• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 106 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Economisch Recht | 25-26 |Lessen, powerpoints en arresten

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 106 pagina's

Samenvatting van het vak Economisch recht De lessen, delen van het boek, de powerpoints én de arresten worden uitvoerig besproken. Stuur mij privé voor een betere prijs :)

Voorbeeld van de inhoud

DEEL 1. AANKOPINGSPUNTEN
ECONOMISCH RECHT
H2: ONDERNEMING IN DE ZIN VAN BOEK I

Art. I.1 WER

a. NP met zelfstandige beroepsactiviteit
b. Iedere RP, tenzij publiekrechtelijke die geen goederen of diensten aanbiedt op markt
c. Iedere andere organisatie zonder RPheid, tenzij geen uitkeringsoogmerk

A. NP MET ZELFSTANDIGE BEROEPSACTIVITEIT

Een persoon is pas een onderneming wanneer hij of zij zelfstandig, beroepsmatig en met een zekere organisatie
handelt.

Dat betekent:
Een werknemer of ambtenaar is geen onderneming, want die handelt niet zelfstandig maar binnen een
arbeidsovereenkomst of statuut.

Een persoon handelt als onderneming wanneer hij voor eigen rekening optreedt en zelf het financiële risico draagt. Een
eenmalige verkoop tussen particulieren, zoals je oude stereo verkopen, is dus geen onderneming. Maar als je regelmatig
goederen koopt en verkoopt, kan dat wel een beroepsmatige activiteit worden.

Een beroepsactiviteit vereist meestal:
 enige regelmaat;
 duurzaamheid;
 organisatie;
 doel om inkomen te verwerven.

Bij deeleconomie is iemand niet automatisch een onderneming. Iemand die via een platform af en toe iets uitleent of
verkoopt zonder echt inkomen na te streven, is meestal geen onderneming. Maar als de activiteit duurzaam,
georganiseerd en inkomensgericht wordt, kan het wel een onderneming zijn.

Bij bestuurders en zaakvoerders was er discussie. Sommige hoven vonden dat een bezoldigd bestuursmandaat een
beroepsactiviteit is en dus tot ondernemerschap kan leiden. Andere rechters vonden dat een bestuurder geen
onderneming is, omdat hij handelt voor rekening van de vennootschap en niet zelf goederen of diensten aanbiedt op de
markt.

Het Hof van Cassatie van 18 maart 2022 heeft verduidelijkt dat een natuurlijke persoon pas onderneming is als hij een
eigen organisatie heeft: dus een eigen geheel van materiële, financiële of menselijke middelen om zelfstandig een
beroepsactiviteit uit te oefenen. Een gewone bestuurder of zaakvoerder heeft die zelfstandige organisatie meestal niet,
omdat hij handelt binnen de organisatie van de rechtspersoon.
Conclusie: bezoldigde bestuurders en zaakvoerders zijn in de regel zelf geen ondernemingen.

Belangrijk onderscheid:
 Wel onderneming: vrije beroepen, zelfstandigen met georganiseerde beroepsactiviteit.
 Niet onderneming: werknemers, ambtenaren, gewone particulieren, onbezoldigde VZW-bestuurders, normaal
beheer van privévermogen, geïsoleerde handelingen.
De kern is dus:
Niet de activiteit alleen is doorslaggevend, maar vooral of er sprake is van een zelfstandige, duurzame en
georganiseerde beroepsactiviteit.



1

,B. IEDERE RP, MET UITZONDERING VAN PUBLIEKRECHTELIJKE RP DIE GEEN GOEDEREN OF
DIENSTEN AANBIEDEN OP EEN MARKT

De reden waarom het ondernemingsbegrip zo breed is geworden, hangt samen met de hervorming van het
vennootschaps- en verenigingsrecht.

Vroeger was het onderscheid tussen een burgerlijk doel en een commercieel doel belangrijk. Dat onderscheid is
grotendeels verdwenen. Daardoor geldt nu in principe:

Elke privaatrechtelijke rechtspersoon is een onderneming, ongeacht haar doel.

Dus ook een vzw kan een onderneming zijn, ook al streeft ze geen winstuitkering na. De wet gaat ervan uit dat een
rechtspersoon normaal gezien een georganiseerde en beroepsmatige activiteit uitoefent.

Bij privaatrechtelijke rechtspersonen is er dus een vermoeden dat ze onderneming zijn.

