Uitgebreide samenvatting voor het examen
Handelsingenieur — 1e jaar
Inhoud
1. Present and Past Tenses
2. Referring to the Future
3. Modal Verbs
4. Verb Patterns
5. The Passive & Linking Words
6. Adjectives and Adverbs
7. Articles (a / an / the / zero)
8. Possessives
9. Relative Clauses
10. Prepositions
→ Eindoverzicht: meest gemaakte fouten door Nederlandstaligen
Hoe deze samenvatting te gebruiken:
→ pijl = een voorbeeldzin in het Engels
NL: ... → EN: ... = vertaal-vergelijking
💡 Tip = handige memo of ezelsbrug
⚠ Valkuil = klassieke fout voor Nederlandstaligen
,1. Present and Past Tenses — Heden en verleden
In het Engels bestaan er meer tijden dan in het Nederlands. Het verschil zit vooral in de continuous-
vormen (-ing) en de perfect-vormen (have/had + verleden deelwoord). De zes belangrijkste tijden
voor heden en verleden:
Tijd Vorm Gebruik
Present simple we work Algemene waarheid, gewoonten,
dienstregelingen, nieuwsfeiten
Present continuous we are working Actie nu bezig, tijdelijk, gepland in
nabije toekomst
Past simple we worked Afgeronde actie in verleden (met
tijdsaanduiding)
Past continuous we were working Actie was bezig op moment in verleden
Present perfect simple we have worked Verleden met link naar nu, onafgeronde
periode
Present perfect we have been working Actie begon in verleden, duurt nog of
continuous net afgelopen, klemtoon op duur
Past perfect simple we had worked Verleden vóór een ander moment in
het verleden
Past perfect continuous we had been working Voortdurende actie vóór een ander
moment in het verleden
1.1 Present simple — Tegenwoordige tijd
Gebruik:
• Algemene feiten en waarheden (eternal truths).
• Gewoonten en herhalingen.
• Roosters en officiële schema's.
• Nieuwskoppen (headlines).
• Doe-iets-door-het-te-zeggen ("I promise", "I apologize").
• Aanwijzingen geven ("You turn left at the bridge").
Voorbeelden uit business context:
→ Crafting a delicious beer is half art, half science.
→ Anheuser-Busch InBev reports third quarter 2020 results. (nieuwskop)
💡 Tip — Present simple voor he/she/it krijgt altijd een -s: he works, she runs, it costs.
Vergeet die -s nooit — dit is de #1 fout van Nederlandstaligen.
,1.2 Present continuous — Be + -ing
Vorm: am/is/are + werkwoord+ing
Gebruik:
• Actie die nu bezig is op het moment van spreken.
• Tijdelijke situatie ("this week", "these days").
• Toekomstige afspraken en plannen (zie ook hoofdstuk 2).
→ Our brands are continuing to reformulate products to make them healthier.
→ As a founding member, brands across Ahold Delhaize are also partnering with 20 key
suppliers.
⚠ Valkuil — Stative verbs (toestandswerkwoorden) gebruiken meestal géén continuous-
vorm: know, understand, believe, want, need, like, love, hate, own, belong, seem. Schrijf dus
'I know the answer', NIET 'I am knowing the answer'.
1.3 Past simple — Onvoltooid verleden tijd
Vorm: regelmatige werkwoorden +ed (worked, played); onregelmatige werkwoorden hebben een
eigen vorm (went, saw, took).
Gebruik: afgeronde actie of gebeurtenis in een duidelijk verleden.
Typische signaalwoorden: ago, last year/month/week, yesterday, the other day, in 1847, when, just
as, while.
→ Werner von Siemens laid the foundation for today's Siemens AG in 1847.
→ In 2019 group sales grew 10% to £33.8 billion.
⚠ Valkuil — Let goed op onregelmatige verleden tijden: lay → laid, hit → hit (niet 'hitted'),
buy → bought, think → thought, take → took. Maak een lijst van de 50 belangrijkste
irregular verbs en leer ze uit het hoofd.
1.4 Past continuous — Was/were + -ing
Vorm: was/were + werkwoord+ing
Gebruik: actie die bezig was op een specifiek moment in het verleden, vaak onderbroken door een
andere actie (past simple).
→ In 1979 Ben and Jerry's one-year anniversary was celebrated by holding the first-ever Free
Cone Day. People were lining up all day long for free scoops.
→ When the manager arrived, the team was preparing the presentation.
1.5 Present perfect simple — Have/has + past participle
Vorm: have/has + voltooid deelwoord (worked, gone, done)
, Dit is het moeilijkste verschil met het Nederlands. Gebruik:
• Een actie of situatie in het verleden mét gevolgen of relevantie in het heden.
• Onafgeronde periode ("this year", "today", "this morning" als het nog ochtend is).
• Een ervaring zonder specifieke tijd ("I have visited Paris").
• Een recente actie met present-impact ("I have just finished my report").
Signaalwoorden: already, ever, never, just, yet, recently, lately, so far, until now, always, often,
seldom.
→ We have made company-wide changes to our incentive schemes, governance and ways of
working.
→ At L'Oréal, we have long been committed to making a positive contribution to society.
NL: Ik woon hier al 5 jaar. → EN: I have lived here for 5 years.
NL: Ik heb dat boek al gelezen. → EN: I have already read that book.
⚠ Valkuil — Belangrijk verschil NL/EN: in het Nederlands gebruik je vaak gewoon de
tegenwoordige tijd waar in het Engels present perfect moet staan. 'Ik leer Engels sinds 7 jaar'
wordt NIET 'I learn English for 7 years' maar 'I have been learning English for 7 years.'
1.6 Present perfect continuous — Have/has been + -ing
Vorm: have/has been + werkwoord+ing
Gebruik: nadruk op de duur of voortgang van een actie die begonnen is in het verleden en nu nog
doorgaat (of net afgelopen is, met zichtbaar resultaat).
Signaalwoorden: all day, for hours, for months, for ages, lately, recently.
→ Your points have been building up. See how far you've come this year.
→ I have been working on this project for three weeks.
💡 Tip — Verschil simple vs. continuous in present perfect: 'I have read three books'
(klemtoon op resultaat, klaar) versus 'I have been reading this book' (klemtoon op duur, nog
bezig).
1.7 Past perfect simple — Had + past participle
Vorm: had + voltooid deelwoord
Gebruik: een actie die afgerond was vóór een ander moment in het verleden. "De verleden tijd van
de verleden tijd."
→ When we first started flying in 1984, the world was changing rapidly. In the UK, boom time
had arrived.
→ By the time she arrived, the meeting had already ended.
1.8 Past perfect continuous — Had been + -ing