KUNSTGESCHIEDENIS
INLEIDING: VAN ZWART VIERKANT TOT CALEIDOSCOOP
1. EEN ZWART VIERKANT
1915: Kazimir Malevitsj (Russische avant-garde kunstenaar) stond aan de basis v/h suprematisme (=stroming die tijdens
de Russische Revolutie inpikte op kubisme en futurisme).
• Zwarte verf, aangebracht in een geometrische figuur op een gewit doek
• Technisch niet echt hoogstaand, iedereen kan het maken en het kost niks
• Een schijnbaar betekenisloos object wordt zo betekenisvol dat het een buitengewoon
emotionele, maatschappelijke, financiële waarde krijgt.
• Alle beeldende middelen zijn tot het absoluut minimum gereduceerd. Geen kleur, diepte
of figuratie en minimale lijn.
= absoluut meesterwerk + hoogtepunt van de Europese kunst, één van de eerste non-figuratieve kunstwerken uit de
westerse Kunstgeschiedenis.
VOORAF
Vanaf de renaissance (1400) hadden kunstenaars gezocht naar manieren om de natuur en leven na te bootsen. De
perfecte nabootsing v/d werkelijkheid en het streven daarnaar werden eeuwenlang beschouwd als het hoogste goed in de
kunst. (Streven naar perfecte mimesis = imitatie van de werkelijkheid.) Met als hulpmiddelen: lijn – en kleurperspectief om
zo een illusie van diepte (3de dimensie) te creëren.
➔ Na ontdekking fotografie = niet meer zo zinvol om perfecte weergave v/d werkelijkheid na te streven want een
fotograaf doet het in een fractie v/d tijd.
Malevitsj’ perspectief- en kleurloze schilderij helpt een opening creëren naar een nieuw denkpatroon voor kunstenaars.
MICHELANGELO (16 DE EEUW)
➔ Het laatste oordeel → Boogschutters schietend naar een herme
Kunst als overtreffende trap van kunde = visie gebaseerd op de opvatting dat ambachtelijke vaardigheden het nec plus
ultra zijn in de kunst en degenen die over de grootste vakkennis en bedrevenheid beschikken ook de grootste
kunstenaars zijn.
MAAR toch werd de intellectuele component van het kunstenaarschap even hoog ingeschat:
• Michelangelo hield een pleidooi voor superioriteit van het disegno (= dubbele betekenis, tekening
en ontwerp). Hij was van mening dat het idee de kern van een kunstwerk vormde en dat de
uitvoering vaak door ateliermedewerkers kon worden toevertrouwd. Het concept is het mentale
beeld.
• Robert Rauschenberg gumt het disegno van Willem de Kooning uit (= kunstwerk links)
→ Erased de kooning drawing, 1953 van Robert Rauschenberg
, lOMoAR cPSD| 59625728
• Vasari over Giotto (1300): Giotto = de eerste echte kunstenaar van de renaissance en de stichter van de
Florentijnse schilderschool
MAAR op een gegeven moment toont de paus belangstelling voor de diensten van Giotto en werd gevraagd een tekening te
maken om de paus te overtuigen van zijn talent. hij dopte zijn pen in de rode inkt en tekende uit de vrije hand een perfecte
cirkel.
Drie eeuw later tekende Peter Paul Rubens een volmaakt ronde cirkel met een stip in het
midden en voorzag die van het onderschrift ‘God is alles in het middelpunt van het veld.’
Door de inscriptie werd zijn tekening een metafoor van zijn neoplatoonse levensvisie.
➔ Album amicorum, 1688 van Peter Paul Rubens
Hoewel ambacht nu niet meer de hoogste vereiste was van kunst na Malevitsj, was het wel eeuwenlang de essentiële
voorwaarde voor het kunstenaarschap. Zonder ervaring, kennis en techniek was het niet mogelijk hoogwaardige
kunstwerken te produceren. Kunsthistorische veranderingen zijn het gevolg van zowel esthetisch inzicht, als de
technologische mogelijkheden op bepaalde momenten in de geschiedenis. De technische mogelijkheden zijn doorheen
de eeuwen drastisch veranderd:
• Plinius: de schilderkunst ontstond toen iemand een stuk houtskool nam en een lijn trok langs de schaduw van
een mens.
➔ MAAR kunst is veel meer dan enkel de kunde; het lijkt een gazing ball, een philosopher’s stone, zoals Jeff Koons
het omschrijft. Het doet chemie ontstaan tussen kunstenaars en publiek. Ze biedt zelden een antwoord maar
presenteert zich vaak als een kwestie
→ Gazing ball (titian pastoral concert), 2016 van Jeff Koons
Het probleem aan de hand van een anekdote:
• Johannes à Porta: ‘D’net der Beeltstormers’ (1591):
o In dit boekje noteerde hij over hoe hij dacht over kunst en over de golf van ongeziene kunstdestructie via
religieuze motieven door Beeldenstorm (1566).
o Zijn metafoor om kunst te duiden: Stel je een jong meisje voor, pas getrouwd en nog smoorverliefd. Haar
man moet naar de oorlog. Hij is minstens voor maanden van huis weg en komt misschien nooit meer
terug. Vlak voor zijn vertrek geeft hij haar een klein portretje van zichzelf en dat is haar enige aandenken.