Bij publiekrechtelijke rechtspersonen ligt dat anders. Zij worden in principe niet als onderneming beschouwd, behalve
wanneer ze goederen of diensten op de markt aanbieden. Maar voor bepaalde overheden geldt zelfs daarop een
uitzondering.

De volgende entiteiten zijn geen onderneming, zelfs als ze goederen of diensten aanbieden:
 federale staat;
 gewesten;
 gemeenschappen;
 provincies;
 gemeenten;
 OCMW’s;
 bepaalde territoriale organen en zones.

De reden daarvoor is dat het publiekrecht al voldoende controlemechanismen biedt, zoals democratische controle en
verkozen bestuursorganen.

Kort gezegd:
Privaatrechtelijke rechtspersoon = meestal onderneming.
Publiekrechtelijke rechtspersoon = meestal geen onderneming.
Klassieke overheden = geen onderneming, zelfs niet bij marktactiviteiten.

C. IEDERE ANDERE ORGANISATIE ZONDER RP, TENZIJ DIE GEEN UITKERINGSOOGMERK HEEFT


Hier gaat het over organisaties zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, feitelijke vereniging, jeugdvereniging
of sportvereniging.

Deze organisaties zijn alleen een onderneming als ze een soort for profit-karakter hebben. Dat betekent vooral: er is een
uitkeringsoogmerk of er gebeuren effectief uitkeringen aan leden of personen die beslissende invloed hebben.

Een organisatie zonder rechtspersoonlijkheid is dus geen onderneming wanneer ze:
 geen uitkeringsoogmerk heeft;
 geen winst uitkeert aan leden;
 geen voordelen geeft aan beslissingsmakers zonder normale tegenprestatie.
Daarom zijn gewone jeugd- en sportverenigingen meestal geen onderneming. Zij mogen wel inkomsten hebben of winst
maken voor hun werking, maar die winst mag niet aan leden worden uitgekeerd.

Een uitkering betekent ruim bekeken: elke overdracht van geld, goederen of voordelen waardoor leden of
beleidsbepalers verrijkt worden zonder normale tegenprestatie. Bijvoorbeeld: activa overdragen, schulden overnemen
2

,of voordelen geven aan niet-marktconforme voorwaarden.

Belangrijk: bij deze categorie gebruikt de wetgever dus toch een meer materieel criterium, namelijk het for profit-
karakter. Dat is wat vreemd, omdat het ondernemingsbegrip eigenlijk formeler en breder bedoeld was.

Gevolg van het brede ondernemingsbegrip:
Het onderscheid tussen economische en niet-economische activiteit vervaagt. “Onderneming” betekent niet altijd
meer: iemand die economisch actief is op de markt. Het wordt eerder een algemene juridische aanknopingsfactor voor
deelnemers aan het rechtsverkeer.

Vrije beroepen vallen nu ook gewoon onder het ondernemingsbegrip. Het aparte Boek XIV WER werd afgeschaft.
Maar let op: voor Boek IV, V en VI WER blijft het oude, meer economische ondernemingsbegrip belangrijk.

Daar geldt onderneming als:
elke natuurlijke of rechtspersoon die duurzaam een economisch doel nastreeft.

Voor Boek VI wordt dit door arresten zoals BKK Mobil Oil en Höfner en Elser ruimer ingevuld: ook een publiekrechtelijke
of algemeenbelanginstelling kan onderneming zijn zodra ze een activiteit tegen betaling uitoefent.

De kern:
Algemeen ondernemingsbegrip = zeer breed en formeel.
Boek IV, V en VI WER = meer economisch gericht, bedoeld om marktactiviteiten te regelen.


ONDERNEMING IN HET MEDEDINGINGSRECHT
Basis kartelrechtelijk ondernemingsbegrip: ‘elke natuurlijke of rechtspersoon die op duurzame wijze een
economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen’. art. I.6, 12° WER

BKK Mobil Oil was een Duits ziekenfonds dat misleidende reclame maakte om leden te behouden. Het Hof
besliste dat ook een publiekrechtelijke instelling met een sociale taak als onderneming/handelaar kan
worden beschouwd wanneer zij zich tegenover consumenten als marktdeelnemer gedraagt. Het arrest
toont aan dat het ondernemingsbegrip afhankelijk is van de finaliteit van de regelgeving: voor kartelrecht is
BKK mogelijk geen onderneming, maar voor oneerlijke handelspraktijken wel, omdat daar
consumentenbescherming centraal staat.



