Bron: anatomie vh locomotorische systeem – Emmanuel Audenaert
6.1 inleiding
3 groepen van spieren:
1. Spieren die romp verbinden met schoudergordel en arm
2. Spieren die schoudergordel verbinden met arm
3. Spieren in vrijde lidmaat (bovenarm, onderarm, hand)
6.2 de spieren tussen de romp en de schoudergordel en arm
Deze specifieke groep bestaat uit acht spieren die hun oorsprong vinden op het axiale skelet (de romp).
• Locatie: vier dorsale spieren (aan rugzijde) en vier ventrale spieren (aan borstzijde).
• Aanhechting: 2 van deze spieren hechten direct aan op de arm; de overige zes hechten aan op de
schoudergordel (clavicula en scapula).
• De oppervlakkige rugspieren behoren eigenlijk tot de spieren van het bovenste lidmaat:
Ze migreren tijdens de embryonale ontwikkeling naar dorsaal.
Ze worden geïnnerveerd door ventrale rami.
Behalve de mm. serratus posterior werken ze allemaal op schoudergordel en arm
• De diepe rugspieren zijn bedekt door de fascia thoracolumbalis, worden geïnnerveerd door
dorsale rami, en vormen de autochthone rugspieren.
Overzicht van de spierverbindingen met de romp
Dorsale groep 1ste laag m. trapezius (monnikskapspier)
, m. latissimus torsi
2de laag (rhomboidgroep) mm. rhomboideus major
mm. rhomboideus minor
m. levator scapulae
Ventrale groep m. serratus anterior
m. pectoralis major
m. pectoralis minor
m. subclavius
,6.2.1 Dorsale groep: oppervlakkige rugspieren
1. M. trapezius
Oorsprong, insertie, innervatie en functie
• Oorsprong (O) — Middellijn van schedel → linea nuchalis sup., ligamentum nuchae,
processus spinosi C1–T12.
• Insertie (I)
o Pars descendens: laterale 1/3 clavicula
o Pars transversa: acromion + bovenrand spina scapulae
o Pars ascendens: mediaal uiteinde spina scapulae
• Delen — Pars descendens, transversa, ascendens.
Werking per vezelgroep
• Bovenste vezels — Elevatie van de schouder.
• Middelste vezels — Retractie van de scapula.
• Onderste vezels — Rotatie + depressie van de scapula (belangrijk bij
armabductie/elevatie).
• Bij gefixeerde schouder — Extensie en lateroflexie van hoofd/nek; helpt bij dragen van
gewicht.
• Gezamenlijke contractie rechts — Rotatie van scapula tegenwijzerzin + retractie.
• Co-contractie met antagonisten — Scapula wordt gefixeerd (nodig voor distale
armbewegingen).
Innervatie
• N. accessorius (XI) — motorisch (ramus externus).
• C3–C4 — proprioceptie (plexus cervicalis).
Klinische/oppervlakte-anatomische herkenning
• Schouders ophalen → laterale halszwelling van de trapezius.
2. M. latissimus dorsi
De m. latissimus dorsi is de grote, krachtige waaierspier van de
rug die van de romp naar de bovenarm loopt en zorgt voor sterke
trekkende bewegingen van de arm en romp.
Ligging en algemene kenmerken
• Grootste en breedste rugspier; dorsaal gelegen.
• Loopt van lage rug/bekken naar de humerus.
• Vormt de achterste okselplooi.
, • Bovenaan deels bedekt door de trapezius.
Oorsprong en aanhechting
• Oorsprong (O) — Processus spinosi T7–T12, alle lumbale en sacrale wervels, fascia
thoracolumbalis, achterste 1/3 crista iliaca, onderste 4 ribben, soms angulus inferior
scapulae.
• Insertie (I) — Crista tuberculi minoris van de humerus (ventrale zijde), na een
spiraalvormige draai rond de m. teres major.
Anatomische relaties
• Vormt samen met m. obliquus externus en crista iliaca het trigonum lumbale van Petit
(zwakke plek → zeldzame hernia).
• Vormt samen met trapezius en rhomboideus major de auscultatiedriehoek (dunne
spierbedekking → theoretisch betere longauscultatie).
Werking
• Adductie van de bovenarm.
• Retroflexie (arm naar achter).
• Endorotatie van de arm.
• Klimspier: bij gefixeerde arm trekt ze de romp omhoog.
• Synergie met trapezius en rhomboidei voor retractie van de scapula.
Innervatie
• N. thoracodorsalis (uit fasciculus posterior van plexus brachialis), samen met a./v.
thoracodorsalis langs de onderrand de spier binnen.
Demonstratie
• Hand op de heup drukken → achterste okselplooi wordt strak en duidelijk zichtbaar.