Biologische Antropologie – Boekdeel II
Antisociaal Gedrag door Biosociale Bril
Hoofdstukken I · II · III · IV · V · VI + Gastcolleges
,HOOFDSTUK 1 — Van Biologisch Positivisme naar
Biosociale Criminologie
1.1 Wat is biosociale criminologie? — het grote plaatje
Biosociale criminologie is een tak van de etiologische criminologie: de wetenschap die op zoek gaat naar
de oorzaken ('etiologie') en wetmatigheden achter crimineel en antisociaal gedrag. De naam zegt het al:
'bio' (biologie) + 'sociaal' (sociale omgeving). De kern is dat geen van beide factoren afzonderlijk
criminaliteit verklaart — het gaat steeds om de wisselwerking.
De discipline richt zich op drie grote thema's:
• Biosociale interacties: hoe beïnvloeden biologische en sociale factoren elkaar bij het tot stand komen
van antisociaal gedrag?
• Evolutiebiologie van criminaliteit en bestraffing: waarom bestaan antisociale gedragsstrategieën
überhaupt vanuit evolutionair oogpunt?
• Menselijke sociobiologie: hoe hebben evolutionaire krachten menselijk sociaal gedrag gevormd?
💡 KERNGEDACHTE: (Anti)sociaal gedrag is ALTIJD het resultaat van de wisselwerking tussen
biologische, psychologische en sociale factoren. Nooit enkel nature, nooit enkel nurture. Altijd
nature ÉN nurture.
De biosociale criminologie is ook relevant buiten de studie van antisociaal gedrag. Ze bestudeert ook: de
gevolgen van criminaliteit voor slachtoffers (mentaal welzijn, trauma), de individuele en
maatschappelijke neiging tot bestraffen (strafneiging), en de biologische basis van prosociaal gedrag.
1.2 De twee complementaire hoofdstromingen in de criminologie
De oorzakenleer in de criminologie heeft twee hoofdstromingen die lange tijd tegenover elkaar stonden
maar in feite complementair zijn:
A) Het classicisme — de rationele mens
Het classicisme is gebaseerd op de Verlichtingsfilosofen van de 18e eeuw: Cesare Beccaria, Jeremy
Bentham, John Locke, Immanuel Kant en David Hume. De centrale gedachte is die van de 'homo
economicus': de rationele mens die vrij is in zijn keuzes en altijd een kosten-batenanalyse maakt.
➤ Classicisme: criminologische school (18e–vroeg 19e eeuw) die uitgaat van de vrije wil en de
rationele mens als beslisser. Criminaliteitspreventie verloopt via het manipuleren van de straf: als de
straf zwaarder is dan de winst, kiest de rationele mens voor conformiteit. Grondlegger in de praktijk:
Cesare Beccaria (Italië) en Jeremy Bentham (Engeland).
➤ Homo economicus: het mensbeeld van de rationele actor die bewust afweegt wat hem het
meeste oplevert. Basis van het classicisme en van de hedendaagse economische benadering van
criminaliteit.
➤ Vrije wil: het filosofische begrip dat mensen zelfstandig en bewust kunnen kiezen hoe ze
handelen, ongeacht biologische of sociale druk. Het classicisme gaat volledig uit van de vrije wil. Het
positivisme stelt deze ter discussie.
Bentham was genuanceerder dan het cliché doet vermoeden: hij erkende dat uitspraken over vrije wil in
zijn tijd nog voorzichtig moesten zijn gezien de beperkte wetenschappelijke kennis. Maar hij geloofde
dat mensen van nature beslissers zijn die kosten en baten in kaart brengen. Het classicisme had weinig
oog voor biologie en individuele verschillen — iedereen was in principe 'gelijk' voor de wet.
,Het classicisme legde wel de basis voor het moderne strafrecht: proportionele straffen, wetmatigheid
van straffen, en het principe dat straf rechtvaardig en voorspelbaar moet zijn.