ONDERNEMING IN ZIN VAN BOEK IV EN V WER ( MEDEDINGING SENSU STRICTO)

Boek IV:
Boek V: art. I.7, 2° WER


FUNCTIONEEL RUIM ONDERNEMINGSBEGRIP
Art. 101-102 VWEU: gaat over afspraken tussen ondernemingen ifv doelstellingen ondernemingsbegrip
bepalen.
Basis ondernemingsbegrip: arrest Höfner & Elser  doel = alle entiteiten die een zekere negatieve invloed
kunnen hebben op de markt deze te verbieden.

HvJ Höfner & Elser: Een onderneming in het mededingingsrecht is elke eenheid die een economische activiteit uitoefent,
ongeacht haar rechtsvorm of financiering.




3

, ECONOMISCHE ACTIVITEIT

Commissie t. Italië leert dat een economische activiteit bestaat uit het aanbieden van goederen of diensten
op een markt. Het ondernemingsbegrip is ruim omdat het mededingingsrecht iedereen moet kunnen
vatten die de concurrentie op een markt kan beïnvloeden.

Voor het mededingingsrecht wordt het begrip onderneming heel ruim en functioneel ingevuld.
De vraag is vooral: Kan deze persoon of organisatie de mededinging op de markt beperken?
Zo ja, dan moet die als onderneming worden beschouwd en valt die onder het mededingingsrecht.
Daarom zijn ook vrije beroepsbeoefenaars ondernemingen. Advocaten, architecten enz. bieden gewoonlijk
diensten aan tegen vergoeding en dragen zelf het financiële risico van hun activiteit.
Ook overheidsondernemingen kunnen ondernemingen zijn wanneer ze economische activiteiten
verrichten.

Daarnaast vallen ook ondernemingsverenigingen onder het mededingingsrecht. Artikel 101 VWEU verbiedt
namelijk niet alleen afspraken tussen ondernemingen, maar ook besluiten van ondernemingsverenigingen
die de mededinging beperken.
Voorbeelden:
 Een beroepsvereniging van bakkers mag geen kostencalculatiemodel verspreiden dat er in de
praktijk toe leidt dat alle bakkers hun broodprijzen op dezelfde manier verhogen. Dat beperkt de
prijsconcurrentie.
 Ook een Orde van Architecten mag geen richtprijs opleggen of afdwingen. Een richtprijs lijkt op
zich misschien vrijblijvend, maar zodra architecten gesanctioneerd worden omdat ze onder die
richtprijs werken, wordt het feitelijk een bindende minimumprijs. Dat is verboden.

Ook koepelverenigingen van ondernemingsverenigingen kunnen onder het verbod vallen.
Bij sportfederaties hangt het af van de activiteit. Sport kan economisch zijn wanneer er diensten tegen
vergoeding worden aangeboden. Een sportfederatie is dus niet altijd vrijgesteld van het
mededingingsrecht.

Belangrijk onderscheid:
 Wanneer een sportfederatie zuiver regels maakt voor een legitiem sportief doel, zoals
dopingbestrijding, kan dat buiten het verbod vallen.
 Wanneer ze commerciële activiteiten organiseert, zoals betalende wedstrijden of evenementen,
kan ze wél als onderneming worden beschouwd.
 Voorbeeld: een automobielclub die mee overheidstaken uitvoert, is daarvoor geen onderneming.
Maar als diezelfde club op commerciële wijze motorcrosswedstrijden organiseert, is ze voor die
activiteit wel een onderneming.

De kern: In het mededingingsrecht kijkt men niet naar het statuut van de organisatie, maar naar de
concrete activiteit. Zodra een activiteit economisch is en de mededinging kan beïnvloeden, is er sprake van
een onderneming.



