Volledige Examen Samenvatting
Thomas More | Academiejaar 2025-2026 | Docent: Christa Raemdonck
Inhoud
H1: Kostenbegrippen & Kostprijscomponenten
H2: Break-even Analyse (CVP)
H3: Kostprijsberekening (Job Order & Process Costing)
H4: Activity Based Costing (Rate-based & Time-driven)
H5: Standard, Normal & Actual Costing
H6: Verschillenanalyse (Variantie-analyse)
H7: Investeringsselectie
H8/9: Omzetprognoses & Klantwinstgevendheid
,HOOFDSTUK 1 — Kostenbegrippen &
Kostprijscomponenten
1.1 Definitie van Kosten
Kosten = middelen die doelmatig werden of zullen worden ingezet in een onderneming.
• Doelmatig: werkelijk nodig voor het productieproces (bv. geen breakdownkosten)
• Kostendrager/Kostenobject: het product, dienst of object waarvoor kosten worden bijgehouden
• Voorgecalculeerde kostprijs: ex ante, opgesteld vóór de activiteit
• Nagecalculeerde kostprijs: ex post, opgesteld na de activiteit op basis van historische data
1.2 Kostenindeling
A. Directe vs. Indirecte Kosten (Kostenbestemming)
Directe kosten Rechtstreeks toewijsbaar aan de kostendrager. Duidelijk
oorzakelijk verband. Bv. grondstofkosten, directe arbeidskosten.
Indirecte kosten Niet rechtstreeks toewijsbaar. Worden verdeeld via een
verdeelsleutel. Bv. afschrijvingen machines, energiekosten
fabriek, admin- en verkoopkosten.
Opmerking: Materialiteit bepaalt soms of een kost direct of indirect wordt behandeld (bv.
facturatiepapier bij Bol.com = indirect want opvolging is niet kosten-efficiënt).
B. Vaste vs. Variabele Kosten (Kostengedrag)
Vaste kosten (FK) Veranderen NIET bij wijziging productievolume (binnen
capaciteitsgrenzen). Bv. afschrijvingskosten gebouw. Per
eenheid: dalend bij hogere productie.
Variabele kosten (VK) Veranderen EVENREDIG met het productievolume. Per eenheid:
constant. Bv. directe materialen, directe arbeid.
Semi-variabele kosten Hebben zowel een vast als variabel deel. Bv. machinekosten:
afschrijving is vast, energieverbruik is variabel.
Semi-vaste kosten Vast binnen een bepaald bereik, maar stijgen sprongsgewijs bij
overschrijding van een grens. Bv. extra machine, extra
productiehal.
C. Productiekosten vs. Niet-productiekosten
Productiekosten (= integrale productiekostprijs)
1. Directe materiaalkosten (grondstofkosten)
, 2. Directe arbeidskosten
3. Indirecte productiekosten (vaste + variabele)
Niet-productiekosten
Pre-productiekosten: R&D, design
Post-productiekosten: marketing, distributie, klantenservice
Andere: algemeen beheer, boekhouding, juridische dienst, IT
1.3 Totale Kostprijs vs. Integrale Productiekostprijs
Totale kostprijs ALLE kosten (productie + niet-productie). Gebruikt voor interne
prijszetting en winstbepaling.
Integrale productiekostprijs ENKEL productiekosten (directe mat. + directe arbeid + indirecte
(Full Costing) productiekosten). Gebruikt voor voorraadwaardering en externe
rapportering.
Schema: Kostprijs van verkochte goederen
Directe materiaalkosten (verbruik) + Directe arbeidskosten + Indirecte productiekosten
= INTEGRALE PRODUCTIEKOSTPRIJS
+ BV goederen in bewerking (GIB)
- EV goederen in bewerking (GIB)
= Productie-KP afgewerkte goederen
+ BV afgewerkte producten
- EV afgewerkte producten
= Productie-KP VERKOCHTE producten
1.4 Schatten van Kostenfuncties (Regressie-analyse)
Kostenfunctie: y = a + bX (waarbij a = vaste kosten, b = variabele kost/eenheid cost driver, X = cost
driver)
De kleinste kwadratenmethode minimaliseert de som van de kwadraten van de residuele termen
(verticale afwijkingen van de datapunten).
Criteria voor keuze van cost driver
1. Economische verantwoording: is er een logisch oorzaak-gevolg verband?
2. Goodness of fit (R²): hoe kleiner de residuele termen, hoe beter de fit
3. Significantie van de onafhankelijke variabele: stijgt de lijn voldoende steil?