CELBIOLOGIE HOOFDSTUK 2
VRAAG 15
Vraag 15 – Verschil tussen bloed, plasma en serum
Bloed
• Speciaal bindweefsel: bloedcellen + plasma.
• Bestaat uit:
o RBC (erytrocyten)
o WBC (leukocyten)
o BP (bloedplaatjes / trombocyten)
o In plasma gesuspendeerd.
Plasma
• Vloeibare component van ongestold bloed.
• Bestaat uit: water, ionen, voedingsstoffen, hormonen, eiwitten (albumine, globulinen, fibrinogeen!).
• Je krijgt plasma door antistollingsmiddel toe te voegen en dan te centrifugeren.
Serum
• Plasma zonder stollingsfactoren (zoals fibrinogeen).
• Dus: het deel dat overblijft als bloed eerst gestold heeft.
Kort:
• Bloed = cellen + plasma
• Plasma = met fibrinogeen (stollingseiwitten)
• Serum = plasma – fibrinogeen
VRAAG 16
Vraag 16 – Bloeduitstrijkje
Hoe maak je het?
• Een klein druppeltje bloed op een objectglaasje.
• Met een tweede glaasje uitstrijken → dunne laag waar cellen mooi gescheiden liggen.
• Fixeren + kleuren (meestal May-Grünwald Giemsa of Wright kleuring).
Wat zie je?
, 1. Erytrocyten (RBC)
o Veruit de meerderheid (± 99%).
o Kleine, ronde, bikonkave schijfjes.
o Geen kern.
o Kleur: roze/rood (door hemoglobine).
2. Leukocyten (WBC)
o Minder talrijk.
o Wel een kern → varieert per type.
o Te onderscheiden in granulocyten (neutrofiel, eosinofiel, basofiel) en agranulocyten
(lymfocyten, monocyten).
3. Bloedplaatjes (trombocyten, BP)
o Hele kleine celstukjes.
o Ovaal/korrelig.
o Spelen rol in stolling.
VRAAG 17
Vraag 17 – Functie en vorm erytrocyten
Functie
• Transport van O₂ van longen → weefsels.
• Transport van CO₂ (deels via Hb, grotendeels opgelost als HCO₃⁻).
Vorm
• Bikonkave schijf (donutvorm zonder gat):
o Vergroot het oppervlak → efficiëntere gasuitwisseling.
o Geeft flexibiliteit → kan door zeer nauwe capillairen kruipen.
• Geen kern, geen organellen → maximaal plaats voor hemoglobine.
Kortom: vorm volgt functie → maximale gasuitwisseling en soepel transport.
VRAAG 18
Vraag 18 – Levensduur en afbraak erytrocyten
Levensduur
, • Gemiddeld ±120 dagen in de circulatie.
Afbraakplaatsen (reticulo-endotheliaal systeem = “mononucleair fagocytenstelsel”)
• Milt → vooral hier gefilterd en verwijderd.
• Lever → Kupffercellen (macrofagen in de lever).
• Beenmerg → macrofagen breken oude RBC’s af.
Afbraakproces
• Gefagocyteerd door macrofagen.
• Hemoglobine gesplitst:
o Ijzer (Fe²⁺) → gerecycleerd naar nieuw Hb.
o Globine-eiwitten → afgebroken tot aminozuren.
o Heme → omgezet in bilirubine → via lever → gal → darmen.
VRAAG 19
Vraag 19 – Erytropoëse (aanmaak van erytrocyten)
Plaats
• In het rode beenmerg (bij volwassenen vooral in wervels, ribben, sternum, bekken, proximale femur).
Regulatie
• Gecontroleerd door erytropoëtine (EPO), een hormoon geproduceerd in de nieren (en in kleine mate
in de lever).
• Stimulus = hypoxie (lage O₂) → nieren maken meer EPO → beenmerg maakt meer RBC’s.
Ontwikkeling
• Multipotente stamcel (hemopoëtische stamcel) → pro-erytroblast → erythroblast → reticulocyt (kern
verloren) → rijpe erytrocyt.
• Dit duurt ongeveer 7 dagen.
Belangrijk klinisch
• Bloedarmoede (anemie) → vaak gevolg van tekort aan ijzer, B12, foliumzuur of EPO.
• Doping bij sporters = toedienen van EPO om meer RBC’s te maken → betere O₂-capaciteit.
