DEEL 1: INLEIDING
HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN
Afdeling 1: situering van het bijzondere contractenrecht binnen het privaatrecht
Het gaat over contracten en overeenkomsten, het belangrijkste is de wilsovereenstemming van beide
contractpartijen. De wilsovereenstemming is cruciaal.
- Centraal uitgangspunt in privaatrecht: is de wilsautonomie: partijen hebben vrije wil ,hoe ze iets doen,
wat ze doen .
- Contractrecht is van uitgangspunt aanvullend en contractvrijheid: partijen kunnen vrij contract sluiten,
deze impliceert dat ze telkens moeten bepalen wat ze precies willen en zijn overeengekomen (prijs,
termijn, risico): heeft voordelen je kan iets afleveren wat beantwoord aan uw bedoeling, nadeel dit is
minder efficiënt
o In BW een courante contracten is er een set aan wetgeving: obv de vermoedelijke
bedoelingen vd partijen bedoelen ze het volgende in dit soort transacties. Ze behoeven ze
niet bij elk contract uren te onderhandelen, en kan men focussen op wat men eventueel wil
afwijken of aanvullen = de benoemde contracten worden in de wet benoemd en krijgen een
regime van aanvullend recht
Vb als je een zetel koopt dat u niet heel lang hoeft te onderhandelen over de
contractvoorwaarden en partijen enkel hoeven nadenken willen we afwijken enzo ja
in welke zin
Vinden we in BW.
Inwerkingtreding boeken 1 en 5 BW:
• Beide Wet van 28/4/22
• Inwerkingtreding 1/1/23
- Boek 1: art 3 BW tot en met 5 BW= het algemene deel
• Vb hoe bereken je termijnen , hoe werkt een kennisgeving, RMB, algemene
princiepen van vertegenwoordiging
- Boek 5: art 64 BW en art. 65 BW
• Is het verbintenissenrecht; het algemene contractenrecht wat van groot belang is
• Beide zijn in werking getreden op 1 januari 2023, hebben ene bijzonder
overgangsrecht, hebben eerbiedigende werking
• Eerbiedigende werking
- Tenzij partijen anders overeenkomen
- Enkel RH + Rsf na 1/1/23
- Niet van toepassing:
• Toekomstige gevolgen RH + rechtsfeiten die dateren van voor 1/1/23
• RH + rechtsfeiten mbt verbintenis uit RH/rechtsfeit van voor 1/1/23
• contracten van voor 1 jan 2023: worden beheerst door het OBW, RH die
dateren van na de inwerkintreding (vb: als contract van 2020 vandaag
wordt opgezegd, dan wordt opzegging beoordeeld obv de oude regels)
• Het OBW moeten we niet kennen !
1
,Afdeling 2: Nieuw boek 7 BW
• Een eerste wetsvoorstel 16 april 2024 (DOC 55 3973)
• Nieuw wetsvoorstel 20 februari 2025 (DOC 56 0743)
- Er zijn op heel wat punten nieuwe wijzigingen: vb herschikking, hernummering , we hebben
heir ook samengestelde artikelen. Elke contract hebben een aparte titel
• Krachtlijnen
- Herstructurering en integratie (met titels, zie hieronder)
- meer coherentie tussen de contracten
• stel je hebt een verborgen gebrek bij een koop gelden er andere voorwaarden,
termijnen dan bij huur. Dit is zoveel mogelijk geharmoniseerd.
- Vereenvoudiging en verduidelijking vh contractenrecht
• Als je naar OBW kijkt bij heel wat contracten (belangrijkste contract koop) heel veel
herhaling is. Ook soms kleine afwijking zijn op algemene verbintenisrechtelijke
principes die vandaag geen meerwaarde hebben.
• Nieuw contractenrecht is korter en bouwt voort op boek 5
HOOFDSTUK 2: BENOEMDE, GEMENDE EN ONBENOEMDE CONTRACTEN
Afdeling 1: onderheid tussen benoemd en onbenoemd contracten
We hebben drie soorten contracten
Benoemde contracten= contract dat aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
• In eerste plaats de wettelijke set van regels (uitgangspunt, is van aanvullend recht) +in tweede fase
moeten we ook kijken naar het contract
- Wat hebben contractpartijen geregeld, zijn sommige punten nietig, dit zal dan aanvullend of
vernietigend zijn.
