CELBIOLOGIE HOOFDSTUK 3
VRAAG 48
Vraag 48 – Celmembraan
Samenstelling
• Fosfolipiden → vormen de dubbellaag (hydrofiele kop + hydrofobe staarten).
• Cholesterol → regelt vloeibaarheid en stabiliteit:
o Bij hoge T → minder vloeibaar.
o Bij lage T → meer vloeibaar.
• Eiwitten → integrale (doorheen membraan) en perifere (aan de rand).
• Koolhydraten → gekoppeld aan eiwitten of lipiden → glycocalyx (herkenning, bescherming).
Eigenschappen
• Dynamisch = vloeibaar mozaïekmodel.
• Selectief permeabel → regelt transport.
VRAAG 49
Vraag 49 – Transport door membranen
Passief transport (kost géén energie)
• Diffusie: kleine, apolaire moleculen (O₂, CO₂) passeren rechtstreeks door fosfolipiden.
• Gefaciliteerde diffusie: via transporteiwitten of ionkanalen (bv. glucose via GLUT).
• Osmose: verplaatsing van water via aquaporines.
Actief transport (kost ATP of gradiëntenergie)
• Primair actief: ATP verbruikt (bv. Na⁺/K⁺-pomp).
• Secundair actief: gebruikt gradiënt van een andere stof (symport/antiport).
Vesiculair transport
• Endocytose (fagocytose, pinocytose, receptor-gemedieerd).
• Exocytose (afgifte van neurotransmitters, hormonen, afvalstoffen).
, MITOCHONDRIËN
Mitochondriën
Functies
• ATP-productie via oxidatieve fosforylatie.
• Bevatten eigen DNA en ribosomen → kunnen deels eigen eiwitten maken.
• Belangrijk in apoptose (afgifte van cytochroom c).
• Warmteproductie (in bruine vetcellen).
Opbouw
• Dubbel membraan:
o Buitenmembraan: doorlaatbaar voor kleine moleculen.
o Binnenmembraan: geplooid tot cristae, bevat enzymen voor elektronentransportketen & ATP-
synthase.
• Matrix: citroenzuurcyclus, mtDNA, ribosomen.
• Intermembranaire ruimte: protonenopslag voor gradiënt
VRAAG 50
Vraag 50 – Cristae (binnenmembraanplooien van mitochondriën)
Functie
• Vergroten het oppervlak van het binnenmembraan.
• Hierdoor is er plaats voor meer enzymen en transporteiwitten van de elektronentransportketen en
ATP-synthase.
• Gevolg: efficiëntere en intensievere ATP-productie.
VRAAG 51
Vraag 51 – Mitochondriaal DNA
Belang
• Mitochondriën bevatten eigen DNA en ribosomen → ze kunnen een deel van hun eigen eiwitten en
enzymen zelf synthetiseren.
• Toch zijn ze niet volledig onafhankelijk: de meeste eiwitten worden nog altijd gecodeerd door het
nucleaire DNA en geïmporteerd.
Oorsprong
VRAAG 48
Vraag 48 – Celmembraan
Samenstelling
• Fosfolipiden → vormen de dubbellaag (hydrofiele kop + hydrofobe staarten).
• Cholesterol → regelt vloeibaarheid en stabiliteit:
o Bij hoge T → minder vloeibaar.
o Bij lage T → meer vloeibaar.
• Eiwitten → integrale (doorheen membraan) en perifere (aan de rand).
• Koolhydraten → gekoppeld aan eiwitten of lipiden → glycocalyx (herkenning, bescherming).
Eigenschappen
• Dynamisch = vloeibaar mozaïekmodel.
• Selectief permeabel → regelt transport.
VRAAG 49
Vraag 49 – Transport door membranen
Passief transport (kost géén energie)
• Diffusie: kleine, apolaire moleculen (O₂, CO₂) passeren rechtstreeks door fosfolipiden.
• Gefaciliteerde diffusie: via transporteiwitten of ionkanalen (bv. glucose via GLUT).
• Osmose: verplaatsing van water via aquaporines.
Actief transport (kost ATP of gradiëntenergie)
• Primair actief: ATP verbruikt (bv. Na⁺/K⁺-pomp).
• Secundair actief: gebruikt gradiënt van een andere stof (symport/antiport).
Vesiculair transport
• Endocytose (fagocytose, pinocytose, receptor-gemedieerd).
• Exocytose (afgifte van neurotransmitters, hormonen, afvalstoffen).
, MITOCHONDRIËN
Mitochondriën
Functies
• ATP-productie via oxidatieve fosforylatie.
• Bevatten eigen DNA en ribosomen → kunnen deels eigen eiwitten maken.
• Belangrijk in apoptose (afgifte van cytochroom c).
• Warmteproductie (in bruine vetcellen).
Opbouw
• Dubbel membraan:
o Buitenmembraan: doorlaatbaar voor kleine moleculen.
o Binnenmembraan: geplooid tot cristae, bevat enzymen voor elektronentransportketen & ATP-
synthase.
• Matrix: citroenzuurcyclus, mtDNA, ribosomen.
• Intermembranaire ruimte: protonenopslag voor gradiënt
VRAAG 50
Vraag 50 – Cristae (binnenmembraanplooien van mitochondriën)
Functie
• Vergroten het oppervlak van het binnenmembraan.
• Hierdoor is er plaats voor meer enzymen en transporteiwitten van de elektronentransportketen en
ATP-synthase.
• Gevolg: efficiëntere en intensievere ATP-productie.
VRAAG 51
Vraag 51 – Mitochondriaal DNA
Belang
• Mitochondriën bevatten eigen DNA en ribosomen → ze kunnen een deel van hun eigen eiwitten en
enzymen zelf synthetiseren.
• Toch zijn ze niet volledig onafhankelijk: de meeste eiwitten worden nog altijd gecodeerd door het
nucleaire DNA en geïmporteerd.
Oorsprong