Hoofdstuk 2. Het geneesmiddel
Vraag 1: Causale therapie is gericht op:
De symptomen
Het voorkomen van complicaties
De oorzaak
Een tekort
Vraag 2: De inspuiting van insuline bij een patiënt met diabetes mellitus type 1 is een
voorbeeld van:
Diagnostische therapie
Symptomatische therapie
Causale therapie
Substitutietherapie
Vraag 3: De behandeling van een bacteriële pneumonie met antibiotica is een voorbeeld van:
Diagnostische therapie
Symptomatische therapie
Causale therapie
Substitutietherapie
Vraag 4: De inname van paracetamol bij griep is een voorbeeld van:
Diagnostische therapie
Symptomatische therapie
Causale therapie
Substitutietherapie
Vraag 5: Lasix® is een merknaam voor de stofnaam …………………………………
Vraag 6: Dafalgan® is een merknaam voor de stofnaam ……………………………….
Vraag 7: Een voorbeeld van een merknaam van een niet-generisch middel voor amoxicilline is
………………………….
Vraag 8: De stofnaam van Ventolin® is ………………………….
Vraag 9: Amoclane EG® is een generisch geneesmiddel van de specialiteit …………………….
Vraag 10: De twee actieve stoffen van Seretide® zijn ……………… en ………………
Vraag 11: Nurofen® is een merknaam van ………………
1
,Vraag 12: Tramadol® is een specialiteit die bestaat uit de twee actieve stoffen ……………… en
………………
Vraag 13: De stofnaam van Pantomed® is ………………
Vraag 14: Een geneesmiddel dat een kopie is van een bestaand product waarvan het octrooi
verlopen is, is een:
Generisch middel
Magistraal middel
kopiegeneesmiddel
Specialiteit
Vraag 15: Met welke term wordt de maagsapresistentie van een toedieningsvorm
aangeduid?
Dragee
Odis
Retard
Enteric coated
Vraag 16: Welke vorm van tabletten kan een grote hoeveelheid natrium bevatten waardoor
het gebruik ervan af te raden is bij patiënten die zout moeten beperken?
Bruistabletten
Kauwtabletten
Enteric coated tabletten
Orodispergeerbare tabletten
Vraag 17: Het etsende effect van medicatie op de maag wordt vermeden bij innname van:
Bruistabletten
Kauwtabletten
Enteric coated tabletten
Orodispergeerbare tabletten
Vraag 18: Medicatietoediening via TTS wil zeggen dat medicatie:
Rectaal toegediend worden
Sublinguaal toegediend worden
Intraveneus toegediend
Toegediend wordt via een pleister
2
,Vraag 19: Welke van onderstaande corticosteroïden zal de meeste bijwerkingen geven?®
Busesonide (Pulmicort®) inhalatiepoeder
Hydrocotison (Cremicort ®) creme
Methylprednisolon (Medrol ®) 4mg tabletten
Vraag 20: Welke bewering is fout?
Het toedienen van nitraten via een pleister is een voorbeeld van systemische
toediening
Het toedienen van nitraten via een pleister is een voorbeeld van transdermale
toediening
Het toedienen van nitraten via een pleister is een voorbeeld van lokale toediening
Het toedienen van nitraten via een pleister is een voorbeeld van parenterale
toediening
Vraag 21: Welke toedieningsweg leidt het snelst tot een farmacologisch effect?
Subcutaan
Intramusculair
Intraveneus
Intradermaal
3
, Hoofdstuk 3. Farmacokinetiek
Vraag 1: De maat voor de hoeveelheid van een geneesmiddel dat na toediening uiteindelijk
de bloedbaan bereikt, heet:
Het schijnbaar verdelingsvolume
De distributie
De halfwaardetijd
De biologische beschikbaarheid
Vraag 2: Geneesmiddelen worden uitgescheiden uit het lichaam via de volgende twee
processen:
Eliminatie en/of distributie
Excretie en/of absorptie
Metabolisme en/of distributie
Metabolisme en/of excretie
Vraag 3: Welke uitspraak over de halfwaardetijd is fout?
De halfwaardetijd is recht evenredig met het schijnbaar verdelingsvolume
Een geneesmiddel met een korte halfwaardetijd wordt sneller geëlimineerd dan een
geneesmiddel met een lange halfwaardetijd
De steady state concentratie van een geneesmiddel wordt bereikt na ongeveer 4 à 5
keer de halfwaardetijd
De halfwaardetijd is recht evenredig met de klaring
Vraag 4: Geneesmiddelen verdelen zich na toediening over een groot gedeelte van het
lichaam. Via welk proces bereiken de meeste geneesmiddelen de weefsels?
Actief transport
Diffusie
Pinocytose
Door ionenkanalen
Vraag 5: Het 'first-pass-effect' wordt vermeden bij inname van:
Enteric coated tabletten
Smelttabletten
Sublinguale tabletten
Bruistabletten
Vraag 6: Welk van de volgende toedieningsvormen heeft per definitie de hoogste biologische
beschikbaarheid?
4