STRAFPROCESRECHT
Willemien Salomez
Samenvatting op basis van het handboek.
Willemien Salomez
[E-mailadres]
,Hoofdstuk 1. Inleiding
1.1 Definitie en situering van het strafprocesrecht
Het strafrecht in ruime zin omvat zowel het materiële strafrecht als het strafprocesrecht. Het
materiële strafrecht bepaalt welke handelingen of onthoudingen als misdrijf worden
beschouwd, welke straffen of maatregelen daarop staan en welke omstandigheden een
invloed kunnen hebben op de toepassing ervan. Het strafprocesrecht, ook wel
strafrechtspleging of formeel strafrecht genoemd, regelt vervolgens op welke manier de
overheid dat strafrecht correct moet toepassen. Het vormt dus de schakel tussen de
strafrechtelijke regels in theorie en hun concrete uitvoering in de praktijk.
Het strafprocesrecht omvat alle rechtsregels die van belang zijn om vast te stellen of een
misdrijf werd gepleegd, door wie het werd gepleegd, hoe aan de schuldige de wettelijk
bepaalde straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd, en welke instellingen en organen
daarvoor bevoegd zijn. Traditioneel wordt het strafprocesrecht ingedeeld in vier fasen: het
onderzoek, de vordering, de berechting en de strafuitvoering. Over die laatste fase bestaat wel
discussie, omdat sommigen van mening zijn dat de strafuitvoering niet tot het strafprocesrecht
behoort, maar eerder onder het penitentiair recht valt.
De doelstelling van het strafprocesrecht is dubbel. Enerzijds moet het systeem efficiënt
functioneren, zodat schuldigen zoveel mogelijk kunnen worden opgespoord en berecht en de
maatschappij op die manier beschermd wordt. Anderzijds mogen de overheidsinstellingen en
bevoegde organen niet over onbeperkte macht beschikken. Het strafprocesrecht moet daarom
ook voldoende waarborgen bevatten om te voorkomen dat onschuldige personen onterecht
worden vervolgd of gestraft en om het individu te beschermen tegen onrechtvaardig
overheidsoptreden.
1.2 Accusatoire en inquisitoire rechtspleging
De accusatoire rechtspleging wordt gekenmerkt door haar mondeling, openbaar en
tegensprekelijk karakter. Daarbij staat de bescherming van het individu centraal: de beklaagde
kan zich verdedigen tegenover de volledige gemeenschap en de rechter neemt een lijdelijke
rol in, waardoor hij niet actief tussenkomt in het geding. De aanklager en de aangeklaagde
staan in deze rechtspleging op gelijke voet tegenover elkaar.
De inquisitoire rechtspleging vertoont daarentegen een schriftelijk, geheim en niet-
tegensprekelijk karakter. De vervolging en berechting worden hierbij niet overgelaten aan de
gemeenschap zelf, maar worden opgenomen door vertegenwoordigers van de maatschappij.
Het proces verloopt dus meer achter gesloten deuren en zonder open debat tussen de partijen.
Ons strafprocesrecht is een gemengd systeem. Tijdens het onderzoek overheerst het
inquisitoire karakter, terwijl de berechting eerder accusatoir van aard is. Toch moet daarbij
worden opgemerkt dat het geheime karakter van het vooronderzoek in bepaalde gevallen
wordt doorbroken. Dat blijkt onder meer uit regels die meer inspraak of betrokkenheid van de
partijen mogelijk maken. Daardoor is het onderzoek vandaag minder strikt niet-tegensprekelijk
dan vroeger.
1
,1.3 Voornaamste bronnen van het strafprocesrecht
De belangrijkste bron van het strafprocesrecht is het Wetboek van Strafvordering. Hoewel dit
wetboek doorheen de tijd meermaals werd gewijzigd en aangevuld, blijft het in grote mate
gebaseerd op verouderde wetgeving. Er zijn dan ook herhaaldelijk pogingen ondernomen om
het wetboek grondig te hervormen, maar die voorstellen werden meestal niet omgezet in
wetgeving. Een belangrijke stap kwam er opnieuw in 1991 met de oprichting van een
Commissie Strafprocesrecht. De voorstellen van die commissie hebben uiteindelijk geleid tot
de wet van 12 maart 1998, die belangrijke wijzigingen heeft aangebracht aan de
strafrechtspleging, vooral in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk
onderzoek.