B) Het 19e-eeuwse positivisme — op zoek naar wetmatigheden
➤ Positivisme: wetenschappelijke stroming die ervan uitgaat dat alle verschijnselen, inclusief
menselijk gedrag, onderworpen zijn aan objectieve, meetbare wetmatigheden. In de criminologie:
criminaliteit heeft oorzaken die empirisch onderzocht en vastgesteld kunnen worden. Het
positivisme verwierp de vrije wil als verklaring voor gedrag.
Het positivisme kende drie varianten die samen de criminologische wetenschap hebben gevormd:
• 1. Biologisch positivisme: oorzaken in biologische, constitutionele en erfelijke factoren van het individu
• 2. Psychologisch positivisme: oorzaken in psychologische kenmerken zoals persoonlijkheid en
intelligentie
• 3. Sociologisch of sociaal positivisme: oorzaken in de sociale leefomgeving (armoede, slechte
opvoeding)
Het positivisme stelde de cruciale vraag: wie is toerekeningsvatbaar? Als gedrag niet voortkomt uit vrije
wil maar uit biologische of sociale 'defecten', hoe kan men iemand dan verantwoordelijk stellen? Dit
leidde tot grote veranderingen in het strafrecht (zie verder: Sociaal Verweer).
📌 EXAMEN: Het onderscheid classicisme vs. positivisme is fundamenteel voor het examen.
Classicisme = vrije wil + rationele actor + straf als afschrikking. Positivisme = determinisme +
oorzaken zoeken + behandeling op maat.
1.3 Biologisch positivisme: een mislukte start
Het biologisch positivisme had een veelbelovend vertrekpunt maar begon met een reeks fundamentele
fouten die de hele discipline decennialang in diskrediet zouden brengen.
De drie grote fouten van het vroege biologisch positivisme
• 1. Te deterministisch: men geloofde dat biologie het lot van het individu volledig bepaalde, zonder
ruimte voor omgeving of vrije wil
• 2. Misinterpretatie van Darwin: 'survival of the fittest' werd vertaald als 'de sterkste overleeft', maar
Darwin bedoelde 'degene die het best aangepast is aan de omgeving'. Selectie is een zeef, geen
krachtmeting.
• 3. Onbekendheid met genen: het concept 'gen' bestond niet in de 19e eeuw. Men sprak over 'erfelijke
factoren' zonder te weten wat dat precies waren.
💡 MISVATTING: 'Survival of the fittest' = de sterkste overleeft. FOUT. Het betekent: de best
aangepaste aan de omgeving. Een klein, slim wezentje dat zich perfect aanpast overleeft beter dan
een grote, sterke maar inflexibele soort.
'Biologisch deterministen' meenden dat criminelen niet waren aangepast aan de moderne omgeving. Ze
waren evolutionair achtergebleven — een soort levende fossielen. Dit leidde tot twee centrale
begrippen:
➤ Atavisme: het terugkeren van voorouderlijke, primitieve kenmerken bij bepaalde individuen
nadat die kenmerken enkele generaties afwezig waren. Lombroso beschouwde criminelen als
'atavisten': mensen die evolutionair teruggevallen waren naar een primitievere, 'wilde' toestand.
Atavistische kenmerken zijn bv. de schedelvorm van Neanderthalers: robuust, met sterke
wenkbrauwbogen, grote kaken. Deze kenmerken waren ooit adaptief maar zijn dat nu niet meer.
➤ Degeneratie: het proces waarbij een individu of familie over generaties 'achteruitgaat' op
biologisch, mentaal of moreel vlak. Ontaarding. Men veronderstelde dat criminaliteit,
, zwakzinnigheid en andere 'gebreken' het gevolg waren van erfelijke degeneratie die zich over
generaties versterkte.
Biologische afwijkingen (atavisme en degeneratie) lagen volgens de vroege biologische positivisten aan
de basis van recidivisme: de verstokte misdadiger die steeds opnieuw in de fout gaat, was biologisch
gedetermineerd tot dit gedrag.
