2: BESCHERMING VAN DE ZWAKKE CONTRACTPARTIJ
Het uitgangspunt in het privaatrecht is de wilsautonomie (art. 5.3 en 5.14 BW) en sociale
welvaartmaatschappij → omwille daarvan moeten we de zwakke(re) contractpartij beschermen
Consumentenrecht sensu lato:
o Dwingende bepalingen waar we niet van kunnen afwijken ter bescherming van de consument
Op straffe van nietigheid om de zwakke contractpartij te beschermen
o Vanuit het gemene verbintenissen- en contractenrecht (bv. gekwalificeerde benadeling of
misbruik van omstandigheden in art. 5.37 BW op basis waarvan het gemene recht de
vernietiging van het contract toelaat)
Obv zorgvuldigheidsnorm: goede trouw, contractuele en precontractuele
informatieplichten)
Consumentenrecht sensu stricto (Europese invloed) – de echt B2C verhouding:
o Daarvoor hebben we het WER en consumentenkoop (dwingend regime met een zeer grote
impact en dat steeds meer uitbreidt)
o HvJ: als je een nietige clausule opneemt in je contract en die wordt nietig verklaard, dan verlies
je ook je onderliggende rechten (maw dan heb je geen recht op SV, zelfs al was de schade
gigantisch groot)
o Afdwingbaarheidsparadox: heel sterke en ogenschijnlijk heel afdwingbare regeling, maar
tegelijk heeft die in de praktijk heel weinig incentive om je daarop te beroepen → je kan het
maar echt goed afdwingen als je goed voldoende duur is, want anders zou de procedure veel
duurder uitdraaien dan de aankoop van een nieuw goed (bv. trui van 300 euro ga je niet voor
naar de rechter)
Consumentenrecht sensu stricto (vnl. Boek VI WER) (marktpraktijken + consumentenbescherming)
Art. I.1 WER (algemeen):
o Consument = natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs,
ambachts-, of beroepsactiviteit vallen – artikel I.1, 2° WER
GEEN rechtspersoon, die zijn nooit consument
→ wat dan met gemengd gebruik? (vb een gsm kopen voor zowel het werk als voor in
privé) Zolang het niet-professionele determineert is het een consument, zolang het
professionele determineert, is het geen consument
o Onderneming = artikel I.1, 1° WER (doch zie boek VI)
Natuurlijke persoon zelfstandig beroepsactiviteit
Elke rechtspersoon (tenzij bv staat of OCMW)
Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij geen uitkeringsoogmerk en
geen uitkeringen verricht
(Als die organisatie zonder RPH geen uitkeringsoogmerk heeft en dat ook niet
doet, dan valt de organisatie zonder RPH niet onder het begrip onderneming vh
WER)
o Voorwerp: artikel I.1, 4°, 5°, 6° WER
Producten = goederen, diensten, onroerende goederen, rechten en verplichtingen
Goederen = lichamelijke roerende zaken
Lichamelijk = zintuiglijk waarneembaar
Roerend = het is niet onroerend
Het is dus een bewegend goed
Diensten = elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar
3
overeenkomsten
, Bijzondere overeenkomsten
Inwerkingtreding boeken 1 en 5 BW:
Inwerkingtreding op 1 januari 2023
Eerbiedigende werking
o Tenzij partijen anders overeenkomen
o Enkel rechtshandelingen en rechtsfeiten na 1/1/23
o Niet: toekomstige gevolgen rechtshandelingen en rechtsfeiten die dateren van voor 1/1/23 of
rechtshandelingen of rechtsfeiten mbt verbintenis uit rechtshandeling of rechtsfeit van voor 1/1/23
TITEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: BENOEMDE, ONBENOEMDE EN GEMENGDE CONTRACTEN
Benoemd contract = contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Onderworpen aan wettelijke set van regels en de afspraken in het contract zelf
Worden aldus in de wet benoemd en krijgen een regime
Zijn voornamelijk terug te vinden in het Oud BW (deel 3)
We moeten het oude recht niet kennen, dus als casus over contract 2020 dan mag je het oude recht ter zijde
laten
Ondergeschikt is het verbintenissen- en contractenrecht ook van toepassing, in de mate dat er niets is
geregeld in de wet/contract (met art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
Welke regels zijn van toepassing? 3 lagen bij benoemde contracten
o Fase 1: wettelijke set van regels = wettelijk pakketje van de regels als uitgangspunt
o Fase 2: kijken naar het contract, dus wat hebben ze geregeld en wat mochten ze regelen?