Naast het Wetboek van Strafvordering steunt het strafprocesrecht ook op een reeks bijzondere
wetten. Daarbij gaat het onder meer om regels over de voorafgaande titel van het Wetboek
van Strafvordering, de voorlopige hechtenis, de verzachtende omstandigheden, de
huiszoeking, de opschorting, het uitstel en de probatie, de bescherming van de maatschappij
en de jeugdbescherming. Ook recentere wetgeving, zoals de wet van 5 februari 2016, speelt
daarin een rol. Verder zijn ook de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Gerechtelijk
Wetboek belangrijke rechtsbronnen. Daarbovenop vormen ook internationale verdragen, de
rechtspraak en de rechtsleer een wezenlijk onderdeel van de bronnen van het
strafprocesrecht.
2
, Hoofdstuk 2. Vorderingen die uit een misdrijf
ontstaan
Uit een misdrijf ontstaat in de regel een strafvordering. Dat betekent dat de overheid, meer
bepaald het Openbaar Ministerie, in naam van de maatschappij kan optreden om de dader te
laten vervolgen en sanctioneren met een straf of maatregel. Die strafvordering ontstaat dus
doordat een misdrijf werd gepleegd.
Naast de strafvordering kan uit een misdrijf ook een burgerlijke vordering voortvloeien,
namelijk wanneer het misdrijf schade heeft veroorzaakt. Die burgerlijke vordering behoort toe
aan de benadeelde of het slachtoffer en is gericht op het herstel van de geleden schade. Ze
wordt niet ingesteld door het Openbaar Ministerie, maar door de persoon die door het misdrijf
werd getroffen en daarvoor vergoeding wil bekomen.
Niet elk misdrijf geeft echter aanleiding tot een burgerlijke vordering. Dat is enkel het geval
wanneer er daadwerkelijk schade werd veroorzaakt. Wanneer een misdrijf geen concrete
schade meebrengt, ontstaat er alleen een strafvordering.
2.1 De strafvordering
2.1.1 De uitoefening van de strafvordering
A. Openbaar Ministerie
De strafvordering wordt in principe uitgeoefend door het Openbaar Ministerie, meer bepaald
door de procureur des Konings, op de wijze die de wet bepaalt. Binnen de rechtbank van
eerste aanleg bestaat het Openbaar Ministerie uit de procureur des Konings en zijn
substituten. Daarnaast kunnen er ook eerste substituten, toegevoegde substituten en
gespecialiseerde substituten zijn, bijvoorbeeld voor fiscale, economische of
strafuitvoeringszaken. Ook gerechtelijk stagiairs kunnen, nadat zij aan bepaalde voorwaarden
voldoen, worden aangesteld om het ambt van het Openbaar Ministerie uit te oefenen.
Bij de arbeidsrechtbank wordt die taak vervuld door het arbeidsauditoraat, met de
arbeidsauditeur en de substituten-arbeidsauditeur, die optreden in sociale strafzaken. Bij het
hof van beroep bestaat het Openbaar Ministerie uit de procureur-generaal, de advocaten-
generaal en de substituten-procureur-generaal. Bij het Hof van Cassatie is er de procureur-
generaal bij het Hof van Cassatie, bijgestaan door advocaten-generaal. Daarnaast bestaat ook
het federaal parket, onder leiding van de federale procureur, dat bevoegd is voor het hele land
en vooral optreedt in grensoverschrijdende, internationale of bijzonder complexe
gespecialiseerde dossiers. Sinds 2021 werd bovendien ook de Europese aanklager in het
strafprocesrecht opgenomen. De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese
aanklager beschikken over de wettelijke bevoegdheden van de procureur des Konings voor
de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren en kunnen in dat kader opsporings- en
onderzoekshandelingen stellen of laten stellen en de strafvordering instellen.
De strafvordering instellen betekent dat een zaak bij een rechter aanhangig wordt gemaakt. In
het opsporingsonderzoek gebeurt dat door de procureur des Konings. In het gerechtelijk
onderzoek kunnen ook andere rechterlijke instanties betrokken zijn. Het Openbaar Ministerie
beslist over de vervolging op basis van het opportuniteitsbeginsel. Dat betekent dat het zelf
beoordeelt of het aangewezen is een zaak voor de rechter te brengen. Het kan dus beslissen
om te vervolgen, maar ook om te seponeren of te kiezen voor een buitengerechtelijke
3