De betekenis versmelt met het object. Je kan het in je geheugen prenten, je kan het zelfs perfect
namaken, maar de waarde die uitgerekend dat oorspronkelijk paneeltje heeft gekregen, maakt het
onvervangbaar. Voor dat meisje is de beeltenis van haar man niet na te maken. Dat is ook de reden
waarom je de foto van je geliefde die al jaren in je portefeuille zit, niet kan of zal verscheuren.
Als er een heel sterke band ontstaat tussen de betekenis van een object en de toeschouwer, dan zal die betekenis met het
object versmelten. Het kunstwerk of de afbeelding wordt dan de materiële relikwie van een doorleefde emotie of een
, lOMoAR cPSD| 59625728
pakkende herinnering. Kunst is een kwestie van geloof; je hecht geloof aan alle betekenislagen die met dat object
versmolten zijn.
Wanneer een object op het juiste moment, op de juiste plaats, in de juiste context, door de juiste kunstenaar als kunst
wordt gepresenteerd, dan kan zelfs een zwart vierkant hét hoogtepunt van kunstgeschiedenis worden! De verhalen,
emoties en perspectieven zijn intrinsiek met het object verweven geraakt. Waardoor zonder context hebben kunstwerken
geen of nauwelijks betekenis.
2. CALEIDOSCOOP
Kunst is een Bildwissenschaft geworden, aangezien het niet meer zuiver historisch (op basis van bronnenonderzoek) of
formalistisch (stijlgeschiedenis) is. Het wordt bestudeerd op een manier waarop het als object en beeld binnen een
cultuur en context functioneert.
HOOFDSTUK 1: HET PRODUCT KUNST
Uitgangspunt hoofdstuk = spanning tussen ambachtelijke waarde van kunst en de economische realiteit.
Hoe hebben de lokale en internationale economische toestanden in de loop v/d eeuwen het wezen van kunst mee
beïnvloed en bepaald?
Door drie fundamentele factoren:
• Productie
• Consumptie
• Handel
Want kunstkoper + verzamelaars dragen evenveel verantwoordelijkheid voor het aanschijn van kunst als de kusntenaar
zelf.
1. INLEIDING
Kunst is onderhevig aan de wetten van vraag en aanbod.
➔ De laatste futuristische tentoonstelling, 1915 van Kazimir
Malevitsj
Dit is een reeks suprematistische composities, die de sterkte en
zwakte v/d onderlinge verwevenheid van kunst en economie toont.
Het toont ook de spanning tussen productie en consumptie.
Als het initieel idee vorm heeft gekregen, lijkt het eenvoudig om een groot aantal composities te creëren door een
simpele geometrische figuur op een anders gekleurde achtergrond te herhalen, te variëren en aan te passen.
Herhaling is nodig om het initieel concept bekendheid te geven en op die manier een markt te creëren.
MAAR bij elke nieuwe versie, zwakt de betekenis van het idee af omdat het maar een afschaduwing is van de
oorspronkelijke vondst. M.a.w. productie is nodig om de markt in beweging te brengen, maar overproductie
ondermijnt de uniciteit, de spanning en de vraag.
Kunst en geld staan niet los van elkaar, wat wordt bewezen door veilingen waar soms tientallen miljoenen worden
geboden. Intrinsiek hebben ze nauwelijks waarde, maar door een complex aantal factoren die nauwelijks
definieerbaar zijn heeft het toch een inherente waarde.
, lOMoAR cPSD| 59625728
➔ Liggend naakt (op de linkerzijde), 1917 van Amedeo Modigliani
➔ De levens-beschryvingen der nederlandsche konst-schilders en konst-
schilderessen, 1729 van Jacob Campo Weyerman
➔ Christus als Salvator Mundi, 1500 van Leonardo da Vinci
Studie van de kunstmarkt: 3 factoren:
1. De vraag (of behoefte van de consument)
• Opdrachtgevers en verzamelaars
2. Een markt (fysiek of virtueel)
• Handelaars/ bemiddelaar van de tussenhandel
3. Het aanbod (productie)
• Kunstenaars
Markteconomische omstandigheden hebben de modaliteiten geschapen waarin kunstenaars hun ambacht konden
uitoefenen. Een absolutistisch regime brengt andere kansen dan een democratisch staatsbestel.
Kunst en economie werden vaak niet in verband gebracht.
≫ Patrons and Painters (1963) van Francis Haskell:
• Beroemd boek over de Italiaanse barok
• Een van de eersten die de economische omstandigheden waaraan kunstenaars onderhevig zijn, onder de
aandacht bracht, MAAR benadert maar één aspect van de kunstmarkt: rol van opdrachtgevers.
Gedegen analyse: