ONDERWIJSPSYCHOLOGIE
EN LEERSTOORNISSEN
3BA 2025-2026
,Alles in het grijs zijn extra notities van tijdens de lessen
1
,H1: INLEIDING
LEERSTOORNISSEN
ONTWIKKELINGSSTOORNIS
= Neurologische of psychische aandoening die ‘normale’ ontwikkeling verstoord
- Breed begrip: continuüm van subjectieve impact
- Treedt vroeg in kindertijd op
- Voorbeelden: autisme, ADHD, leerstoornissen
➔ Gelaagde problematiek
o Impact verschillende aspecten
o Symptomen vaak ook ontwikkelingsstoornis x omgeving
- Term neurodiversiteit in opmars als verzamelterm
o Loskomen van strikte labels/diagnoses
o Spectrum idee
➔ Dus we moeten neurodiversiteit eerder zien als een spectrum ipv label
- Eigenschappen die voordelig en nadelig kunnen zijn (in een bepaalde context!)
o Hyperfocus
o Prikkelgevoeligheid
LEERPROBLEMEN
- Vaak gaan ontwikkelingsstoornissen gepaard met leerproblemen → één aspect
- Moeilijkheden bij het leren
o Individuele factoren: motivatie, langdurige ziekte, …
o Omgevingsfactoren: beperkte opvolging thuis, moeilijke thuissituatie (vb. geen rustige
plek voor huiswerk)
- Tijdelijk?
o Leerstoornissen hebben biologische basis, dus het is iets dat blijvend is
o Leerproblemen is nt blijvend, maar afhankelijk van individuele- en omgevingsfactoren
LEERPROBLEMEN VS LEERSTOORNISSEN
- Leerproblemen breder dan leerstoornissen
o Er is bij leerstoornissen altijd sprake van leerproblemen
o Niet bij alle leerproblemen is er sprake v leerstoornissen
- ‘stoornis’ → specifieke criteria opgesteld → zie DSM-V
- Specifieke leerstoornis
o Specificiteit in verminderde mogelijkheden
o Specificiteit paradox: quid comorbiditeit
Dyslexie en dyscalculie = specifieke leerstoornissen mbt moeilijkheden met lezen/spellen en getallen
→ heel specifieke uitval, maar als we later nr/d onderliggende factoren gaan kijken, zien we dat daar ook
heel brede factoren een rol spelen (vb. verminderde toegang tot bepaalde geheugenplekken)
2
, Dus er is een heel specifieke uitval, maar er zijn geen heel specifieke oorzaken (uitval is heel specifiek,
maar de factoren die daar onder liggen zijn vrij algemeen)
DSM-V criteria:
1. Moeite met het aanleren en gebruiken v schoolse vaardigheden, zoals blijkt uit de persisterende
aanwezigheid v minstens 1 v volgende symptomen gedurende minstens 6 maanden, ondanks
interventie gericht op deze moeilijkheden:
a. Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen v woorden (leest bv. losse woorden fout of
langzaam en aarzelend hardop voor, raadt vaak woorden, heeft problemen met het goed
uitspreken v woorden).
b. Moeite om de betekenis te begrijpen v wat wordt gelezen (kan bv. de tekst correct lezen,
maar begrijpt de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of diepere betekenis vh gelezene niet).
c. Moeite met spelling (voegt bv. klinkers en medeklinkers toe, laat ze weg, of vervangt ze).
d. Moeite om zich schriftelijk uit te drukken (maakt bv. in zinnen talloze grammaticale of
interpunctiefouten; deelt de alinea’s slecht in; zijn of haar schriftelijke weergave v ideeën is
nt helder).
2. De betreffende schoolse vaardigheden zijn substantieel en meetbaar slechter ontwikkeld dan gezien
de kalenderleeftijd verwacht mag w en hebben een significant negatieve invloed op de
schoolresultaten en werkprestaties, of op de alledaagse activiteiten, wat w bevestigd door bij de
betrokkene afgenomen gestandaardiseerde prestatietests en een volledig onderzoek. Bij mensen
ouder dan 17jaar kan het gestandaardiseerde onderzoek vervangen w door een gedocumenteerde
voorgeschiedenis v tot beperkingen leidende leerproblemen
3. De leerproblemen beginnen tijdens de schooljaren, maar w soms pas echt manifest op het moment
dat de betreffende schoolse vaardigheden zwaarder belast w dan de betrokkene met zijn of haar
beperkte vermogens aankan (zoals bij toetsen met een tijdslimiet: binnen een bepaalde tijd lezen of
schrijven v lange, complexe teksten; in geval v/e excessief zware studiebelasting).
4. De leerproblemen kunnen nt beter w verklaard door verstandelijke beperkingen, niet-gecorrigeerde
visus- of gehoorstoornissen, andere psychische of neurologische stoornissen, psychosociale
tegenslagen, gebrekkige beheersing vd taal waarin het onderwijs gegeven w, of inadequaat
onderricht.
➔ Opmerkingen DSM-V criteria:
o ‘Ondanks interventie’:
▪ Hoeveel verbetering nodig?