VRAAG 15
Vraag 15 – Verschil tussen bloed, plasma en serum
Bloed
• Speciaal bindweefsel: bloedcellen + plasma.
• Bestaat uit:
o RBC (erytrocyten)
o WBC (leukocyten)
o BP (bloedplaatjes / trombocyten)
o In plasma gesuspendeerd.
Plasma
• Vloeibare component van ongestold bloed.
• Bestaat uit: water, ionen, voedingsstoffen, hormonen, eiwitten (albumine, globulinen, fibrinogeen!).
• Je krijgt plasma door antistollingsmiddel toe te voegen en dan te centrifugeren.
Serum
• Plasma zonder stollingsfactoren (zoals fibrinogeen).
• Dus: het deel dat overblijft als bloed eerst gestold heeft.
Kort:
• Bloed = cellen + plasma
• Plasma = met fibrinogeen (stollingseiwitten)
• Serum = plasma – fibrinogeen
VRAAG 16
Vraag 16 – Bloeduitstrijkje
Hoe maak je het?
• Een klein druppeltje bloed op een objectglaasje.
• Met een tweede glaasje uitstrijken → dunne laag waar cellen mooi gescheiden liggen.
• Fixeren + kleuren (meestal May-Grünwald Giemsa of Wright kleuring).
Wat zie je?
, 1. Erytrocyten (RBC)
o Veruit de meerderheid (± 99%).
o Kleine, ronde, bikonkave schijfjes.
o Geen kern.
o Kleur: roze/rood (door hemoglobine).
2. Leukocyten (WBC)
o Minder talrijk.
o Wel een kern → varieert per type.
o Te onderscheiden in granulocyten (neutrofiel, eosinofiel, basofiel) en agranulocyten
(lymfocyten, monocyten).
3. Bloedplaatjes (trombocyten, BP)
o Hele kleine celstukjes.
o Ovaal/korrelig.
o Spelen rol in stolling.
VRAAG 17
Vraag 17 – Functie en vorm erytrocyten
Functie
• Transport van O₂ van longen → weefsels.
• Transport van CO₂ (deels via Hb, grotendeels opgelost als HCO₃⁻).
Vorm
• Bikonkave schijf (donutvorm zonder gat):
o Vergroot het oppervlak → efficiëntere gasuitwisseling.
o Geeft flexibiliteit → kan door zeer nauwe capillairen kruipen.
• Geen kern, geen organellen → maximaal plaats voor hemoglobine.
Kortom: vorm volgt functie → maximale gasuitwisseling en soepel transport.
VRAAG 18
Vraag 18 – Levensduur en afbraak erytrocyten
Levensduur
, • Gemiddeld ±120 dagen in de circulatie.
Afbraakplaatsen (reticulo-endotheliaal systeem = “mononucleair fagocytenstelsel”)
• Milt → vooral hier gefilterd en verwijderd.
• Lever → Kupffercellen (macrofagen in de lever).
• Beenmerg → macrofagen breken oude RBC’s af.
Afbraakproces
• Gefagocyteerd door macrofagen.
• Hemoglobine gesplitst:
o Ijzer (Fe²⁺) → gerecycleerd naar nieuw Hb.
o Globine-eiwitten → afgebroken tot aminozuren.
o Heme → omgezet in bilirubine → via lever → gal → darmen.
VRAAG 19
Vraag 19 – Erytropoëse (aanmaak van erytrocyten)
Plaats
• In het rode beenmerg (bij volwassenen vooral in wervels, ribben, sternum, bekken, proximale femur).
Regulatie
• Gecontroleerd door erytropoëtine (EPO), een hormoon geproduceerd in de nieren (en in kleine mate
in de lever).
• Stimulus = hypoxie (lage O₂) → nieren maken meer EPO → beenmerg maakt meer RBC’s.
Ontwikkeling
• Multipotente stamcel (hemopoëtische stamcel) → pro-erytroblast → erythroblast → reticulocyt (kern
verloren) → rijpe erytrocyt.
• Dit duurt ongeveer 7 dagen.
Belangrijk klinisch
• Bloedarmoede (anemie) → vaak gevolg van tekort aan ijzer, B12, foliumzuur of EPO.
• Doping bij sporters = toedienen van EPO om meer RBC’s te maken → betere O₂-capaciteit.