TOPIC 19: Budgettaire Politiek
1 Recap – Gesloten economie met
overheid (topic 13)
Overheid
ð Overheidsbestedingen (G)
o Overheidsconsumptie
o Overheidsinvesteringen
ð Nettobelastingen (T)
o Belastingen (direct, indirect)
o Transfertuitgaven (uitkeringen, subsidies)
ð Budgettair saldo
2 Rol van de overheid
Regulerende functie
ð Taksen en subsidies: De overheid gebruikt financiële prikkels om te bepalen wat
we méér of minder gaan doen.
o Taksen (Belastingen): Worden gebruikt om ongewenst gedrag te
ontmoedigen. Denk aan de CO2-taks (vervuilen wordt duurder) of
accijnzen op tabak en suiker.
o Subsidies: Worden gebruikt om gewenst gedrag te stimuleren.
Bijvoorbeeld een premie voor warmtepompen of steun voor boeren die
overstappen op biologische landbouw.
ð Aanbod publieke goederen: Goederen en diensten waar niemand van
uitgesloten kan worden en waarbij het gebruik door de één niet ten koste gaat van
de ander.
o De overheid financiert en organiseert deze goederen omdat de
maatschappij ze wel nodig heeft, maar bedrijven ze niet uit zichzelf
zouden leveren.
ð Correcte herverdeling inkomsten: Zonder ingrijpen zou de kloof tussen arm en
rijk in een vrije markt heel groot kunnen worden. De overheid reguleert dit om
sociale rust en rechtvaardigheid te garanderen.
o Progressieve belastingen: Wie meer verdient, betaalt procentueel meer
belasting.
o Sociale zekerheid: Het geld van de belastingen wordt gebruikt voor
uitkeringen (bij ziekte, werkloosheid of pensioen).
o Toegankelijkheid: Zorgen dat essentiële zaken zoals zorg en onderwijs
voor iedereen betaalbaar blijven, ongeacht je inkomen.
1
, Macro-economie
3 Uitgaven van de overheid
3.1 Via overheidsbestedingen
De overheidsbestedingen bestaan uit de uitgaven die de overheid doet voor de
aankoop van goederen en diensten om haar werking te garanderen en de investeringen
die de overheid doet in infrastructuur en andere projecten.
ð Overheidsconsumptie
o Dit zijn de dagelijkse kosten die de overheid maakt om haar diensten
draaiende te houden.
o Uitgaven aan goederen en diensten die in de loop van het jaar direct
worden verbruikt.
o Deze uitgaven creëren geen nieuwe bezittingen op de lange termijn, maar
zijn noodzakelijk voor de dagelijkse werking van de maatschappij.
ð Overheidsinvesteringen
o Dit zijn uitgaven aan zaken die jarenlang meegaan.
o Uitgaven aan activa (bezittingen) die de productiecapaciteit en de
levenskwaliteit van een land op lange termijn verhogen.
o Deze uitgaven zorgen voor economische groei op de lange termijn. Ze
kosten nu veel geld, maar leveren over 10 of 20 jaar nog steeds voordeel
op.
3.2 Via transfers
Bij transfers geeft de overheid geld aan gezinnen of individuen zonder dat daar een
directe tegenprestatie tegenover staat. De overheid koopt dus niets, maar verplaatst
geld van de staatskas naar de portemonnee van de burger.
ð Kindergeld
o Een maandelijks bedrag om ouders te ondersteunen bij de kosten van het
opvoeden van kinderen. Het doel is om de financiële last voor gezinnen
met kinderen te verlichten.
ð Pensioenen
o Een inkomen voor mensen die gestopt zijn met werken vanwege hun
leeftijd. Dit zorgt ervoor dat ouderen koopkrachtig blijven en niet in
armoede vervallen.
ð Studietoelagen
o Financiële steun voor studenten (of hun ouders) met een lager inkomen.
o Dit heeft als doel om onderwijs voor iedereen toegankelijk te houden,
ongeacht de dikte van de portemonnee.
2