ONDERWIJS
Onderwijs = overheidstaak of economische activiteit?  criterium: hoofdzakelijk gefinancierd door overheid of
door particuliere middelen?
Wirth: Wirth leert dat onderwijs geen economische activiteit is wanneer het hoofdzakelijk door de overheid
wordt gefinancierd. Wordt het onderwijs vooral betaald met private middelen, dan is er wel een economische
4

Inhoudsopgave

  1. 01 DEEL 1. AANKOPINGSPUNTEN ECONOMISCH RECHT 1
    1. FUNCTIONEEL RUIM ONDERNEMINGSBEGRIP 3
    2. ONDERWIJS 4
    3. A. TAKEN ONDER OVERHEIDSGEZAG 5
    4. Toepassing op de activiteiten 5
    5. C. ACTIVITEITEN TER UITVOERING VAN EEN WETTELIJKE OF BESTUURSRECHTELIJKE OPGEDRAGEN TAAK 6
    6. D. TAKEN VAN ZUIVER SOCIALE AARD 6
    7. E. WERKNEMERS 7
    8. F. CAO’S 7
    9. G. KOPER MAAR GEEN AANBIEDER OP DE MARKT 9
  2. 02 DEEL 2. HANDELS- EN MARKTPRAKTIJKEN 17
    1. UITSLUITINGEN UIT TOEPASSINGSGEBIED PREAMBULE: 19
    2. UITSLUITINGEN UIT TOEPASSINGSGEBIED RICHTLIJN 21
    3. Superkort: Gezamenlijk aanbod mag niet automatisch verboden worden. Het moet concreet worden getoetst aan misleiding, agressie of oneerlijkheid. 22
    4. Superkort: Zuiver B2B = buiten de richtlijn. Ook maar deels B2C = richtlijn oneerlijke handelspraktijken is van toepassing. 22
    5. Superkort: Geschenk of winstkans bij aankoop = handelspraktijk, maar niet automatisch oneerlijk. Altijd concrete toetsing nodig. 22
    6. Superkort: Misleiding = foutieve info + mogelijke invloed op consument. “Besluit over transactie” is ruim: ook naar de winkel gaan telt mee. 22
    7. Superkort: Advertorial = mogelijk misleidend. Adverteerder promoot eigen product = handelspraktijk. Gratis uitgever promoot niet zijn eigen product = niet automatisch handelspraktijk van de uitgever. 23
    8. TOEPASSINGSGEBIED 24
    9. VERPLICHTE REFERENTIEPRIJS 25
    10. PROGRESSIEVE PRIJSVERMINDERING 25
    11. UITZONDERINGEN 26
    12. Superkort: Volledige EU-harmonisatie = lidstaten mogen niet zomaar extra regels maken. Bij prijsverminderingen geldt vooral: geen misleiding van de consument. 26
    13. Superkort: Geen voorafgaande toestemming als dat neerkomt op automatisch verbod. Eerst concreet toetsen aan oneerlijkheid. 27
    14. SPERPERIODES (ART. VI.29 WER) 27
    15. UITPUTTING VOORRAAD 27
    16. Superkort: Laptop + software = gezamenlijk aanbod, maar toegestaan als de consument vooraf duidelijk weet wat hij koopt en tegen welke totale prijs. 30
    17. Superkort: Juiste reclame kan toch misleidend zijn als essentiële context ontbreekt. 30
    18. Superkort: Niet elke mogelijke misleiding volstaat. Je kijkt naar de redelijke verwachting van de gemiddelde Europese consument. 30
    19. Superkort: Misleiding toets je aan de gemiddelde consument, niet aan de meest kwetsbare of de meest kritische consument. 30
    20. Superkort: Correcte ingrediëntenlijst ≠ automatisch geen misleiding. Als de verpakking een verkeerde indruk wekt, kan het toch misleidend zijn. 30
    21. Superkort: 31
    22. Superkort: Grote maandprijs + kleine verborgen extra kosten = mogelijk misleidend. Niet alleen de inhoud telt, maar ook de presentatie. 31
    23. Misleidende handelspraktijken onder alle omstandigheden 31
    24. Superkort: Prijs gewonnen? Dan moet die gratis zijn. Moet de consument kosten maken, dan is het een verboden agressieve handelspraktijk. 32
    25. Oneerlijke handelspraktijken jegens andere personen dan consumenten : B2B 32
    26. Art. VI.104 WER: algemene B2B-norm 32
    27. Verboden is elke daad die strijdig is met de eerlijke marktpraktijken en die de beroepsbelangen van een andere onderneming schaadt of kan schaden. 32
    28. Dit lijkt op art. 1382 BW: 32
    29. fout + schade of mogelijke schade + oorzakelijk verband 32
    30. Voorbeelden: 32
    31. verkoop met verlies van diensten; 32
    32. afwerving van personeel; 32
    33. derde-medeplichtigheid aan contractbreuk; 32
    34. parasitaire concurrentie; 32
    35. marktbederf; 32
