Hoofdstuk 2: de samenleving is een veld van tegengestelde krachten
Samenleving = complex
- samen leven → perverse effecten
→ Voorbeeld: mattheuseffect = De middenklassen halen meer voordeel uit de
overheidsuitgaven (onderwijs, gezondheidzorg, cultuur,...) dan de lagere
inkomensgroepen
Pervers = Je doet iets chemisch op je oprit (jouw oprit = proper goed) maar samenleving:
bodem = vervuild en dat is nadelig voor de buurt (perverse effecten = effecten die
tegengesteld zijn aan de oorspronkelijke bedoeling van een handeling en die soms zelfs
vernietigen)
Mattheuseffect = negatief gevolg van de goeie intenties van de overheid (vh sociaal beleid)
zoals subsidies De intentie = goed maar de sterkere middenklassen halen er meer profijt
uit dan de armere lagere klassen (Bv. Premies voor zonnepanelen maar dit komt vooral ten
goede voor de rijker n voor de kwetsbare groep) (bv. Kinderen van hoog opgeleiden, studeren
vaak langer waardoor ze ook langer studietoelage krijgen)
Marx: burgerij = heersende klasse ih kapitalisme, ze eigent zich de meerwaarde toe die door
het proletariaat wordt geproduceerd (eisen de producten op die door het proletariaat gemaakt
worden)
Weber: protestante ethiek = belangrijke factor voor het ° vh moderne kapitalisme, maar die
ethiek wordt door het kapitalisme verzwakt. (De protestantse ethiek hielp het kapitalisme ontstaan
(door hard te werken, soberheid,...) , maar daarna verdween die religieuze basis omdat het systeem op
gang kwam en bleven mensen gevangen in een “ijzeren kooi” van winst en plicht.)
Merton: puriteinse waarden die de evolutietheorie mee hebben doen ontstaan is een doorn
door het oog voor de christenen (schepping door god)
Onder armoedegrens:
grotere kans op armoede
Alle uitkeringen liggen
onder de armoedegrens
jobs van hogere
opleiding = beperkt beschikbaar en wnr ied streeft naar een zo hoog mogelijk
opleidingsniveau vallen een paar mensen uit de boot en moeten dan een baan doen die onder
hun opleidingsniveau ligt = scheefwerken (underemployment)
mensen zoeken elkaar op en werken samen (cohesie) = middelpuntzoekende krachten
(houd samenleving samen)
, mensen sluiten elkaar buiten = middelpuntvliedende krachten
Sociale cohesie en uitsluiting lijken elkaar tegengesteld maar komen vaak samen voor
(Insluiting en uitsluiting komen samen voor op alle niveaus) Om cohesie te voelen is het
makkelijk anderen er uit te zetten
2.1 individu en samenleving: een strijd van goed tegen kwaad
Niemand is een eiland: je bent individu én deel van de samenlevingsverbanden (zoals in je
studente job, school, gezin, vriendengroep, …) omdat anderen ons de individuele
vaardigheden en sociale verkeersregels aanleren (stap voor stap nemen we stukken van de
samenleving in ons op)
We willen ‘erbij horen én ons onderscheiden van anderen’ Als mens willen we er heel
graag bij horen maar tegelijkertijd willen we ons ook onderscheiden (n allemaal helemaal het
zelfde, bv. Via kleding ) heeft te maken met condition humaine
De menselijke conditie: ‘in de wereld geworpen zijn’ = je kan n anders dan deel uit maken
van de samenleving (Heidegger, Kierkegaard, Sartre) mensen die uit de samenleving stappen
kunnen dat alleen maar omdat ze dingen meenemen die ze geleerd hebben id samenleving
(mensen die ‘vrijwillig’ uit het leven stappen, doen dat omdat ze beïnvloed zijn door de
