H1: COMMUNICATIE
Lessen levensbeschouwing ≠ babbellessen
→ MAAR: er wordt inderdaad wel ruimte geboden om de kinderen op verhaal te
laten komen.
→ GEVOLG: communicatie (ook non-verbale) speelt een belangrijke rol in
lessen lvb.
1.1. COMMUNICATIE … LEVENSNOODZAKELIJK
Door te communiceren leert men, ook non-verbaal
Kinderen leren door te participeren
1.2. EEN LEVENSBESCHOUWELIJKE BASISTAAL ONTWIKKELEN
Belang van het aanreiken van levensbeschouwelijke taal om over
levensbeschouwing met elkaar in gesprek te kunnen gaan.
• Woorden die in het dagelijks taalgebruik voorkomen: respect,
natuur, geboorte…
• Woorden gelinkt aan levensbeschouwing: profeet, evangelist,
paradijs…
→ Voor elke les: welke woordenschat is essentieel? Kan ik het in eenvoudige,
hedendaagse bewoording uitleggen?
NIET om de levensbeschouwelijke visie van kinderen te sturen, WEL om te leren
in gesprek te gaan over levensbeschouwing (≈ kennisrijk curriculum: kennis
staat niet los van vaardigheden. Kennis verwerven om er daarna iets mee te
doen.)
1.3. ONTMOETING TUSSEN 3 ERVARINGSWERELDEN
Ervarings-
Als leerkracht sta je niet neutraal, je brengt je wereld
kind
ervaringen automatisch binnen in de klas en wees je
daar van bewust. WISSEL-
WERKING
MET
Lessen levensbeschouwing willen de RUIMTE
VOOR
Ervarings-
levensbeschouwelijke groei van kinderen stimuleren. Leerinhoud wereld
leerkracht
Dus: communiceren gebeurt tussen 3 polen met elk een eigen inbreng:
1.4. VOORWAARDEN VOOR DE LEVENSBESCHOUWELIJKE
COMMUNICATIE
Niet iedere vorm van communicatie kan levensbeschouwelijke communicatie
zijn. Voorwaarden:
,levensbeschouwing 1
• Verbale én non-verbale communicatie belangrijk ook om zichzelf te leren
uitdrukken
• Geloof-waardige communicatie Iedereen gelijkwaardig
• Ontmoetende leerkrachtstijl belang van respect, open communicatie, echtheid
( open en eerlijk zijn, bv. ‘ga je elke week naar de kerk?’ wees eerlijk dat dat niet zo is.)
en responsieve houding (dingen opmerken van de leerlingen en als ze iets zeggen,
spelen we daarop in.)
1.5. EEN AANTAL WERKVORMEN IN DE KIJKER
1.5.1. EEN LEVENSBESCHOUWELIJK GESPREK
= een gesprek waarin kinderen proberen om zin en betekenis te Oefening
geven aan het eigen leven. ‘betekenisvragen’ staan centraal. PowerPoin
t slide 14
Het belang van goede vragen! Altijd deze volgorde! en 15
o Observatievragen (altijd letterlijk over wat je ziet, hoort,
… Er is geen discussie mogelijk over het antwoord van deze vragen.
Is om te polsen of ze opgelet hebben)
o Interpretatievragen (weten ze WAT ze hebben gehoord of gezien.
Antwoord verschilt van leerling tot leerling, geen 1 antwoord is juist.
Vaak is dit een waarom vraag (niet altijd) en de gevoelens vragen
‘hoe voelde deze persoon zich’ en ‘waarom maken ze deze keuze’)
Vragen naar de boodschap
Vragen naar de leefwereld/naar het actuele ‘ Jos voelde zich
zo, hebben jullie zich ook al eens zo gevoeld?’
Stel open vragen! Bv. NIET ‘wie troost jou als je verdrietig bent?’ WEL ‘hoe
troost mama jou dan?’
EXAMEN: Tekst of afbeelding. Maak een levensbeschouwelijk gesprek. Waar je
rekening houdt met de verschillende vragen en plaats ze in de juiste volgorde
1.5.2. WERKEN MET BEELDMATERIAAL
Twee groepen:
• Illustratieve of documentaire foto’s: willen verduidelijken, zijn
objectief
• Symbolische foto’s: roepen op om verder te denken, tot het zoeken
naar betekenis, staan open voor interpretatie
In lessen levensbeschouwing verdienen zowel illustratief als symbolisch
beeldmateriaal een plaats en dit op verschillende momenten in het leerproces.
Denk echter goed na wanneer je voor welke soort kiest.
,levensbeschouwing 1
FOUTE foto’s. Ze geven een verkeerd beeld voor de leerlingen. Zorg voor
meer symbolische prenten
1.5.3. SPONTANE LEVENSBESCHOUWELIJKE GESPREKKEN
Een levensbeschouwelijk gesprek = een gesprek waarin kinderen proberen
om zin en betekenis te geven aan het eigen leven. ‘Betekenisvragen’ staan
centraal.
Tijdens een dag doen zich veel situaties/gesprekken voor bij kinderen die een
aanknopingspunt kunnen vormen voor een levensbeschouwelijk gesprekje: heb
hier oog voor!
1.5.4. EEN BIJZONDER GESPREK: FILOSOFEREN
Verwondering als basis
Filosoferen met kinderen is WEL:
• Gesprekken voeren met kinderen waarin kinderen erachter proberen te
komen hoe de wereld in elkaar zit en waarin ze proberen een antwoord te
formuleren op vragen.
• Zicht krijgen op zichzelf en de wereld.
• Zoeken naar wat mogelijk en zinvol is.
• Leren onderzoeken, definiëren, beschrijven, analyseren, vragen stellen.
Filosoferen met kinderen is NIET:
• Stilstaan bij filosofische tradities en stelsels.
• Gericht op het direct verwerven van kennis of concrete vaardigheden.
• Een apart vakje naast andere leergebieden.
Alles kan aanleiding zijn tot filosoferen!
Startpunt: een filosofische vraag: geen (on)juist antwoord erop mogelijk
We moeten niet tot een conclusie komen
1.5.5. THEOLOGISEREN MET KINDEREN
Belangrijk onderscheid met filosoferen:
• Bij filosoferen: inhoud minder belangrijk. Doel is
vooral goed leren nadenken en daarover leren in
gesprek gaan, leren argumenteren.
• Bij theologiseren: persoonlijk betekenisverlening
belangrijk.
, levensbeschouwing 1
Vertrekpunt: (ook jonge) kinderen vormen zich een voorstelling, een beeld van
God, verhouden zich daar op één of andere manier toe… én daarrond kan
gecommuniceerd worden.
1.5.6. ACTIVERENDE WERKVORMEN
Lessen levensbeschouwing vragen actieve betrokkenheid van de leerlingen
→ nood aan activerende werkvormen: denk daarbij eens voorbij het evidente:
zie voorbeelden p. 30-41 in de cursus