▪ Wat is een goede interventie?
o ‘niet beter verklaard door…’:
▪ Bij verstandelijke beperking
• IQ < 70: geen dyslexie of dyscalculie
• 70 < IQ < 85: IQ in rekening genomen bij effect interventie
▪ Andere stoornissen
• Het nt goed ku lezen v rekenopgave (dyslexie) is gn dyscalculie
• Soms moeilijk om goed onderscheid te maken
▪ Psychosociale tegenslagen
3
EN LEERSTOORNISSEN
3BA 2025-2026
,Alles in het grijs zijn extra notities van tijdens de lessen
1
,H1: INLEIDING
LEERSTOORNISSEN
ONTWIKKELINGSSTOORNIS
= Neurologische of psychische aandoening die ‘normale’ ontwikkeling verstoord
- Breed begrip: continuüm van subjectieve impact
- Treedt vroeg in kindertijd op
- Voorbeelden: autisme, ADHD, leerstoornissen
➔ Gelaagde problematiek
o Impact verschillende aspecten
o Symptomen vaak ook ontwikkelingsstoornis x omgeving
- Term neurodiversiteit in opmars als verzamelterm
o Loskomen van strikte labels/diagnoses
o Spectrum idee
➔ Dus we moeten neurodiversiteit eerder zien als een spectrum ipv label
- Eigenschappen die voordelig en nadelig kunnen zijn (in een bepaalde context!)
o Hyperfocus
o Prikkelgevoeligheid
LEERPROBLEMEN
- Vaak gaan ontwikkelingsstoornissen gepaard met leerproblemen → één aspect
- Moeilijkheden bij het leren
o Individuele factoren: motivatie, langdurige ziekte, …
o Omgevingsfactoren: beperkte opvolging thuis, moeilijke thuissituatie (vb. geen rustige
plek voor huiswerk)
- Tijdelijk?
o Leerstoornissen hebben biologische basis, dus het is iets dat blijvend is
o Leerproblemen is nt blijvend, maar afhankelijk van individuele- en omgevingsfactoren
LEERPROBLEMEN VS LEERSTOORNISSEN
- Leerproblemen breder dan leerstoornissen
o Er is bij leerstoornissen altijd sprake van leerproblemen
o Niet bij alle leerproblemen is er sprake v leerstoornissen
- ‘stoornis’ → specifieke criteria opgesteld → zie DSM-V
- Specifieke leerstoornis
o Specificiteit in verminderde mogelijkheden
o Specificiteit paradox: quid comorbiditeit
Dyslexie en dyscalculie = specifieke leerstoornissen mbt moeilijkheden met lezen/spellen en getallen
→ heel specifieke uitval, maar als we later nr/d onderliggende factoren gaan kijken, zien we dat daar ook
heel brede factoren een rol spelen (vb. verminderde toegang tot bepaalde geheugenplekken)
2
, Dus er is een heel specifieke uitval, maar er zijn geen heel specifieke oorzaken (uitval is heel specifiek,
maar de factoren die daar onder liggen zijn vrij algemeen)
DSM-V criteria:
1. Moeite met het aanleren en gebruiken v schoolse vaardigheden, zoals blijkt uit de persisterende
aanwezigheid v minstens 1 v volgende symptomen gedurende minstens 6 maanden, ondanks
interventie gericht op deze moeilijkheden:
a. Onnauwkeurig of langzaam en moeizaam lezen v woorden (leest bv. losse woorden fout of
langzaam en aarzelend hardop voor, raadt vaak woorden, heeft problemen met het goed
uitspreken v woorden).
b. Moeite om de betekenis te begrijpen v wat wordt gelezen (kan bv. de tekst correct lezen,
maar begrijpt de volgorde, relaties, gevolgtrekkingen of diepere betekenis vh gelezene niet).
c. Moeite met spelling (voegt bv. klinkers en medeklinkers toe, laat ze weg, of vervangt ze).
d. Moeite om zich schriftelijk uit te drukken (maakt bv. in zinnen talloze grammaticale of
interpunctiefouten; deelt de alinea’s slecht in; zijn of haar schriftelijke weergave v ideeën is
nt helder).
2. De betreffende schoolse vaardigheden zijn substantieel en meetbaar slechter ontwikkeld dan gezien
de kalenderleeftijd verwacht mag w en hebben een significant negatieve invloed op de
schoolresultaten en werkprestaties, of op de alledaagse activiteiten, wat w bevestigd door bij de
betrokkene afgenomen gestandaardiseerde prestatietests en een volledig onderzoek. Bij mensen
ouder dan 17jaar kan het gestandaardiseerde onderzoek vervangen w door een gedocumenteerde
voorgeschiedenis v tot beperkingen leidende leerproblemen
3. De leerproblemen beginnen tijdens de schooljaren, maar w soms pas echt manifest op het moment
dat de betreffende schoolse vaardigheden zwaarder belast w dan de betrokkene met zijn of haar
beperkte vermogens aankan (zoals bij toetsen met een tijdslimiet: binnen een bepaalde tijd lezen of
schrijven v lange, complexe teksten; in geval v/e excessief zware studiebelasting).
4. De leerproblemen kunnen nt beter w verklaard door verstandelijke beperkingen, niet-gecorrigeerde
visus- of gehoorstoornissen, andere psychische of neurologische stoornissen, psychosociale
tegenslagen, gebrekkige beheersing vd taal waarin het onderwijs gegeven w, of inadequaat
onderricht.
➔ Opmerkingen DSM-V criteria:
o ‘Ondanks interventie’:
▪ Hoeveel verbetering nodig?
▪ Wat is een goede interventie?
o ‘niet beter verklaard door…’:
▪ Bij verstandelijke beperking
• IQ < 70: geen dyslexie of dyscalculie
• 70 < IQ < 85: IQ in rekening genomen bij effect interventie
▪ Andere stoornissen
• Het nt goed ku lezen v rekenopgave (dyslexie) is gn dyscalculie
• Soms moeilijk om goed onderscheid te maken
▪ Psychosociale tegenslagen
3