- Is dus ondergeschikt aan verbintenissen- contractenrecht, ind e mate dat er iets is geregeld in
de wet/contract.
• Het gemene verbintenissenrecht als derde punt: Subsidiair (art. 5.13 BW): verb & contractenrecht
(met art. 5.71 BW). Die doen geen afbreuk aan de bijzondere contracten.
Onbenoemde contracten/sui generis = contract dat niet aan een specifieke wettelijke regeling is onderworpen
(hebben een eigen aard)
• Contract zelf: we hebben een open gebeid, contractvrijheid (art. 5.14 BW), als uitgangspunt geldt de
wilsautonomie. Je kan buiten de lijntjes kleuren en nieuwe contracten maken, daar hebben we geen
wettelijke set van regels
- Vb leasingsovereenkomst: je kan een wagen kopen of huren of leasen: dit is dan een fin
instelling die de wagen voor u aankoopt en die dan voor speciale tijd voor u beschikking stelt.
Welke regels gelden dan : het contract zelf, want we hebben geen wettelijke set van regels
specifiek voor dit contract. Tweede laag het algemeen contractenrecht. Verbintenissenrecht
en bij komend als derde laag heb je de toepassing naar analogie van benoemde contracten
• Gemene verb & contractenrecht (met art. 5.71 BW)
• Regels benoemd contract per analogie: Het zou kunnen dat er een contract is waarbij buiten de lijntjes
is gekleurd maar we de lijntjes nog een beetje kunnen zien en kan er naar analogie in ondergeschikte
orde toepassing worden gemaakt van de regels van het benoemd contract
- leasing lijkt wel wat op huur, voor verschillende onderdelen kunnen we dan naar analogie de
regel van huur kunnen toepassen.
2
,Gemengde contracten (art. 5.67 BW): we hebben een max van verschillende benoemde contracten, het is
zonder meer het een of het ander
• stel je hebt een stuk grond en iemand bouwt daarop : dan is de bouw het huis een deel aankoopt en
aanneming: degene die koopt zal ook dakpannen aanleveren en ook anderzijds materiele prestatie
leveren, iets doen een dienst leveren. Die zal hiermee een huis bouwen, = combinatie van twee
contracten. De vraag is nu, hoe gaan we hier mee om welk soort contract is dit finaal?
• Om deze contracten te kwalificeren hebben we drie kwalificatietheorieën:
- Onbenoemd/sui generis: het gemend contract is zo gemixt dat we het eignelijk niet meer
kennen en dan hebben we een onbenoemd contract
- Combinatietheorie: we combineren de twee contracten maar we kunnen een duidelijk
onderscheidt maken: we hebben een duidelijk onderdeel dat koop is en aanneming: dan
kunne we cumuleren = we passen op stukje koop koopt toe en op stukje aanneming passen
we aanneming toe
- Absorptieleer = we gooien de elementen samen maar we zien dat een element dominant is
en wat belangrijk is dan het andere, dan kunne we de absorptieleer toepassen het dominante
als een spons het andere tot zich trekt en kwalificatie en een van de dominante component
• Vb bouwen op andermans grond: stenen, dak krijgt of dat er een huis gebouwd word
= huis is het belangrijkst een hebben we daar dus een eenvormige kwalificatie met
name aanneming
De vraag is nu: wat verdient de voorkeur: het uitgangspunt is hier art. 5.67 BW: het uitgangspunt is de
cumulatietheorie: als je twee componenten hebt in een contract moet je die behandelen met de regels die
daarop van toepassing zijn, is niet altijd even evident. Bv een aannemingscontract kun je op een andere manier
beëindigen als een lastgeving. Dus welke regels op vlak van beëindiging passen we nu toe? De voorkeur
verdient om zodra een element dominant is toch de absorptieleer toe te passen
• Moeilijkheid: specifieke elementen van uw contract worden niet altijd geregeld door dominant
regime: vb huis verkoop kun je beroep doen op makelaar, die levert prestaties en helpt u om koper te
vinden. Zou kunnen dat makelaar vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft. Dit is ondergeschikt, dit is
dus een gemengd contract: aanneming en lastgeving, met dominante component aanneming
- Maar toch stukje vertegenwoordiging, het sluiten van contract en stellen RH in naam en
rekening van iemand anders, maar bij aanneming geen enkel regel omtrent deze
bevoegdheid:: dus soms toch beperkt cumuleren voor aspect ondergeschikt contract waar
geen enkele regel voor is in het hoofdcontract
- Binnen absorptietheorie kan een kleine cumul plaatsvinden
Concreet krijgen naar de verschillende contracten kunne we deze onderverdelen in vier grote categorieën : dit
zijn de benoemde contracten die wij gaan behandelen
• Deel 1: contracten mbt overdracht eigendom
- Contracten mbt overdracht van eigendom: eigenlijk is het overdracht of vestiging van ZR
• Belangrijkste contract dat we heir hebben is koop, is het centrale contract inzake
overdracht van goederen
- Kanscontracten: contracten waarvan de uitkomst op voorhand niet vaststaat: u heeft kans op
winst of verlies
• Deel 2: contracten mbt gebruik en genot van een goed
- Contracten voer het gebruik en genot van een goed, verschillende contracten: huur met
verschillende bijzondere huurregimes en lening
• Deel 3:dienstencontracten: hebben we aanneming, bewaargeving of lastgeving.
