DOELSTELLINGEN
- De student kan de structurele kenmerken van de huid en aanverwante
structuren
benoemen en beschrijven.
- De student kan de functies van de huid en aanverwante structuren
benoemen en
beschrijven.
- De student maakt kennis met verpleegkundige aandachtspunten en
observaties in
verband met de anatomie van de huid uit de praktijk
1) epidermis
- stratum corneum (hoornlaag)
- stratum lucidum (enkel aanwezig in dikke huid)
- stratum granulosum
- stratum spinosum
- stratum basala (= kiemlaag of stratum germinativum)
EPIDERMIS: STRATUM BASALE
= kiemlaag
Bevat geen bloedvaten
o Diffusieoppervlak met lederhuid
Epidermiskammen
Dermale papillae
Basaal membraan
Epidermiskamme
Stamcellen (kiemcellen) n ook zichtbaar
o Celdelingslaag
o Bron van vervangende cellen
in het stratum
Melanocyten corneum
o Vormen van melanine
Zintuigen (zie functies)
EPIDERMIS: TUSSENLIGGENDE LAGEN
Stratum spinosum (bevat stekelcellen)
o Boven kiemlaag
o Verdere celdeling
1
, Stratum granulosum (korrelige laag)
o Keratinekorrels in cytoplasma
Vorming keratine
a) Ook terug te vinden in hoeven, nagels, hoomen,
haren en veren
o Geen celdeling
Stratum lucidom (doorzichtige laag)
o Afgevlakte laag vol keratine
EPIDERMIS: STRATUM CORNEUM
= hoornlaag
Bovenste laag
Afgevlakte (dekweefsel-) cellen
Dode cellen (verbonden met desmosomen)
o Afstoting in grote groepen
Bevat veel keratine
o Verhoornd
o Taai en waterafstotend eiwit
Unieke vingerafdrukken(epidermiskammen)
EPIDERMIS: SAMENVATTING
De epidermis bestaat uit 4 à 5 strata, waarbij cellen gevormd worden in
stratum basale en uitgroeien tot stratum corneum.
Naarmate cellen ouder worden en zich naar buiten verplaatsen hoopt zich
keratine op. Uiteindelijk worden de cellen afgestoten en gaan ze verloren.
2) Dermis (lederhuid)
DERMIS: STRATUM PAPILLARE
Onder de epidermis
o Steunt en voedt de epidermis
Sterk doorbloed
Genoemd naar de huidpapillen
Los bindweefsel
Bevat gevoelszenuwen, lymfevaten en haarvaten
DERMIS: STRATUM RETICULARE
Collageenvezels (beperkt de buigzaamheid)
Elastische vezels (flexibiliteit)
= stevige, dichte vezelige laag
Communicatie met andere orgaanstelsels
o Hart en bloedvaten
2