    36. onwettige mededinging. 32
    37. Art. VI.105 WER: misleidende reclame B2B 32
    38. Misleidende reclame tegenover ondernemingen is verboden. 32
    39. Dat kan ook gaan om misleiding door omissie, dus essentiële informatie weglaten. 32
    40. Het criterium is hier niet de gemiddelde consument, maar de gemiddelde persoon/onderneming tot wie de reclame gericht is. Men verwacht van ondernemingen doorgaans meer kennis dan van consumenten. 32
    41. Art. VI.106 WER: specifieke misleidende praktijken 32
    42. Verboden zijn onder meer: 32
    43. facturen sturen die doen alsof er al iets besteld is; 32
    44. de commerciële bedoeling verbergen; 32
    45. essentiële informatie verzwijgen over de gevolgen van een antwoord. 32
    46. Art. VI.107 WER: afgedwongen verkoop B2B 32
    47. Dit gaat vooral over ongevraagde leveringen of misleidende reclametransacties. 32
    48. Voorbeeld: een onderneming vraagt zogezegd om adresgegevens te controleren voor een beursgids, maar achteraf blijkt dat het een betalende advertentieovereenkomst is. Dan moeten prijs, duur en betalend karakter duidelijk vermeld zijn. 32
    49. Art. VI.109 WER: piramideverkoop 32
    50. Piramidesystemen tussen ondernemingen zijn verboden wanneer de vergoeding vooral afhangt van het aanbrengen van nieuwe deelnemers. 32
    51. Vergelijkende reclame 32
    52. Vergelijkende reclame kan in B2B en B2C voorkomen. Ze is reclame waarbij een concurrent of diens producten/diensten expliciet of impliciet worden genoemd. 32
    53. Ze mag niet misleidend of afbrekend zijn en moet aan wettelijke voorwaarden voldoen. 32
    54. Agressieve B2B-praktijken en landbouw/voedselketen 32
    55. Er zijn ook regels tegen agressieve marktpraktijken, gedwongen aankoop en oneerlijke praktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, bijvoorbeeld wegens economische afhankelijkheid van boeren tegenover grote afnemers. 32
    56. Art. 110 WER 32
    57. Ongewenste communicatie / spam 32
    58. Direct marketing via automatische oproepsystemen, fax of elektronische communicatie is in principe verboden zonder voorafgaande toestemming. 32
    59. Uitzondering: bestaande klantenrelatie, als drie voorwaarden vervuld zijn: 32
    60. contactgegevens zijn verkregen bij verkoop van een product of dienst; 32
    61. ze worden gebruikt voor gelijkaardige eigen producten of diensten; 32
    62. de klant kon zich gemakkelijk en gratis verzetten. 32
    63. Bij telefonische direct marketing bestaat ook de Bel-me-niet-meer-lijst. Wie daarop staat, mag niet voor direct marketing worden opgebeld. 32
    64. Kern: B2B-marktpraktijken verbieden oneerlijke, misleidende, agressieve of schadelijke gedragingen tussen ondernemingen. De basisregel is: ondernemingen mogen concurreren, maar niet op een manier die strijdig is met eerlijke marktpraktijken en de beroepsbelangen van anderen schaadt. 33
    65. Parasitaire concurrentie 33
    66. Aanhaken of parasitaire concurrentie = wanneer een onderneming de faam van een andere onderneming uitbuit zonder verwarring te stichten en zonder de verdiensten van de andere onderneming omlaag te halen (zonder slechtmaking) 33
    67. Londers criteria aanhaken: 33
    68. 1. de gekopieerde prestatie waarvoor bescherming wordt gevraagd, moet de vrucht zijn van creatieve inspanningen of investeringen van een voldoende belangrijkheid. 33
    69. 2. de gekopieerde prestatie moet een economische waarde hebben. 33
    70. 3. diegene die kopieert of imiteert moet een rechtstreeks voordeel putten uit de inspanningen van en investeringen van de andere onderneming 33
    71. 4. de aanhaker heeft zelf niet de minste creatieve inspanning geleverd 33
    72. Cass 29 mei 2009 33
    73. Kern: Slaafse nabootsing is in beginsel toegestaan, tenzij er IE-inbreuk is of begeleidende omstandigheden strijdig zijn met eerlijke handelsgebruiken. 33
    74. Nabootsing is in beginsel toegelaten. 33
