TOPIC 13: Economische kringloop
1 Economische kringloop
1.1 Eenvoudige economische kringloop
Bij economische huishouding komen de cijfers tot stand door de relaties tussen de
gezinnen, bedrijven, de overheid en het buitenland.
Een kringloopschema is een hulpmiddel om de onderlinge relaties tussen verschillende
economische huishoudingen te onderzoeken.
ð Er bestaan verschillende soorten kringloopschema’s
Reële stromen (oranje lijnen)
ð Productiefactoren (F): Gezinnen leveren productiefactoren aan bedrijven. De
belangrijkste hiervan is arbeid (mensen die gaan werken), ook kapitaal of grond.
ð Productie (P): Bedrijven gebruiken die productiefactoren om goederen en
diensten te maken. Deze producten stromen
vervolgens weer terug naar de gezinnen (de
consumenten).
Geldstromen (rode stippellijnen)
ð Factorvergoedingen (Y): Bedrijven betalen
de gezinnen voor het leveren van hun
productiefactoren. In het geval van arbeid is
deze vergoeding het loon.
ð Consumptie (C): Gezinnen gebruiken dat verdiende inkomen om producten te
kopen. Dit geld stroomt als consumptie-uitgaven weer terug naar de kassa van de
bedrijven.
Gezinnen geven hun arbeid (F) aan bedrijven en krijgen daar loon (Y) voor terug. Met dat
loon betalen gezinnen voor consumptie (C) om
de producten (P) van de bedrijven te kopen. De
economische cirkel is zo rond.
ð Sparen (S): Dit geld stroomt van de gezinnen naar
de financiële instellingen
ð Investeren (I): Bedrijven hebben vaak extra geld
nodig om uit te breiden of nieuwe machines te
kopen. Hiervoor gaan ze lenen bij de bank. Het
opgespaarde geld van de gezinnen wordt door de
banken doorgeleend en stroomt
als investeringen naar de bedrijven.
1
, Macro-Economie
Intrest op spaargeld of als vergoeding voor leningen
ð Als vergoeding voor leningen (Bedrijf à Bank): Bedrijven betalen
een leningsrente (intrest) aan de bank als prijs voor het lenen van het kapitaal.
ð Intrest op spaargeld (Bank à Gezin): Een deel van die ontvangen rente geeft de
bank door aan de gezinnen in de vorm van spaarrente (intrest), als beloning
omdat zij hun geld op de bank zetten.
De financiële sector verzamelt het spaargeld (S) van de gezinnen en pompt dit
als investeringsgeld (I) in de bedrijven. De intrest houdt deze stroom draaiende, want
bedrijven betalen rente om te lenen en gezinnen ontvangen rente om te sparen.
1.2 Gesloten economie met overheid
Overheidsbestedingen (G)
Het geld stroomt van de overheid naar de bedrijven. De
overheid produceert zelf weinig, dus ze moet aankopen
doen bij de private sector. Dit verdelen we in:
ð Overheidsconsumptie: De dagelijkse uitgaven
om de overheid te laten draaien.
o Het kopen van papier voor ministeries,
computers voor scholen, of de lonen van
ambtenaren (die dit weer uitgeven bij
bedrijven).
ð Overheidsinvesteringen: Uitgaven voor de lange
termijn die de economie helpen.
o Het heraanleggen van snelwegen, het
bouwen van nieuwe scholen of het
vernieuwen van de spoorwegen.
Nettobelastingen (T)
Het geld stroomt van de gezinnen naar de overheid. Dit is een 'netto' bedrag omdat er
twee tegengestelde bewegingen in zitten:
ð Belastingen (geld naar de overheid): Dit zijn directe belastingen (= de
personenbelasting op je loon) en indirecte belastingen (= de BTW die je betaalt in
de winkel).
ð Transferuitgaven (Geld terug naar de gezinnen): De overheid geeft ook weer
geld terug aan gezinnen die het nodig hebben, denk aan sociale
uitkeringen (pensioenen, werkloosheidsuitkeringen, kindergeld) of subsidies.
2