Voorlopers van het biologisch positivisme
➤ Fysionomie / Fysiognomie: pseudowetenschap, gesticht door Jean Baptiste (die lijken van daders
bestudeerde). Veronderstelde dat uit de uitwendige kenmerken van een persoon (gezichtstrekken,
lichaamsbouw) iets afgeleid kon worden over het karakter, de psychische capaciteit en de criminele
geneigdheid. Het onzichtbare (mentale staat) zichtbaar maken via het zichtbare (gelaat).
Wetenschappelijk volledig ontkracht, maar intuitief leven we hier nog steeds mee: 'je kunt het aan
zijn gezicht zien'.
➤ Frenologie (cranioscopie): pseudowetenschap van Franz Joseph Gall (1758-1828) en Johann
Gaspar Spurzheim (1776-1832). Stelde dat de bulten en knobbels op de schedel de persoonlijkheid,
intellectuele vermogens en morele eigenschappen weerspiegelen. Elk hersengebied zou
verantwoordelijk zijn voor een specifieke eigenschap, en de omvang zou zichtbaar zijn via de
schedelvorm. Hoewel volledig ontkracht, had frenologie een historisch belang: het introduceerde
het idee dat de hersenen de zetel zijn van gedrag en persoonlijkheid — dat klopt wél.
Gall was geïnteresseerd in de ontwikkeling van het brein en had een legitieme wetenschappelijke vraag
(hoe hangen hersenen samen met gedrag?), maar zijn antwoord (schedelmeting) was incorrect.
Spurzheim populariseerde de frenologie in Europa en Amerika.
1.4 Cesare Lombroso en de criminele antropologie
Het werk van Lombroso
Cesare Lombroso (1835-1909) is de grondlegger van de criminele antropologie en ontegensprekelijk een
van de meest invloedrijke én meest bekritiseerde figuren in de criminologiegeschiedenis. Als arts bij het
Italiaanse leger deed hij systematisch empirisch onderzoek naar de lichamelijke kenmerken van
gedetineerden — het eerste laboratoriumwerk van de criminologie was de gevangenis.
Zijn magnum opus 'L'Uomo Delinquente' (De Geboren Crimineel) presenteerde de These dat criminelen
herkenbaar zijn aan fysieke kenmerken die teruggaan op primitieve voorouders. Hij was de stichter van
de Italiaans-antropologische school en startte een empirische traditie die, ondanks alle fouten, de
wetenschappelijke criminologie deed ontstaan.
➤ Criminele antropometrie: de wetenschap die zich toelegde op het meten en verhoudingen
bestuderen van het menselijk lichaam om daders al vroeg te kunnen onderscheiden van niet-daders.
Lombroso mat schedels, gezichten, ledematen, etc. van gevangenen en zocht naar patronen.
Lombroso's atavisme-theorie hield in dat de 'geboren crimineel' (l'uomo delinquente) herkenbaar was
aan:
• Schedelvorm: asymmetrisch, groot, met bepaalde knobbels
• Gelaatstrekken: uitstekende kaken, grote oren, vlak neusje, hoge jukbeenderen
• Lichaamskenmerken: tatoeages (als 'primitief gedrag'), gevoeligheid voor pijn
Lombroso had geen vrij wil — hij geloofde in biologisch determinisme: de crimineel kan er niets aan
doen maar is gevaarlijk voor de samenleving. Dit leidde tot zijn pleidooi voor het 'Oud Sociaal Verweer':
de samenleving moest zichzelf beschermen, ook al was de misdadiger zelf niet schuldbaar.
💡 HISTORISCH BELANG: Lombroso's theorieën bevestigden raciale stereotypen (atavisme bij
bepaalde 'rassen') en lagen mede aan de basis van de eugenetica. Dit is een centrale reden waarom