    75. Onrechtmatig wordt het bij IE-inbreuk of begeleidende omstandigheden die indruisen tegen eerlijke handelsgebruiken. 33
    76. Louter voordeel halen uit inspanningen van een ander is nog niet genoeg. 33
    77. Londers aangescherpt 33
    78. Zelfs als er geen creatieve inspanning is, rechtstreeks voordeel wordt gehaald, belangrijke investeringen bestaan en economische waarde aanwezig is, is dat nog niet automatisch oneerlijk. 33
    79. Er moet iets méér zijn dan louter nabootsing, bijvoorbeeld onrechtmatige afwerving of ontfutselen van bedrijfsgeheimen. 33
    80. Derdemedeplichtigheid aan contractbreuk 33
    81. Wanneer de derde actief meewerkt aan de contractbreuk; 33
    82. Ook wanneer de derde wist of behoorde te weten dat hij door zijn handeling deelneemt aan een schending van het contract. 33
    83. Toepassing artikel VI.104 WER 33
    84. Vordering tot staking 33
    85. Boek XVII WER (zie ook Boek XV WER) 33
    86. In essentie ongewijzigd (ook t.a.v. Inbreuken op I.E.- rechten) 33
    87. Behoud uitbreiding van preventief bevel tot alle situaties 33
    88. Mogelijkheid voor de voorzitter om een termijn te gunnen 33
    89. Vordering tot staking tegen onderneming voor handelingen van haar agent 33
    90. Voorzitter stelt bedrag vast dat de partij aan wie een publicatiemaatregel werd toegekend en die de maatregel heeft uitgevoerd niettegenstaande het tijdig hoger beroep verschuldigd zal zijn aan de partij in wiens nadeel de publicatiemaatregel werd uitgesproken indien deze in beroep ongedaan wordt gemaakt 33
    91. Verkoop met verlies 33
    92. Verkoop met verlies betekent dat een onderneming goederen verkoopt onder de aankoopprijs of herbevoorradingsprijs. 33
    93. Volgens art. VI.116 WER is verkoop met verlies in principe verboden om eerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen te beschermen. Het gaat vooral om B2B en om goederen, dus lichamelijke roerende zaken. 33
    94. Bij de berekening van verlies mag men bepaalde kortingen aftrekken van de aankoopprijs, maar alleen kortingen die rechtstreeks verband houden met de aankoop van de goederen. Bijvoorbeeld volumekortingen kunnen meetellen. Betalingsbonussen of andere voordelen die niet rechtstreeks met de goederen verband houden, tellen niet mee. 33
    95. Bij een gezamenlijk aanbod kijk je niet product per product, maar naar het pakket als geheel. Bijvoorbeeld: “tweede kledingstuk aan -70%” moet globaal worden beoordeeld. 34
    96. Er zijn belangrijke uitzonderingen. Verkoop met verlies mag onder meer: 34
    97. bij solden of uitverkoop/opruiming; 34
    98. bij bederfbare goederen; 34
    99. bij goederen die door externe omstandigheden moeilijk verkoopbaar zijn, zoals beschadigde goederen, verouderde stock of seizoensproducten na het seizoen; 34
    100. om dwingende redenen van mededinging, bijvoorbeeld om te reageren op de lage prijzen van een rechtstreekse concurrent. 34
    101. Die laatste uitzondering is belangrijk: een onderneming mag haar prijsbeleid afstemmen op een concurrent, zolang er een echte concurrentiële relatie is en het om substitueerbare goederen gaat. 34
    102. Kern: Verkoop met verlies is normaal verboden, maar de wet laat uitzonderingen toe voor solden, uitverkoop, bederf, externe omstandigheden en concurrentiële noodzaak. Het doel is eerlijke B2B-marktpraktijken beschermen zonder normale concurrentie onmogelijk te maken. 34
    103. Beschikking Euronics: verkoop met verlies 34
    104. Superkort 34
    105. Europamur 34
    106. Superkort: Verkoop met verlies staat niet op de zwarte lijst. Dus geen algemeen verbod en geen automatisch vermoeden van oneerlijkheid. 34
    107. Is boek VI WER richtlijnconform? 34
    108. De vraag is of Boek VI WER volledig overeenstemt met de Europese richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Volgens de prof is dat twijfelachtig. 34
