Deze fase draait om het in kaart brengen van (potentiële) personen in
onderbescherming, zonder hen al actief te benaderen.
Er staan twee kernvragen centraal:
1. Wie willen we opsporen?
Het gaat om het afbakenen van de doelgroep en het maken van prioritaire
keuzes.
Dit is niet altijd eenvoudig, zeker bij vage begrippen zoals “kansarmoede”,
omdat definities kunnen verschillen (Europees, lokaal, praktijkgericht).
Belangrijk:
- Afbakening van het doelpubliek
- Keuze van prioritaire groepen
Definitie beïnvloedt de verdere aanpak
2. Hoe gaan we hen opsporen?
Hier wordt een concrete aanpak uitgewerkt.
Vragen die hierbij horen:
- Waar kunnen we de doelgroep vinden?
- Welke methodes gebruiken we?
- Wie schakelen we in?
- Is de aanpak haalbaar en efficiënt?
De keuze van doelgroep (wie) heeft een directe impact op de aanpak
(hoe).
Vier methodes om doelgroepen op te sporen
We onderscheiden vier doelgroepafhankelijke methodes:
1. Gegevensbestanden
Gebruik van bestaande data (bv. administratieve gegevens)
2. Bestaande netwerken
Samenwerking met hulpverlening en organisaties
3. Scharniermomenten
Inspelen op belangrijke levensmomenten
4. Neveneffect van activiteiten
Mensen bereiken via andere initiatieven
Het profiel van de doelgroep bepaalt welke methode het meest geschikt is.
Ook goede nazorg kan richting geven aan de keuze van aanpak.