DEEL 1: ALGEMENE ORIËNTATIE
HOOFDSTUK 1: HET BEGRIP STRAFRECHT
Strafrecht in de ruime zin
= het geheel van rechtsregels die
1) bepalen onder welke voorwaarden de overheid voor specifieke gedragingen
specifieke sancties kan opleggen en uitvoeren
2) omschrijven waaruit deze gedragingen en sancties bestaan
3) voorschrijven op welke wijze de daartoe bevoegde instanties hun recht om voor deze
gedragingen sancties op te leggen en uit te voeren moeten uitoefenen
Dit strafrecht in ruime zin omvat zowel het materieel als het formeel strafrecht.
Materieel strafrecht
= geheel van rechtsregels die bepalen onder welke voorwaarde handelingen of
onthoudingen als misdrijven kunnen worden beschouwd
Formeel strafrecht
= geheel van de rechtsregels mbt de vaststelling van misdrijven, de opsporing, de vervolging
en de berechting van de personen die ervan verdacht worden een misdrijf te hebben
gepleegd en de regels mbt de organisatie, bevoegdheid en werking van de publiekrechtelijke
instellingen en organen die daarmee belast zijn
dus kort: procedure vaststelling, vervolging, beoordeling
Samenhang
Materieel strafrecht en formeel strafrecht hebben beide een beschermende functie: het
vermijden van ongerechtvaardigd strafrechtelijk overheidsingrijpen.
Anderzijds vormen beiden ook een legitimering van het overheidsoptreden tegen
criminaliteit en de daders, slachtoffers en andere betrokkenen, zolang dat overheidsoptreden
zelf de regels respecteert.
HOOFDSTUK 2: CODIFICATIE
Bronnen
- Strafwetboek 1867 – vaak gewijzigd
- NSw. 2024 (inwerkingtreding 2026)
- Wetboek strafvordering
o Compromis maatschappelijk en individueel belang, efficiëntie en
rechtsbescherming
o Inquisitoire en accusatoire procedure
o 1808-1998
o Nog geen nieuw wetboek, zal er wel komen
- Potpourriwetten, MSS-wetten, wetten hervorming/digitalisering justitie
,Accusatoire procedure
= maatschappij neemt geen initiatief, maar de “beschuldiging” gebeurt door het slachtoffer
van een misdrijf waarmee de “aangeklaagde” evenwel op gelijke voet staat. De rechter heeft
in deze optiek de rol van een scheidsrechter die niet actief tussenkomt in de loop van het
proces. De kenmerken van de openbaarheid, de tegenspraak en het mondelinge karakter ba,
de procedure worden vooruit geschoven.
Inquisitoire procedure
= de maatschappij gaat via een vertegenwoordiger van het gezag de vervolging en berechting
behartigen. De vervolgde wordt in een ondergeschikte positie geduwd en de rechter werkt
actief mee aan de procesvoering. De procedure is dan schriftelijk, geheim en niet-
tegensprekelijk.
Potpourriwetten
De potpourri-wet II in 2016 een reeks belangrijke wijzingen door. De vernietigde uitbreiding
van de bevoegdheid van de correctionele rechtbanken sprong het meest in het oog, maar
deze wijzigde het wetboek van strafvordering ook op andere punten. De potpourri IV-wet
heeft naast de afscherming van de identiteit van politiemensen ook gezorgd voor het
opnemen van de veroordelingen van rechtspersonen in het centraal strafregister en een
reparatie van de ongrondwettig gebleken wetgeving over schorsing van de verjaring van de
strafvordering.
HOOFDSTUK 3: SITUERING VAN HET STRAFRECHT TUSSEN ANDERE
RECHTSDISCIPLINES
Functionele autonomie
Strafrecht schept eigen exclusieve gedragsnormen die we zonder het strafrecht niet juridisch
hard kunnen maken. Het heeft eigen normen en belangen en een eigen handhaving.
Conceptuele autonomie
Die komt erop neer dat strafrechters bij de interpretatie van de strafwetten en bij de
toepassing van de strafbepalingen, aan de begrippen, definities en instellingen die afkomstig
zijn uit andere rechtstakken, niet noodzakelijk dezelfde betekenis of draagwijdte moeten
geven als in deze rechtstakken.
Bij de interpretatie van strafwetten zal de rechter aan begrippen van het burgerlijk recht
soms een andere inhoud geven.
Bijvoorbeeld: verbeurtverklaring is een vermogensstraf, men kan dan uw geld soms afpakken
als straf
naar burgerlijk recht is het geld wat staat op uw bankrekening eigenlijk van de bank
en u hebt een schuldvordering daarop tav de bank. Dus burgerrechtelijk gezien is het
geld eigendom van de bank en niet van jou
maar strafrechtelijk gezien is het geld van jou en dus zal het geld van jouw rekening
gehaald worden.
De verantwoording van de rechtsspraak op dit vlak ligt in de functie van het strafrecht:
bescherming van fundamentele maatschappelijke waarden.