omgeving waarin ze opgroeide, bv. Japan: hikikomori)
vervreemding = het hoort tot de essentie vh menselijke bestaan dat onze schepping een
eigen leven gaat leiden en zich zelfs tegen ons kunnen keren (we kunnen n roekeloos
omspringen met onze vrijheid wan het kan zich tegen ons keren) technologie die zo ver
ontw is dat het bijna een pervers effect heeft (ze werken verslavingen id hand)
(Marx: arbeider vervreemd vh arbeidsproduct (kapitalistische samenleving pakt het af) hij
verliest het gene wat de mens echt tot mens maakt = het vermogen om via arbeid de wereld
te ontwikkelen en haar aan de eigen behoeften aan te passen)
Maatschappelijke structuren vs individuele en collectieve actoren: het actor
factordilemma
Maatschappelijke structuren: grondige maatschappelijke verschuivingen duren meestal lang
omdat mensen daarvoor collectief moeten optreden
Actoren: individuele en collectieve actoren (zoals vakbonden, politieke partijen,
jeugdbewegingen, onderwijsinstellingen) individuele actoren zijn vaak positioneel
verbonden met collectieve actoren (hoofd vh gezin, bedrijfsleider, schooldirecteur, 1 e minister,
…)
micro: actor- analyse (hoe verhouden mensen zich tegen over elkaar)
macr: factor – analyse
Focus op maatschappelijke structuren of op individuen = actor-factordilemma
Focus op genetische gegevens of op de invloed van de omgeving = nature versus nurture
(nurture = omgeving, nature = aangeboren/ genetisch) sociologie focust zich hard op
nurture (invloeden van de omgeving zoals opvoeding, de buurt, school, …) maat nature is ook
belangrijk
2.2 De samenleving: een vat vol mogelijkheden en beperkingen
Mogelijkheden: we leven in het hier én nu (veiligheid, technologische mogelijkheden, ...)
Samenleving = heeft heel veel mogelijkheden (keuzevrijheid) en toch zijn er heel veel risico’s
(drempels = toegankelijkheid) (nog nooit zo goed gehad maar toch veel risico)
Samenleving = complex
- samen leven → perverse effecten
→ Voorbeeld: mattheuseffect = De middenklassen halen meer voordeel uit de
overheidsuitgaven (onderwijs, gezondheidzorg, cultuur,...) dan de lagere
inkomensgroepen
Pervers = Je doet iets chemisch op je oprit (jouw oprit = proper goed) maar samenleving:
bodem = vervuild en dat is nadelig voor de buurt (perverse effecten = effecten die
tegengesteld zijn aan de oorspronkelijke bedoeling van een handeling en die soms zelfs
vernietigen)
Mattheuseffect = negatief gevolg van de goeie intenties van de overheid (vh sociaal beleid)
zoals subsidies De intentie = goed maar de sterkere middenklassen halen er meer profijt
uit dan de armere lagere klassen (Bv. Premies voor zonnepanelen maar dit komt vooral ten
goede voor de rijker n voor de kwetsbare groep) (bv. Kinderen van hoog opgeleiden, studeren
vaak langer waardoor ze ook langer studietoelage krijgen)
Marx: burgerij = heersende klasse ih kapitalisme, ze eigent zich de meerwaarde toe die door
het proletariaat wordt geproduceerd (eisen de producten op die door het proletariaat gemaakt
worden)
Weber: protestante ethiek = belangrijke factor voor het ° vh moderne kapitalisme, maar die
ethiek wordt door het kapitalisme verzwakt. (De protestantse ethiek hielp het kapitalisme ontstaan
(door hard te werken, soberheid,...) , maar daarna verdween die religieuze basis omdat het systeem op
gang kwam en bleven mensen gevangen in een “ijzeren kooi” van winst en plicht.)