• Deel IV: vaststellingscontracten (dading
- Laatste categorie: de zogenaamde vaststellingsovereenkomsten: de dading: er is een geschil
tussen partijen en lossen dit op via een contract.
3
,Drie belangrijkste: koop, huur en aanneming: u krijgt op het examen in principe van elk contract ( of toch
minstens van deze drie!!)
Bescherming van de zwakke contractspartij
De problematiek van consumentenbescherming: die zijn van zo’n groot belang. Het uitgangput is
contractenrecht is de wilsautomie
Bescherming zwakke contractpartij
• Het uitgangspunt in het privaatrecht is de wilsautonomie (art. 5.3 BW en art. 5.14 BW) : omwille
daarvan moeten we de zwakkere contractspartij beschermen
• Komt uit de tijd van OBW en Napoleon: die als maatschappijvisie was als mensen vrij en gelijk
zijn die hun plan laten trekken, als het egoïsten zijn dan zal finaal hun eigenbelang
concorderen met gemeenschappelijk belang. Uitgangspunt individuele eigendom en
contractsvrijheid
• Als ze contracteren dan zijn ze verantwoordelijk, de bindende kracht van de overeenkomst en
de afdwingbaarheid ervan, het uitgangspunt is de vrijheid!
• Probleem: mensen zijn niet allemaal feitelijk niet allemaal gelijk ( jur wel): vb als
partijen een contract sluiten, sluiten die niet altijd op voet van gelijkheid. Als je de
trein wil nemen, mag je niet negotiëren voer vervoersvoorwaarden, prijs. Indien dit
wel kan zal u niet mee mogen. Zelfde voor gasabonnement. Of bij huur of
appartement van een promotor koop: gaat de G ervan uit dat er een ongelijkheid is.
• Omwille evolutie zien we soort consumentenbescherming op verschillende gronden
• Consumentenrecht sensu lato
• dwingend recht: in eerste plaats door dwingende bepalingen die gesanctioneerd worden op
straffen van nietigheid, binnen het contractenrecht vb huur, of specifiekere gevallen
woninghuur kunnen we niet van afwijken ter bescherming vd consument
• Gemeenrechtelijke bescherming (zorgvuldigheidsnorm: goede trouw, contr en
precontractuele informatieplicht gekwalificeerde benadeling/misbruik omstandigheden art.
5.37 BW enz.)
• daarnaast heb je een algemene tendens met aandacht aan de zwakkere
contractpartij: vb door toegenomen aandacht voor de algemene
zorgvuldigheidsnorm binnen de contractant art. 5.71 BW en art. 5.73 BW.
• Dit zijn begrippen waarmee men kijkt naar de concrete context: in functie daarvan is
de informatieplicht zwaarder of lichter. Of misbruik van omstandigheden: zijn
allemaal ingrepen in contractenrecht om zwakkere contractpartij te beschermen =
consumentenrecht sensu lato
• Is niet het klassieke consumentenrecht dat tussen indivu en bedrijven
speelt, maar gewoon tussen contractpartijen ten voordelen van een
zwakkere contractspartij.