,Uitzonderingen
Toch verplicht de wetgever de strafrechter in uitzonderlijke gevallen om zich bij de
interpretatie van strafwetten te schikken naar regels van het burgerlijk recht. Zo bepaalt art
16 V.T.Sv. dat wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst
waarvan het bestaan wordt ontkend of waarvan de uitlegging wordt betwist, de strafrechter
zich bij de beslissing over het bestaan van die overeenkomst of over de uitvoering ervan
gedraagt naar de regels van het burgerlijk recht.
Autonomie van het strafprocesrecht tav het gerechtelijk recht
Art 2 Ger.W. verklaart de regels van dat proceswetboek toepasselijk op alle rechtsplegingen,
behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven
wetsbepalingen (zoals het wetboek van strafvordering) of door rechtsbeginselen waarvan de
toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.
De regels van het gerechtelijk wetboek gelden m.a.w. aanvullend, voor het geval het
strafprocesrecht geen andere regeling inhoudt.
Voorbeeld: Sommige regels in Ger. W kunnen niet in het strafwetboek, bv u weet dat de
tegenpartij een bepaald bewijsstuk heeft, dan kan je de andere partij dwingen om dat bij te
brengen (in ger w) MAAR in SPR heb je het recht om te weigeren om mee te werken aan een
onderzoek (zwijgrecht).
Publiekrechtelijk karakter van het strafrecht
Het publiekrechtelijk karakter van het strafrecht blijkt het duidelijkst in het strafproces. Zelfs
al heeft een misdrijf een particulier belang geschaad, dan nog zal niet de benadeelde
particulier de vervolgende partij zijn maar het openbare ministerie. Ook de tenuitvoerlegging
van strafrechtelijke sancties geschiedt door of in naam van het openbaar ministerie.
De vervolging, veroordeling, berechting en bestraffing zijn een publiekrechtelijke
aangelegenheid.
Nauw verbonden met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht is het feit dat
strafwetten van openbare orde zijn. Strafrecht is dwingend recht, dit heeft belangrijke
juridische gevolgen. Zo mag aan de strafwetten, wetten die de openbare orde betreffen, door
bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan (art 5.51 en 5.56 BW). Elke
overeenkomst die ertoe zou strekken de toepassing of het toepassingsgebied van de strafwet
uit te sluiten of in te perken is nietig (art 5.57 BW). Niemand kan zich trouwens contractueel
onttrekken aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid of zich rechtsgeldig verbinden om een
misdrijf te plegen. Het contract waarmee een huurmoordenaar zich verbindt om tegen
betaling van een afgesproken geldsom een moord te plegen, is dus nietig. Zelfs als hij zijn
deel van de verbintenis zou nakomen, kan hij van de opdrachtgever daar nooit betaling van
eisen.
, HOOFDSTUK 4: INDELINGEN VAN HET STRAFRECHT
Algemeen strafrecht
= het algemeen gedeelte van het strafwetboek van 1867 (boek I), met inbegrip van de wetten
die het sindsdien hebben gewijzigd of aangevuld en van de zogenaamde (algemene)
complementaire strafwetten
Strafwetboek
- 1867 maar veel gewijzigd
- Twee boeken
- Boek 1 SW: t/m art 100: algemeen deel
- Boek 2 SW: specifieke misdrijven (moord, diefstal, oplichting, verkrachting,…) en de
straf die erbij hoort
Veel belangrijke regels zitten ook niet verwerkt in het strafwetboek! = complementaire
wetten
Complementaire wetten
- Vullen strafwetboek aan, maar zijn niet in het wetboek zelf opgenomen
- Verwerkt:
o Jeud(beschermings)wet
o Wet bescherming maatschappij: daders die geestesgestoord zijn (internering)
o Probatiewet
o Wet op de verzachtende omstandigheden
- NB: complementaire wetten SV = WVIpHecht, interneringswet (procedureregels),
VzaOmsth (procedureregels), wet huiszoeking
Complementaire wetten = strafwetten die, zonder in het wetboek te zijn ingevoegd, worden
geacht er logisch en integraal deel van uit te maken
Bijzonder strafrecht
= geheel van strafwetten waarin specifieke gedragingen strafbaar worden gesteld, met
vermelding van de daarop toepasselijke straffen. Het omvat de strafbaarstellingen uit boek II
SW en van de bijzondere strafwetten die niet in het SW zijn ingevoegd en waarin specifieke
gedragingen strafbaar worden gesteld.
Het bijzonder strafrecht omvat tevens het strafrecht uitgevaardigd door de gemeenschappen
en de gewesten op grond van artikel 11 BWHI.
In het kort: de rest van de strafwetten, buiten wetboek
Bv verkeersrecht staat in aparte wet
Toepasselijkheid van de beginselen van het algemeen strafrecht op het bijzonder strafrecht
Het spreekt vanzelf dat onverminderd andersluidende bepalingen, de bepalingen van boek I
SW van toepassing zijn op de misdrijven die in boek II SW worden omschreven.
De toepasselijkheid van de algemene beginselen van het algemeen strafrecht op de
misdrijven omschreven in de bijzondere strafwetten en verordeningen die niet in boek II SW