3.1 Lichamelijke en motorische ontwikkelingen
Babytijd = korte periode maar grote veranderingen (minder intens dan prenatale fase
maar nog altijd veel op korte tijd)
‘Fysiologische vroeggeboorte van het kind’: nestvlieder = snel zelfstandig
(paarden) , nestblijvers = hulpelozer na geboorte en blijven in hun nest (konijnen)
en worden vaak met meerdere geboren
Mens = (mengeling) Hulpeloze nestvlieder: wanneer het geboren wordt is het
hulpeloos waardoor ze dicht bij de moeder blijven maar de hulpeloosheid dwingt het
kind tot snelle motorische en cognitieve ontwikkeling (het wordt gedongen om meer
zelfredzaam te zijn)
Voordeel:
- Noodzaak om te (cognitief) ontwikkelen
- Sterkere moeder/kind-binding
Goede zorg nodig, bijvoorbeeld vaccinaties tegen kinderziekten! Dan is baby klaar om
aan het leven te beginnen
→ Poliovaccin = enige verplichte (maar de anderen worden sterk aanbevolen en is het
eigenlijk de morele plicht vd ouders om hun kinderen te vaccineren)
Vaccinatie = n individueel want wie n vaccineert dan kan het virus beter verspreiden
en slachtoffers zijn: oudere mensen, baby’s, niet de jonge mensen (3/100 vaccins
werkt n voldoende)
Je word immuun door de ziekte eerst te krijgen
3.1.1 Neurologische ontwikkeling
Hersencellen (neuronen) examen →
,Hersencellen:
- Worden al aangemaakt voor de geboorte, tijdens prenatale fase (dus evenveel
als volwassen persoon maar ze zijn nog slecht verbonden, nog niet echt
functioneel rendabel en nog weinig efficiënt georganiseerd)
- Kort na de geboorte beginnen de neuronen meer en meer met elkaar contact te
maken (meer neuronenverbindingen door ervaringen en leerprocessen)
- Grijze stof’, voornamelijk buitenste laag van de hersenen
- 100 à 200 miljard neuronen
- Celkern:
Dendrieten: vertakkingen waarlangs info ontvangen kan worden
Axonen: lange uitlopers van de neuronen
Synapsen: uiteinde van de axonen (= lange uitlopers van de neuronen): info
doorgeven aan volgende neuron
→ dendrieten en synapsen van de hersencellen raken elkaar net niet maar geven wel
info door via synaptische verbindingen (° wnr we leren)
Hersencellen (neuronen)
- Toename in massa → afname # neuronen (= zijn overbodig omdat ze geen of
een onnuttige verbinding maken en zullen afsterven)
- Meer dendrieten
- Axonen krijgen myelineschede: isolerend omhulsel rond het axon → snellere
informatieoverdracht → Knopen van Ranvier (info kan hierdoor sneller
doorgegeven worden): onderbrekingen in de myelineschede
- Myelinisatie tot 5j
→ snelle overgang van zenuwimpulsen = doordat ze ‘springen’ van ene knoop van
Ranvier naar andere
Synaptische verbindingen (= neuronenverbindingen)
= verbinding tussen de 2 hersencellen (tussen dendrieten vh ene neuron en
synaps van de andere neuron)
Bij de geboorte nog slechts beperkt aanwezig
Verbinding tussen dendrieten en synapsen door leren
→ Ze raken elkaar net niet, Ontstaan wanneer we leren (‘witte stof’ = wordt gevormd
door het netwerk van neuronenverbindingen → vanwege witachtige myelineschede +
bevind zich onder grijze stof)
→ myelinisatie = voltooid rond 5 jaar
Pruning (snoeien) van neuronen en synaptische verbindingen
= gebeurt obv competentie van hersencellen en synaptische verbindingen om te
kunnen blijven bestaan waarbij alleen de sterkste (meest nuttige) overleven
- Afname in aantal neuronen
- Afname in neuronenverbindingen
, Efficiënter gebruik van bestaande structuren
Kritische periode: stimulatie is van cruciaal belang
Hersenlateralisatie (zie hoofdstuk 5)
Op termijn gaan bepaalde functies in de linker en rechter hemisfeer ontwikkelen
- Linker hemisfeer (vnl. sequentiële functies: begrijpen van taal of emotionele
expressie)
- Rechter hemisfeer (vnl. holistische, integratieve processen: Spatiaal inzicht/
ruimtelijk inzicht)
Hoe jonger het kind, hoe vlotter (omdat nog n alles helemaal opgesplitst is)
Tot aan de lateralisatie meer neuroplasticiteit (= uitval van bepaalde functie agv
beschadiging in een bepaalde regio kan opgevangen worden door een andere
regio die de functie overnemen)
Elke functie heeft een gevoelige (kritische) periode: stimulatie = heel belangrijk
(wanneer dit n gebeurt kan er degeneratie van die neuronen optreden)
Shaken baby syndrome = als baby door elkaar geschud word gaat het hoofd heel hard
bewegen omdat de nek nog niet zo vast staat en dan gaan de hersenen heel hard
bewegen en tegen de voor en achter kant van de schedel raken en dat heeft slechte
gevolgen
3.1.2 Motoriek van de pasgeborene
Motoriek = zijn bewegingen zijn vooral onwillekeurig en ongecoördineerd
Pasgeborene (= neonatus) kent aantal houdingen (slappe pop want spieren zijn nog n
goed ontwikkeld bv. nekje) (benen opgetrokken, …)
Reflexen:
- Blijvende reflexen: blijven = hikreflex, niesreflex, …. En die bestaan bij
volwassenen nog steeds
- Voorbijgaande reflexen:
-archaïsche reflexen: vroeger hadden ze een functie en nu niet meer
(maar wel belangrijk ook al hebben ze geen functie meer) bv:
staartbeentje
-niet archaïsche reflexen: nu nog wel belang