Hoofdstuk 1: inleiding tot het immuunsysteem (zie hoofdstuk 3 vorig semester)
Hoofdstuk 2: Het niet-specifieke immuunsysteem in detail
Het onmiddellijke en vroeg-geïnduceerde respons:
1. Complement systeem
= systeem dat bestaat uit 30 eiwitten die in inactieve vorm aanwezig zijn in het plasma
= doel = afdoden pathogenen m.o.
= alle eiwitten → C (complement) + nummer (1-9) = reflecteert moment van activatie
UITZ:
- B, D, P, H en I
- CA-esterase-remmer
- C4-bindend eiwit
➔ Complement activatie (3 fasen)
1ste fase: herkenningsfase
- Lectine pathway = Herkennen van PAMP’s (pathogen associated molecular patterns)
o Unieke molecules op pathogenen
o Nooit lichaamseigen
o Essentieel voor pathogeen → kan niet leven zonder dit molecule
o Pathogenen (zoals bact. evolueren zodanig, herkenning vermijden)
▪ Dankzij PAMP’s toch blijvend herkennen
(Voorbeelden → LPS, suikergroepen (mannose), flagelline (flagerl vn bacterie),
peptidoglycaan, dsRNA (geassocieerd met virussen),…)
PRR’s = pattern recognition receptors
- Herkennen PAMP’s
- Aanwezig op APC’s (= dendr. Macrofagen,…)
- Aanwezig in plasma (=MBML)
o Molecule die mannose herkend
o 4 subunits bijeengehouden door MASP
▪ Serine protease = knipt substraat aan serine
in actief centrum
o Conformatieverandering (eiwit andere opvouwing)
▪ Actief centrum komt vrij te liggen
o Geen conformatieverandering
▪ Actief centrum niet vrij = MBL is niet gebonden aan een lactine op
PAMP
,Tekening lectine & klassieke pathway:
- Klassieke pathway
o C1 bindt op opp pathogeen/met antilichamen op oppervlak
▪ 6 subunits
▪ Bindt op CRP van pathogeen
▪ C1r & C1s houden staarten bijeen
▪ IgM / IgG herkennen → beter IgM want pentameer
• IgM bij recente infecties + dichter bij elkaar
• IgG, moeten dicht bij elkaar zitten + minstens 800 IgG nodig
om complement systeem te activeren
▪ Als C1 gebonden is → conformatieverandering = AC vrij
• Start activatie
➔ Verschil met MBL = bindt met CRP en niet met lactine + kan ook antilichamen herkennen!
2e fase: enzymatische activatie
→ MASP/ C1s actief (serine protease) = cascadesysteem geactiveerd
- Serine protease knipt stukje van inactieve complementfactor → geactiveerd tot
actief serine protease → …. Denk aan lucifer
→ splitsing C4 (komt onmiddellijk na C1/ MASP)
- Splits in C4a en C4b
o C4a = klein fragment wordt vrijgesteld
o C4b = groot fragment bindt C1-Al complex
o C4b bindt C2 → splits in C2a (vrijgesteld) & C2b (blijft ook aan dit complex)
= C4b2b complex !!
= C3 convertase (= enzym instaat om serine om te zetten in C3b en C3a
vrijgesteld)
- C3b !!!!
o Wordt overal op pathogeen geplaatst → op oppervlakte zetten
o Effectomechanisme van start laten gaan !!
Tekening 2e fase:
Alternatieve pathway = enige dat je moet weten is, heel veel C3b = amplificatielus = grotere
hoeveelheiden C3b
,3e fase: effectormechanisme => 3 manieren om pathogeen te verwijderen
1. Oppsonisatie van pathogeen
o C3b zorgt voor oppsonisatie
o C3b receptoren in effectorcellen die C3b herkennen en binden = fagocytose
▪ 4 versch. C3b receptoren gekend (CR1, CR2, CR3 en CR4)
o Verhoogde activatie van immuuneffectorcel (B-cel) door CR2 (receptoren)
▪ Humorale respons opgewekt
Tekening:
2. Celdestructie
o C4b2b complexen bindt met Cb3 = C4b2b3b complex → C5 convertase
▪ C5 splitst in C5a (vrijgesteld) en C5b (destructie vd cel)
▪ C5b ook op pathogeen → bindt C6 → bindt C7
▪ C5b + C6 + C7 = hydrofoob/apolair
= nestelen in lipide dubbellaag vn celmembraan
▪ C8 komt erbij → C9 binden = MAC
• Hydrofobe buitenkant & hydrofiele binnekant
• Kanaal voor ionen en water = vernietigen cel !!
3. Afgesplitste complementfactoren → lokale inflamatie
o anafylatoxies = veroorzaken biologisch. Effecten → C5a meest stabiel
(hoogste activiteit)
▪ Contractie glasse spieren = permeabiliteit vd vaten stijgt (C5a en C3a)
▪ Activatie endotheelcellen = verhoogde expressie vn adhesiemoleculen
(C5a en C3a)
▪ Degranulatie mastcellen & basofielen = histamine + TNFa = pro-
inflammatoir (C5a en C3a)
▪ Chemotactische factor = neutrofielen + monocyten naar plaats van
infectie (C5a)
, Controlemechanismen = GEEN lichaamseigencellen aanvallen
- Regulatorische eiwitten (voorkomen schade aan eigen cellen)
o Bv. CD59 protectine = membraan eiwit van alle lichaamseigen cellen
o Voorkomt binding van C9
o Geen MAC gevormd = geen opening door membraan voor ionen en water
2. Cellulaire respons
Rol van monocyten/macrofagen:
→ Migreren naar de weefsels
→ Differentiëren tot macrofagen
→ Macrofagen in alle weefsels = vormen samen MPS (mononucleair fagocyterend systeem)
- Gevormd debris in weefsel opruimen (resten na immuunrespons)
- Weefsel beschermen tegen potentiële indringers
- Eerstelijnsverdediging
→ Verschillende functies van macrofagen
- Fagocytose
o Afval verwijderen
o Pathogenen fagocyteren
- Pro-inflammatoire cytokines uitsturen
- Antigeen presentatie (APC)
→ Enkel gevaarlijke indringers mogen leiden tot immuunrespons
- Door PAMP herkend
o Pathogen associated molecular patterns (herkend als pathogeen door
immuunsysteem)
o Blijven aanwezig ondanks evoultie bacterie
→ APC (antigeen presenterende cellen)
- Dendritische cellen (professionele)
- Monocyten/ macrofagen
- B-lymfocyten
o Diff tot plasmacellen en die maken antilichamen
o Mechanisme waarbij de T-cel en B-cel elkaar herkennen
- Op APC → PRR’s = pattern recognition receptors
o Herkennen PAMP’s op bacteriën
Grote verschil met complement system:
➔ Compl = PRR zitten in oplosbare plasma
➔ Cellulair = PRR zitten vast op de APC’s