Merton: puriteinse waarden die de evolutietheorie mee hebben doen ontstaan is een doorn
door het oog voor de christenen (schepping door god)
Onder armoedegrens:
grotere kans op armoede
Alle uitkeringen liggen
onder de armoedegrens
jobs van hogere
opleiding = beperkt beschikbaar en wnr ied streeft naar een zo hoog mogelijk
opleidingsniveau vallen een paar mensen uit de boot en moeten dan een baan doen die onder
hun opleidingsniveau ligt = scheefwerken (underemployment)
mensen zoeken elkaar op en werken samen (cohesie) = middelpuntzoekende krachten
(houd samenleving samen)
, mensen sluiten elkaar buiten = middelpuntvliedende krachten
Sociale cohesie en uitsluiting lijken elkaar tegengesteld maar komen vaak samen voor
(Insluiting en uitsluiting komen samen voor op alle niveaus) Om cohesie te voelen is het
makkelijk anderen er uit te zetten
2.1 individu en samenleving: een strijd van goed tegen kwaad
Niemand is een eiland: je bent individu én deel van de samenlevingsverbanden (zoals in je
studente job, school, gezin, vriendengroep, …) omdat anderen ons de individuele
vaardigheden en sociale verkeersregels aanleren (stap voor stap nemen we stukken van de
samenleving in ons op)
We willen ‘erbij horen én ons onderscheiden van anderen’ Als mens willen we er heel
graag bij horen maar tegelijkertijd willen we ons ook onderscheiden (n allemaal helemaal het
zelfde, bv. Via kleding ) heeft te maken met condition humaine
De menselijke conditie: ‘in de wereld geworpen zijn’ = je kan n anders dan deel uit maken
van de samenleving (Heidegger, Kierkegaard, Sartre) mensen die uit de samenleving stappen
kunnen dat alleen maar omdat ze dingen meenemen die ze geleerd hebben id samenleving
(mensen die ‘vrijwillig’ uit het leven stappen, doen dat omdat ze beïnvloed zijn door de
omgeving waarin ze opgroeide, bv. Japan: hikikomori)
vervreemding = het hoort tot de essentie vh menselijke bestaan dat onze schepping een
eigen leven gaat leiden en zich zelfs tegen ons kunnen keren (we kunnen n roekeloos
omspringen met onze vrijheid wan het kan zich tegen ons keren) technologie die zo ver
ontw is dat het bijna een pervers effect heeft (ze werken verslavingen id hand)
(Marx: arbeider vervreemd vh arbeidsproduct (kapitalistische samenleving pakt het af) hij
verliest het gene wat de mens echt tot mens maakt = het vermogen om via arbeid de wereld
te ontwikkelen en haar aan de eigen behoeften aan te passen)
Maatschappelijke structuren vs individuele en collectieve actoren: het actor
factordilemma
Maatschappelijke structuren: grondige maatschappelijke verschuivingen duren meestal lang
omdat mensen daarvoor collectief moeten optreden
Actoren: individuele en collectieve actoren (zoals vakbonden, politieke partijen,
jeugdbewegingen, onderwijsinstellingen) individuele actoren zijn vaak positioneel
verbonden met collectieve actoren (hoofd vh gezin, bedrijfsleider, schooldirecteur, 1 e minister,
…)
micro: actor- analyse (hoe verhouden mensen zich tegen over elkaar)
macr: factor – analyse
Focus op maatschappelijke structuren of op individuen = actor-factordilemma
Focus op genetische gegevens of op de invloed van de omgeving = nature versus nurture
(nurture = omgeving, nature = aangeboren/ genetisch) sociologie focust zich hard op
nurture (invloeden van de omgeving zoals opvoeding, de buurt, school, …) maat nature is ook
belangrijk
2.2 De samenleving: een vat vol mogelijkheden en beperkingen
Mogelijkheden: we leven in het hier én nu (veiligheid, technologische mogelijkheden, ...)
Samenleving = heeft heel veel mogelijkheden (keuzevrijheid) en toch zijn er heel veel risico’s
(drempels = toegankelijkheid) (nog nooit zo goed gehad maar toch veel risico)