Aanvullend en corrigerend op de wettelijke regeling
o Fase 3: gemene verbintenissenrecht toepassen
Onbenoemd contract = contract dat niet aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
Geen wettelijke set van regels
Conform het uitgangspunt van wilsautonomie
Welke regels zijn van toepassing? Weer 3 lagen:
o Fase 1: Het contract staat voorop, onderworpen aan de afspraken in het contract zelf
o Fase 2: gemene verbintenissenrecht toepassen (art. 5.71 BW) (art. 5.13 BW)
o Fase 3: toepassing naar analogie
Het zou kunnen dat er een contract is waarbij buiten de lijntjes is gekleurd maar we de
lijntjes nog een beetje kunnen zien en kan er naar analogie in ondergeschikte orde
toepassing worden gemaakt van de regels van het benoemd contract
Gemengd contract = contract dat de typische kenmerken van twee of meer benoemde contracten vertoont,
1
, maar dat toch een juridische eenheid vormt [bv. als een aannemer op uw stuk grond komt bouwen, dan wordt
er gebouwd, er worden diensten geleverd (aanneming), maar die aannemer levert u ook goederen zoals
stenen, dakpannen, cement (koopelement)]
→ om deze contracten te kwalificeren, hebben we 3 kwalificatietheorieën (art. 5.67 BW):
Onbenoemd contract: na de mix hebben we geen duidelijk benoemd contract meer
o Het contract is zo gemixt dat we het niet meer kennen
o Het wordt aldus een contract sui generis
Combinatietheorie (cumultheorie of splitsingstheorie): er is duidelijk nog te zien waar een stuk
van het ene en het stuk van de andere zit → op het ene deel passen we de regels daarvan toe en op het
andere deel passen we de regels daarvan toe
o We gaan twee contracten combineren maar er is een duidelijk onderscheid mogelijk
o Vb: deel koop en deel aanneming
Absorptieleer: er is duidelijk één component met andere elementen
o Als we zien dat één van de onderdelen dominant is, dan zal dat onderdeel heel de kwalificatie
bepalen (het hoofdelement absorbeert het ondergeschikte) en dus passen we de regels van het
hoofdelement toe op het geheel
o Valt wel moeilijk, want vaak worden specifieke elementen niet geregeld door het dominante
regime
We gaan heel specifiek en beperkt cumuleren dan
Vb: makelaar is een aannemingscontract maar kan ook zijn dat die dingen voor u mag
tekenen en dan hebben we ook een lastgevingscontract – hoofdonderdeel is de
diensten en dus het aannemingscontract, maar neemt niet weg dat hij wel
rechtshandelingen mag stellen, maar aanneming regelt dat niet en dan cumuleren we
heel beperkt en specifiek dat onderdeeltje wel met lastgevingsregels
uitgangspunt is de cumulatietheorie!!
Overzicht van de leerstof:
Deel 1: contracten mbt overdracht eigendom
- Koop (+ruil)
- Kanscontracten = uitkomst staat op voorhand niet vast
Deel 2: contracten mbt gebruik en genot van een goed
- Huur
- Lening
Deel 3: dienstencontracten
- Aanneming
- Bewaargeving
- Lastgeving
Deel 4: vaststellingscontracten (dading)
op het examen sowieso vragen over huur, koop en aanneming
Examenvragen:
- Onderdeel 1: juist of fout
- Onderdeel 2: inzicht vragen (vergelijken dus bv lastgeving vs bewaargeving)
- Onderdeel 3: casussen
2
, HOOFDSTUK 2: BESCHERMING VAN DE ZWAKKE CONTRACTPARTIJ
Het uitgangspunt in het privaatrecht is de wilsautonomie (art. 5.3 en 5.14 BW) en sociale
welvaartmaatschappij → omwille daarvan moeten we de zwakke(re) contractpartij beschermen
Consumentenrecht sensu lato:
o Dwingende bepalingen waar we niet van kunnen afwijken ter bescherming van de consument
Op straffe van nietigheid om de zwakke contractpartij te beschermen
o Vanuit het gemene verbintenissen- en contractenrecht (bv. gekwalificeerde benadeling of
misbruik van omstandigheden in art. 5.37 BW op basis waarvan het gemene recht de
vernietiging van het contract toelaat)
Obv zorgvuldigheidsnorm: goede trouw, contractuele en precontractuele
informatieplichten)
Consumentenrecht sensu stricto (Europese invloed) – de echt B2C verhouding:
o Daarvoor hebben we het WER en consumentenkoop (dwingend regime met een zeer grote
impact en dat steeds meer uitbreidt)
o HvJ: als je een nietige clausule opneemt in je contract en die wordt nietig verklaard, dan verlies
je ook je onderliggende rechten (maw dan heb je geen recht op SV, zelfs al was de schade
gigantisch groot)
o Afdwingbaarheidsparadox: heel sterke en ogenschijnlijk heel afdwingbare regeling, maar
tegelijk heeft die in de praktijk heel weinig incentive om je daarop te beroepen → je kan het
maar echt goed afdwingen als je goed voldoende duur is, want anders zou de procedure veel
duurder uitdraaien dan de aankoop van een nieuw goed (bv. trui van 300 euro ga je niet voor
naar de rechter)
Consumentenrecht sensu stricto (vnl. Boek VI WER) (marktpraktijken + consumentenbescherming)
Art. I.1 WER (algemeen):
o Consument = natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs,
ambachts-, of beroepsactiviteit vallen – artikel I.1, 2° WER
GEEN rechtspersoon, die zijn nooit consument
→ wat dan met gemengd gebruik? (vb een gsm kopen voor zowel het werk als voor in
privé) Zolang het niet-professionele determineert is het een consument, zolang het
professionele determineert, is het geen consument
o Onderneming = artikel I.1, 1° WER (doch zie boek VI)
Natuurlijke persoon zelfstandig beroepsactiviteit
Elke rechtspersoon (tenzij bv staat of OCMW)
Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij geen uitkeringsoogmerk en
geen uitkeringen verricht
(Als die organisatie zonder RPH geen uitkeringsoogmerk heeft en dat ook niet
doet, dan valt de organisatie zonder RPH niet onder het begrip onderneming vh
WER)
o Voorwerp: artikel I.1, 4°, 5°, 6° WER
Producten = goederen, diensten, onroerende goederen, rechten en verplichtingen
Goederen = lichamelijke roerende zaken
Lichamelijk = zintuiglijk waarneembaar
Roerend = het is niet onroerend
Het is dus een bewegend goed
Diensten = elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar
3