I. Redeneren
TI. Cognitieve achtergrond
H1. De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten
Theorie drievuldig brein (= triune brain)
o Oudste laag: reptielachtig brein
Stuurt rigide, obsessief, compulsief en paranoïde gedrag
o Tweede laag: oude zoogdierenbrein
Emoties, drijfveren en motivatie, kennisverwerving, tijdsbesef,
geheugen, geur
o Nieuwste laag: recente zoogdierenbrein
Bijzondere cognitieve functies, bv. inventiviteit en abstract
redeneervermogen
Is niet wetenschappelijk nauwkeurig
Voordeel: kader voor menselijke onredelijkheid
o Mensen en dieren verschillen niet weinig qua cognitieve
capaciteiten, op sommige punten zijn dieren veel verstandiger
o Humans (echte mensen) vs. econs (zuiver rationale actoren)
o Idee van mens als rationele actor is zeer invloedrijk in het recht
Gevolg van evolutionaire wortels van menselijk redeneren
Manipuleerbaar (‘nudging’)
o Ook ten goede
o Nudging= de impulsen die mensen hebben aanzetten om de juiste
beslissingen te maken
H2. Systeem 1 en Systeem 2-denken
Danial Kahneman
Systeem 1: snel, intuïtief
Automatische piloot
Systeem 2: traag, rationeel
Enkel bewust te activeren
Overgang van de systemen
o Inslijting-> de rol van ervaring
o Keerzijde: curse of knowledge, wanneer kennis vanzelfsprekend is, is
deze vaak ook moeilijker om over te dragen
Cognitieve vaardigheden zijn al lang ongewijzigd, de behoefte om
complexe redeneertaken uit te voeren is toegenomen
o S1 heeft neiging om willekeurige informatie te verwerven tot één
“coherent” verhaal
Bv. complottheoriën
o Kritisch nadenken: systeem 2 activeren
, H3. Het brein als verbandleggende machine
Systeem 1: spontaan verbanden tussen allerlei soorten informatie
o “Piet ging skiën, hij brak een been”
o Samenhang (geen logica of toeval)
Voordeel: coherent kader
Nadeel: verbanden zijn regelmatig niet correct
o Conceptverruiming door verminderde blootstelling (experiment met
blauwe bol)
Systeem 2: actieve controle van verbanden
Voorwaardelijke verbanden
= bepaalde zin of uitspraak (‘propositie’) vormt voorwaarde voor andere
propositie
Via-verbanden (‘metonymieën’)
= een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale toegang te krijgen
tot een andere entiteit (doelentiteit) die er in onze ervaring nauw mee verbonden
is
Talrijke soorten
o Deel/geheel, oorzaak/gevolg, producent/product...
o In deze cursus vooral D/G en O/G
Ongericht en associatief: erg sterke verbanden
o Apofenie= onbewust verbanden gaan leggen tussen dingen die niks
met elkaar te maken hebben, stuurt het menselijk gedrag, bv.
Gokkers met zwart en rode vakjes
Op zich niet problematisch, maar mogelijk gevaarlijk
Causale verbanden
= neiging om samenhangende gebeurtenissen in een relatie van oorzaak en
gevolg tot elkaar te plaatsen
Correlatie= aangeven in welke mate variabelen verband met elkaar
houden
o Positief: als de ene stijgt, dan stijgt de andere ook
o Negatief: als de ene daalt, dan daalt de andere ook
Eenduidige causale verbanden zijn zeldzaam
o Zestal vergissingen
1) Zwakke correlatie tussen feit 1 en 2
2) Onbepaalde richting van causaal verband
3) Alternatieve verklaringen
4) Overhaaste extrapolatie
5) Vage beschrijving van oorzaak
6) Geen oog voor relavante kwalitatieve gegevens
Gelijke behandeling mannen en vrouwen (Berkeley, 1973)
o A: mannen deden meer aanvragen voor makkelijkere en
populairdere richtingen, de toelatingskansen waren veel hoger
, Aantal aanvragen Aantal toelatingen
Mannen 8442 44%
Vrouwen 4321 35%
Kans dat er toch een causaal verband is
1) Positieve correlatie tussen feit 1 en 2?
2) Vaak voorkomende correlatie tussen feit 1 en 2?
3) Redenen dat feit 1 oorzaak is van feit 2 en niet omgekeerd?
4) Kan je uitsluiten dat tussen feiten 1 en 2 nog een derde feit zit?
5) Kan je een derde factor uitsluiten die zowel feit 1 als 2 veroorzaakt?
6) Zijn termen waarmee feiten 1 en 2 zijn beschreven, voldoende
duidelijk?
Als-het ware-verbanden (‘metaforen’)
= abstracte concepten voorstellen als concrete zaken
Verschil met vergelijkingen: uitgesproken
Verschil met metonymieën
o Meto: berust op contiguïteit en associatie, twee zaken maken deel
uit van zelfde conceptueel domein; doel= toegang
o Meta: berust op gelijkenis; doel= begrip
TII. Bouwstenen van redeneringen
H1. Basisbegrippen
Redenering
= een aaneenschakeling van beweringen, waarbij één bewering (de conclusie)
wordt afgeleid uit één of meerdere andere beweringen (de premisse)
Geldigheid heeft niks te maken met inhoudelijke correctheid
Premisse met elkaar in verband brengen om een redenering eruit te halen
Voorwaardelijke uitspraak (‘als-dan’)
= uitspraak die bestaat uit twee delen. Het ene deel geeft een voorwaarde aan;
het tweede deel geeft een gevolg aan dat afhangt van de voorwaarde in het
eerste deel.
Als: geeft de voorwaarde aan
Dan: geeft het gevolg weer
Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is die christen
o Voorwaarde-> antecedens, komt eerst
o Gevolg-> consequens, komt tweede
Antecedens staat echter niet steeds voor conseuens in een
voorwaardelijke uitspraak
Bv. Mijn wagen kan rijden als die voldoende brandstof heeft...
, Verschil
Redenering: concrete uitspraak over situatie (‘inferentieel verband’)
o Bevestiging van premisse, conclusie en inferentieel verband-> Jan
gaat naar het park
bv. De zon schijnt, dus gaat Jan naar het park.
o Je gaat een gevolgtrekking afleiden
Voorwaardelijke uitspraak: blijft abstract (‘conditioneel verband’)
o Als de zon schijnt, gaat Jan naar het park-> geen besetiging/
onduidelijk!
Men zegt niet dat de zon vandaag schijnt
o Is vaak een onderdeel/ bouwsteen van de redenering
Onderlinge samenhang
Bij een redenering wordt een conclusie afgeleid uit een of meerdere
premisse
o Premisse= stelling die in een redenering gebruikt wordt om een
conclusie te rechtvaardigen, is je bouwsteen
Kan een vorm aannemen van een voorwaardelijke uistpraak
Een premisse kan de vorm aannemen van een voorwaardelijke uitspraak
Propositie= abstracte uitspraak die waar of onwaar kan zijn,
o De kleinst mogelijke bouwsteen, is nog geen waarde aan gegeven
Premisse en conclusie bestaan uit proposities
o Premissen bevatten er vaak meerdere
o Worden abstract genoteerd
Herhaling
Redeneringen en voorwaardelijke uistpraken-> ook in het recht
Juridische norm: vaak herformuleerbaar als conditioneel verband tussen
twee proposities
Rechtsfeit en rechtsgevolg (Art. 6.5. BW.)
‘Als... dan...’-zinnen: in praktijk vaak niet helder
o Regelmatig onduidelijk wat voorwaarde en wat gevolg is (=
interpretatie)
H2. Soorten voorwaarden
Bij voorwaardelijke uitspraken-> verschillende soorten voorwaarden
Stel: volgend gesprek
-A: Mijn excuses dat ik te laat ben, mijn wagen is onderweg in panne
gevallen.