en mycologie
Parasitologie
1. Inleiding
Parasitisme: vorm van symbiose waarbij één van de partners afhankelijk is
van de andere partner ivm nutriënten, protectie etc.
Hierbij “geniet” de parasiet van deze vorm van samenleving, terwijl het
schadelijk is voor de gastheer
Kernconcept: voordeel voor parasiet, nadeel voor gastheer
Parasieten blijven wereldwijd zeer belangrijk
malaria: ± 280 miljoen zieken/jaar
> 600.000 doden/jaar
behoort wereldwijd tot de meest dodelijke infectieziekten
worminfecties komen nog zeer frequent voor
Schistosoma: ± 250 miljoen geïnfecteerde mensen
Ascaris: > 1 miljard geïnfecteerde mensen
Vooral probleem in ontwikkelingslanden
sterk afhankelijk van hygiënische omstandigheden
Ook in België nog relevante parasieten
vb. Toxoplasma
Veel parasieten zijn opportunisten
meer pathologie bij verminderde immuniteit
HIV-patiënten
transplantatiepatiënten
kankerpatiënten
Microbiologie - parasitologie en mycologie 1
, Ectoparasieten: vb. teken
Leven op het oppervlak van de gastheer
Kunnen ook vector zijn voor andere pathogenen
buitenkant lichaam
vb. teken, bloedzuigers
Endoparasieten
Leven binnenin het lichaam van de gastheer
protozoa: eukaryote eencelligen zonder celwand
hebben wel celkern en meerdere celorganellen
helminthes: wormen
meercellige organismen
worden niet verder besproken
1.1 Onderverdeling
Protozoa: eencellige eukaryoten zonder celwand
ontbreken van celwand maakt hen flexibeler maar ook kwetsbaarder
voor omgeving
hebben wel degelijk celkern en meerdere celorganellen
↔ gisten: ook eencellig, maar hebben wel een celwand
behoren tot fungi
Amoebidae: amoeboide voortbeweging met pseudopodium
beweging via uitstulpingen van cytoplasma
Mastigophora: flagellaten
beweging via flagellen
Giardia, Leishmania, Trypanosoma
mastix = stok
Trypanosoma → slaapziekte
Apicomplexa: aanwezigheid van apicaal complex voor cel-invasie
Microbiologie - parasitologie en mycologie 2
, gespecialiseerd invasieapparaat → essentieel voor infectie van
gastheercellen
intracellulaire parasieten
Plasmodium, Toxoplasma
plasmodium: verwekker malaria
(Ciliophora): cilia zijn miniatuur flagellen
beweging via talrijke korte structuren
vb Paramecium (pantoffeldiertje), Balantidium coli (intestinale
infectie)
meestal geen pathologie
Balantidium coli kan intestinale infecties en diarree veroorzaken
meestal beperkt
ernstige vormen vooral bij zware immunosuppressie
(Microsporidia) → worden tegenwoordig bij fungi ondergebracht
taxonomische herclassificatie op basis van moleculaire data
geen mitochondrium
aangepast aan intracellulaire levenswijze (energieproductie
anders)
2. Amoebae
Microbiologie - parasitologie en mycologie 3
, groep protozoa gekenmerkt
door amoeboïde beweging
voortbeweging:
pseudopodium
tijdelijke uitstulpingen van
het cytoplasma
zorgen voor beweging én
fagocytose (opname van
voedsel/deeltjes)
structuur cytoplasma
buitenste zone = plasmagel
binnenste zone =
plasmasol
volledig vloeibaar
voorkant cel grot plasmagel
aan = polymerisatie cytoskelet
aan achterkant heb je
depolymerisatie cytoskelet
→ voortbeweging
plasmagel zal aan de voorkant
aangroeien en aan de
achterkant wordt het omgezet
in plsmasol → voortbeweging
cel groeit aan voorkant en
krimpt aan achterkant
pseudopodium: vasthechten
aan het substraat
adhesie aan substraat
belangrijk voor glijdende
voortbeweging
Onderscheid tussen soorten:
gebaseerd op morfologie kern
Microbiologie - parasitologie en mycologie 4