• Consumentenrecht sensu stricto
• is het echte recht in de verhouding tussen onderneming en consument, is vooral
door Europese invloed. In toenemende mate consumentenbescherming;
• de ratio is oor een vrij markt: om ervoor te zorgen dat consumenten gelijkaardige
handelt worden door de lidstaten en er geen eden is om in uw eigen lidstaat te
kopen, je koopt tv in Dui en krijg je 10j garantie en in België maar 1 week, als je
dezelfde garantie koopt is de kas dat je in ander lidstaat koopt veel groter.
• is een B2C regeling
- Bv WER: ruimere regeling ter bescherming van consumenten, consumentenkoop : een heel
gedetailleerde regeling
4
, Afdwingbaarheidsparadox: een onderdeel met heel scherpe tanden, is als uitgangspunt van dwingend recht dat
de rechter ambtshalve moet toepassen en zelfs al weten partijen niet dat ze deze bescherming hebben , is het
zelf zo dat als je vb verboden clausule opneemt ni contract dat je uw gemeenrechtelijke faultback kwijt bent.
• Uw onderliggend gemeenrechtelijk uitgangspunt verlies je ook : je hebt schadebeding dat overdreven
is en nietig is, is consequentie dat je geen schadevergoeding krijgt, niet dat je deze moet verkrijgen en
krijgt conform gemeenrechtelijk contracten recht. Zo geregeld om ontradend te kunnen werken
- Afdwinging paradox: is niet altijd gemakkelijk, vb je koopt een trui en aan die trui is een
defect. Dan zou u kunnen maker dagvaarden, start procedure en stelt gerechtsdeskundige ,
duurt maanden en kost geld. Hierdoor zijn we minstens een jaar verder, dan heb je heel wat
kosten gemaakt en voor wat, een trui? Je maakt misschien 5 of 1000 euro kosten voor en trui
van 40 euro, je gaat wellicht een andere trui kopen
- Voor de relevant goedkopere goederen is het niet handig en niet de moeite
Consumentenrecht sensu stricto (vnl. Boek VI WER):
Boek VI WER (marktpraktijken + consumentenbescherming): enkele algemene principes en beginselen. Wij
hebben vooral interesse in Boek 6 WER: eerste vraag wat is het toepassingsgebeid, iets toepassing wat niet
moet is even erg iets niet toepassen dat je wel moet toepassen
• Art I.1 WER (algemeen): grosso modo opsplitsing van definitie. Drie definities die voor ons van belang zijn:
- Consument (art. I.1, 2° WER)
• enkele aandachtspunten
• nat persoon die niet handelt voor zijn handels /bedrijf/ ambacht/ beroepsactiviteit
- moet een natuurlijke persoon, geen RP deze is nooit een consument!
- je gaat hiervoor kijken naar de determinerende reden: zolang het professioneel
niet doorweegt ben je consument
- Onderneming (art. I.1, 1° WER) (doch zie boek VI)
• Nat pers zelfstandig beroepsactiviteit: vb slager, kapper, advocaat, architect,
• In tweede plaats is dit elke rechtspersoon (tenzij bv Staat, OCMW): er zijn een aantal
uitzonderingen voorzien, ongeacht of er een winstoogmerk is, dus vzw valt onder
ondernemingsbegrip. Zelfs als het geen RPH is als het maar een organisatie is kan het een
onderneming is, tenzij het niets met winst te maken heeft geen winstoogmerk en
winstuitkering is!
• Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid tenzij geen uitkeringsoogmerk en
geen uitkeringen verricht)
- Vb: postzegelclub is ene organisatie zonder rechtspersoonlijkheid geen winst
beoogd of uitgekeerd is het geen onderneming
- Voorwerp ve contract
• Producten = goederen, diensten, onroerende goederen, rechten en verplichtingen (art.
I.1, 4° WER): hebben allemaal eigen definitie in het WER
• Goederen = lichamelijke roerende zaken (art. I.1, 6° WER)
- Kun je in principe zintuigelijk waarnemen en RG is dat niet OR is. Kort door de
bocht is een roerend goed een beweegbaar goed
• Diensten = elke prestatie verricht door een onderneming in het kader van haar
professionele activiteit of in uitvoering van haar statutair doel (art. I.1, 5° WER)
Dit zijn de algemene definities: als je op examen wil aangaan of een bepaalde term van toepassing is, begin je
in boeken 1. Wat is er van belang: als je verder bladert is er een daarop volgende artikelen op art. 1, bevatten
specifieke afwijkende definities voor specifieke boeken.
5