    109. De richtlijn heeft een heel ruim toepassingsgebied: alle B2C-handelspraktijken die rechtstreeks verband houden met verkoopbevordering, verkoop of levering van producten aan consumenten. Ze werkt bovendien met maximale én uitputtende harmonisatie. 34
    110. Dat betekent: 34
    111. Wat de richtlijn niet verbiedt, mogen lidstaten in principe ook niet algemeen verbieden. 34
    112. De richtlijn kent drie soorten verboden: 34
    113. praktijken op de zwarte lijst: altijd verboden; 34
    114. misleidende handelspraktijken; 34
    115. agressieve handelspraktijken; 34
    116. daarnaast de algemene norm als catch-all. 34
    117. Een lidstaat mag dus geen algemene verboden behouden die niet in de richtlijn staan, tenzij de praktijk individueel kan worden getoetst als misleidend, agressief of strijdig met professionele toewijding. 34
    118. Volgens de prof heeft België dit niet altijd correct toegepast. De Belgische wetgever probeerde sommige regels te behouden door te zeggen dat ze vooral B2B zijn, bijvoorbeeld om eerlijke concurrentie tussen ondernemingen te beschermen. Maar vaak hebben die regels ook een duidelijk B2C-effect, omdat ze het aankoopgedrag van consumenten beïnvloeden. 34
    119. Voorbeelden: 35
    120. Prijsaanduidingen 35
    121. Bepalingen die verder gingen dan de richtlijn zijn geschrapt. 35
    122. Cashbacktitels en kortingsbonnen 35
    123. Deze kunnen wel voorwaarden krijgen, zolang die nodig zijn om misleiding van de consument te vermijden, bijvoorbeeld duidelijke geldigheidsduur. 35
    124. Uitverkoop 35
    125. Regels over wanneer en hoe lang men “uitverkoop” mag gebruiken staan op gespannen voet met de richtlijn, omdat uitverkoop niet op de zwarte lijst staat. Een algemeen verbod is dus problematisch. 35
    126. Solden en sperperiode 35
    127. Volgens België waren die regels deels bedoeld om ondernemingen onderling te beschermen. Maar ze hebben ook invloed op consumenten, omdat ze prijscommunicatie en aankoopbeslissingen beïnvloeden. Daardoor vallen ze volgens de prof onder de richtlijn en zijn algemene verboden moeilijk richtlijnconform. 35
    128. Verkoop met verlies 35
    129. Ook dit beïnvloedt consumenten, bijvoorbeeld via lokprijzen. Een algemeen per se-verbod is daarom volgens de richtlijn problematisch. Dat volgt ook uit rechtspraak zoals Euronics en Europamur. 35
    130. De prof vindt dus dat Boek VI WER nog te veel vertrekt vanuit oude middenstandsbescherming. België probeert soms door een andere ratio legis te zeggen dat een regel B2B is, maar dat lost het probleem niet altijd op als er ook een B2C-effect is 35
    131. Kern: Boek VI WER is niet altijd richtlijnconform wanneer het algemene verboden bevat voor B2C-handelspraktijken die niet op de zwarte lijst staan en niet individueel worden getoetst aan misleiding, agressie of professionele toewijding. Volgens de prof blijft echte modernisering van het Belgische marktpraktijkenrecht daardoor uit 35
    132. Beschikking WAMO 35
    133. Superkort 35
    134. Inno beschikking 35
    135. Superkort: 35
    136. Cass 2 november 2012: solden en sperperiode 35
    137. Superkort 36
    138. Superkort 36
    139. Superkort 36
    140. Superkort 37
    141. Superkort 38
    142. Superkort 42
    143. Superkort 42
  3. 03 DEEL 3. INTELLECTUELE EIGENDOMSRECHTEN 44
    1. Superkort: Derde kent contractuele beperking + helpt toch mee aan schending = mogelijke derdemedeplichtigheid aan contractbreuk. 45
    2. Superkort 48
    3. Superkort 49
    4. Superkort 49
    5. Superkort 49
    6. Superkort 50
    7. Superkort 50
    8. Superkort 51
  4. 04 DEEL 4. KARTELRECHT/MEDEDINGINGSRECHT IN STRIKTE ZIN 90

Documentinformatie

Geüpload op
17 mei 2026
Aantal pagina's
106
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€7,98

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
kennadevisscher
5,0
(1)
Verkocht
43
Volgers
0
Items
10
Laatst verkocht
1 week geleden




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen