Hoofdstuk 1
Waar psychologie over gaat, hoe psychologen onderzoek verrichten
Verschillende verkeerde opvattingen van psychologie:
Meest bekende psychologen: Sigmund Frued, B.F. Skinner, Karl Gustav Jung
- Freud met psychoanalyse niet echt juist afleiden van wetmatigheden uit gevalstudies
- psychologen met nobelprijs: Hubel & Wiesel, Simon, Sperry en Khaneman
Psychologie = niet uitsluitend diagnose en therapie van mentale stoornissen en problemen bij
patiënten: ook positieve psychologie, waarbij cliënten worden geholpen om van normaal naar nog
beter functioneren/welzijn te evolueren (bv. sportpsychologie)
(Wilhelm) Wundt & co hebben in 1979 het eerste laboratorium in Leipzig met daarmee de start van
de psychologie (psychofysica)
in de geschiedenis verschillende manieren om te kijken naar psychologie:
psychologie komt van de filosofie en de neurologie/fysiologie geest of psyche (filosofie)
strekking 1: rationalisme = ratio, lichaam en geest als 2 aparte dingen
met descartiaanse visie = geest principieel niet objectief onderzocht kon worden
Strekking 2: empirisme en associationisme = geldige kennis enkel verkregen via onbevooroordeelde
zintuigelijke kennis op deze traditie is de psychologie verder gegaan
behaviorisme = verbanden tussen reactie en stimulus (einde in 1960)
foute opvattingen hierbij: men deed proeven op dieren en veralgemeende deze naar de
mens omdat de principes van dieren hetzelfde zijn voor mensen maar iets complexer.
Cognitieve psychologie = manier waarop wij informatie verwerken mentale processen en gedrag in
verband met neurowetenschappen
Psychologie 3 kenmerken:
systematisch empirisme: men moet wetenschappelijke kennis verzamelen dmv systematisch
empirisme systematisch waarnemen van de werkelijkheid
- er mogen geen gezagsargumenten zijn = niet omdat je bekend wetenschapper bent dat je je
overtuigen op andere moogt opdringen zonder empirisch verzamelde evidentie
verifieerbare kennis: kennis moet repliceerbaar zijn, bevindingen van anderen moeten ook
gerepliceerd kunnen worden door andere -> men moet dezelfde bevindingen kunnen verkrijgen na
het uitvoeren van dezelfde procedure
- dmv peer review kan men door beoordeling van collega’s van hetzelfde werkveld
onwaarheden en ethische kwesties uit de studie halen. Men kan dan het artikel herwerken
en alternatieve hypotheses uitschakelen
toetsbare theorieën en uitspraken: men moet oplosbare problemen onderzoeken
- men moet uitspraken en theorieën kunnen falsifiëren, dwz dat men moet kunnen aantonen
dat een uitspraak foutief is
, - post hoc verklaringen mogen niet (na het zien van de resultaten verklaringen bedacht) zorgt
voor contrast met predicties
Kennis tot wetenschappelijke wet:
- theorie: geeft relatie tussen set concepten om data en gegevens te verklaren en predicties
te maken over resultaten van empirische studies (geheel van denkbeelden, hypothesen en
verklaringen die in onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is een
theorie vaak een getoetst model ter verklaring van waarnemingen van de werkelijkheid)
- hypothese: specifieke predictie afgeleid van een theorie, toegepast op context van concreet
onderzoek
als data hypothese tegenspreken dan moet nieuwe theorie gevormd worden
Kennis is voorlopig
- relatie tussen verschillende variabelen frequent geconfirmeerd is = wetenschappelijke wet (handig
voor in de praktijk)
Onderzoeksmethode:
- positiefwetenschappelijk onderzoeksmethode = uit fysica model staan en waarbij variabel
gemeten worden
- geesteswetenschappelijke onderzoeksmethode = interpreterende methode
2 soorten onderzoeksmethode experimentele en descriptieve onderzoeksmethode
- Naturalistische oberservatie = observatiestudie buiten laboratorium in natuurlijke situatie
potentieel nadeel = mensen gaan hun gedrag aanpassen als ze weten dat ze bestudeerd
worden
- gevalstudies (casestudies) = 1 persoon of 1 voorbeeld van fenomeen zeer gedetailleerd wordt
onderzocht
bepaalde patient gedurende therapiesessies van meerdere tientallen of honderden uren
behandeld geen mogelijkheid om systematische manipulaties door te voeren (ethische
bezwaren, geheugeneffecten, enz)
voor sommige onderzoeksvragen is geval studie enige mogelijke alternatief
- interviews = respondenten op directe manier bevraagd (training interviewer voor neutrale
vraagstelling) men kan hieruit geen causale richting van het verband besluiten
- surveys = steekproef van opinies over 1 of meerdere onderwerpen obv onderzoeker besluit trekt
voor hele populatie
kwaliteit van dit onderzoek afh van de representativiteit van getrokken steekproef
respondenten moeten waarheidsgetrouw antwoorden
- tests = psychologische tests, meten van allerlei variabele, zoals intelligentie,
persoonlijkheidsaspecten, attitudes, belangstelling, enz.
een test moet standaardisatie bevatten = test steeds op dezelfde manier afgenomen
instructies zelfde voor iedereen, in rustige omgeving, dezelfde manier gescoord
betrouwbare test = nauwkeurige test, resultaat varieert niet in de tijd
validiteit = een test daadwerkelijk meet wat de test beoogt te meten
Een betrouwbare test is niet perse een valide test, maar een valide test is wel betrouwbaar
, - correlationeel onderzoek = onderzoeker bestudeert steekproef, noteert karakteristieken van elk
bestudeert object en legt verband tussen de karakteristieken
correlatiecoëfficient= mate rechtlijnig verband tussen 2 variabelen (geen causaal verband)
waarde ligt tussen +1 (perfect lineair) en -1 (omgekeerd evenredig)
- waarde +1.0, men kan adhv de ene variabele perfect de andere waarde
voorspellen (hoe hoger ene waarde hoe hoger de andere ook is)
- waarde -1.0, men kan ook adhv een variabele de andere perfect voorspellen (hoe
hoger de ene waarde is hoe lager de andere variabele is, en omgekeerd, omgekeerd
evenredig)
- waarde 0, geen (rechtlijnig) verband, obv de ene variabele kan men niks zeggen
over de andere variabele
- 2 variabele kunnen correleren en geen oorzakelijk effect hebben op elkaar, hier kan het zijn
dat een derde variabele een oorzakelijk effect heeft op beide variabelen, die onderling niet
veel met elkaar te maken hebben
- experimentele studie = onderzoeker creëert een situatie die gecontroleerde observatie toelaat
onderzoeker grijpt zelf in en op systematische manier effect van die ingreep nagaat
Stappen van een experimentele studie = eerst representatieve steekproef, op zuiver toevallige manier
in 2 (of meer) groepen verdeeld (randomisatie). Beide groepen krijgen een verschillende behandeling
(verschilt systematisch op veranderen van 1 of meerdere variabelen)
gemanipuleerde variabele = onafhankelijke variabele
gemeten variabele (waarop onafh variabele effect heeft) = afhankelijke variabele
- fouten component = resultaten bevatten fouten en zijn nooit perfect betrouwbaar, resultaat
gebaseerd op gemiddelde waarden
is een gevonden verschil (obv gemiddelden) statistisch significant
interne validiteit = experiment is foutloos opgezet en uitgevoerd (goede randomisatie, begrippen
geoperationaliseerd, enz) blindering van proefpersoon (en onderzoeker)
externe of ecologische validiteit = resultaten experiment kunnen veralgemeend worden naar
situatie buiten labo in dagelijks leven
men kan aan de hand van experimenteel onderzoek een causaal verband te zien tussen
twee variabelen
Differentiële psychologie = tak psychologie die zich toelegt op studie van verschillen tussen
personen
Gevalstudies = veel kritiek omdat men niet echt bevindingen obv 1 persoon kan veralgemenen naar
de hele populatie, maar vaak geven bevindingen van bestaan van bepaalde PT met
gedragsproblemen een inzicht over hoe gezond brein werkt
Semantisch geheugen = plaats van geheugen waar betekenis van woorden worden opgeslagen
Psychologen zijn vaak niet zo geïnteresseerd in hoe mensen zijn maar vooral in hoe mensen zich
gedragen of hoe iemand is ons gedrag is weinig stabiel door de tijd en in verschillende situaties
Voordeel om proefpersoon eerst over zichzelf te laten denken zonder opgelegd kader alvorens een
vragenlijst in te vullen
Gelukkig zijn:
Twee componenten die aan geluksgevoel bijdragen: