Inhoud
1. Inleiding ...........................................................................................................................3
1.1. Mondgezondheid .....................................................................................................3
1.2. Cariës......................................................................................................................4
1.3. Periodontitis ............................................................................................................4
1.4. Oral Cancer (mondkanker) .......................................................................................5
1.5. Oro-dentaal trauma .................................................................................................5
1.6. CLP (Cleft Lip and Palate) .........................................................................................6
2. Ecologie van de mond.......................................................................................................6
2.1. Tanden ....................................................................................................................7
2.1.1. Anatomie van de tand .......................................................................................9
2.1.2. Macromorfologie occlusale vlakken ................................................................ 10
2.1.3. Glazuur .......................................................................................................... 11
2.1.4. Dentine-pulpacomplex (dentine) .................................................................... 12
2.1.5. Cementum..................................................................................................... 14
2.2. Speeksel ................................................................................................................ 14
2.2.1. Speekselproductie en speekselklieren ............................................................ 14
2.2.2. Functie van speeksel ...................................................................................... 15
2.2.3. Hyposalivatie ................................................................................................. 22
2.3. Verandering speeksel en tand met de leeftijd .......................................................... 25
3. Cariës en aandoeningen harde tandweefsel .................................................................... 27
3.1. Cariës.................................................................................................................... 27
3.1.1. Etiologie en pathogenese van cariës................................................................ 27
3.2. De biofilm: plaque en cariës ................................................................................... 30
3.2.1. De plaque of biofilm ....................................................................................... 30
3.2.2. De ecologische plaque hypothese .................................................................. 33
3.2.3. Voeding en cariës ........................................................................................... 35
3.3. Fluoride ................................................................................................................. 38
3.4. Remineralisatie en ‘arrest’ ...................................................................................... 43
4. Parodontitis ................................................................................................................... 45
4.1. Parodontologie ...................................................................................................... 45
4.1.1. Biofilm ........................................................................................................... 50
1
,5. Andere frequente pathologie zachte weefsels.................................................................. 52
5.1. Virale infecties ....................................................................................................... 52
5.1.1. Herpetische gingivostomatitis......................................................................... 52
5.1.2. Mononucleosis (Epstein-Barr virus) ................................................................. 53
5.1.3. Herpangina en Hand-voet-mondziekte (HFMD)................................................ 54
5.1.4. Herpes zoster virus (VZV) – varicellazostervirus ............................................... 55
5.2. Ulceratieve en vesiculobulleuze laesies .................................................................. 55
5.2.1. Terugkerende afteuze ulceraties (20% vd populatie) ......................................... 56
5.3. Rode laesies .......................................................................................................... 59
5.3.1. Epuliden en exofytische laesies ...................................................................... 59
5.3.2. Geruptuurde cyste of hematomen .................................................................. 59
5.4. Gistinfecties – candidiasis ...................................................................................... 60
6. Andere aandoeningen van de harde tandweefsels ........................................................... 63
6.1. Verworven defecten van de harde tandweefsels ...................................................... 63
6.1.1. Pathogenese van erosie (biologisch evenwicht) ............................................... 64
6.2. Ontwikkelingsdefecten van de harde tandweefsels ................................................. 67
6.2.2. Hypermineralisatie en hypoplasie .......................................................................... 67
7. Dentaal trauma .............................................................................................................. 71
8. Antibiotica en pijnstilling................................................................................................. 73
8.1. Bacteriële odontogene infecties ............................................................................. 73
9. Risicogroepen en algemene gezondheid.......................................................................... 77
9.1. Risicogroepen........................................................................................................ 77
9.2. Gemeenschappelijke risicofactoren ....................................................................... 79
2
, 1. Inleiding
1.1. Mondgezondheid
Mondgezondheid =
Mondgezondheid = essentieel voor de algemene gezondheid en levenskwaliteit.
Toestand vrij van pijn in de mond en het gezicht, mond- en keelkanker, orale infecties en
zweren, parodontale aandoeningen, tandbederf, tandverlies en andere ziektes of
aandoeningen.
Zodat men het vermogen om te bijten, kauwen, glimlachen, spreken en het
psychosociaal welzijn kan behouden.
Mondziektes zijn grotendeels te voorkomen maar vormen nog steeds een groot wereldwijd
gezondheidsprobleem => veroorzaken pijn, ongemak, verminking en overlijden
Voorkomen =
= 3,5 miljard mensen wereldwijd (iets minder dan de helft van de wereld).
meest voorkomende niet-besmettelijke ziekte:
- Onbehandelde cariës (tandbederf)
Behandeling en toegankelijkheid =
De behandeling voor algemene mondgezondheid = duur; niet altijd opgenomen in de universele
gezondheidszorg (UHC).
In België is onder de leeftijd van 18 de behandeling voor mondgezondheid zeer goed
terugbetaald.
De problemen voor toegankelijkheid en betaalbaarheid zit vooral in de lage- en
middelinkomenslanden => onvoldoende middelen voor preventie en behandelingen.
Oorzaken (risicofactoren) =
Mondziektes worden veroorzaakt door verschillende risicofactoren:
- Suikerconsumptie => belangrijkste oorzaak van cariës
- Tabak
- Alcohol
- Slechte mondhygiëne
Andere onderliggende factoren zijn:
- Sociale factoren
- Commerciële invloeden
Belangrijk voor preventie en advies aan patiënten
3
, 1.2. Cariës
Cariës is een zeer frequente aandoening wereldwijd:
- 2 miljard mensen hebben cariës in het blijvend gebit
- 520 miljoen kinderen hebben cariës in het melkgebit
De belangrijkste oorzaken = (vooral leefstijlfactoren)
- Suiker => belangrijkste oorzaak van cariës
- Onvoldoende mondhygiëne => plaque worden niet verwijderd
- Te weinig fluoride => minder bescherming tegen het zuur/
Gevolgen =
- Pijn
- Infectie
- Eventueel tandverlies
Mechanisme/ontstaan cariës =
Tijdens het eten/drinken komt er suiker in je mond (vooral vrije suikers afkomstig van frisdrank,
snoep en koekjes).
De bacteriën in de plaques (= bacterielaag op tanden) gebruiken die suikers en zetten deze om
via hun metabolisme. Als bijproduct maken bacteriën zuren (vooral melkzuur). Dit zorgt voor
daling van pH in de mond (pH < 5,5).
Bij lage pH lossen de mineralen uit het glazuur op (calcium en fosfaat) => demineralisatie. Het
glazuur wordt hierdoor zwakker en er ontstaan ‘white spots’ (= eerste letsel)
Suiker => bacteriën (plaques) => zuur => pH ↓ => glazuur lost op => cariës
Tijdens de periode met het melkgebit, eten kinderen veel snoepjes, koekjes,… (veel suiker) en
door een minder goede mondhygiëne als kind (niet gng je tanden poetsen,…), een te lage
bescherming door fluoride => hoog risico voor cariës.
1.3. Periodontitis
Voorkomen =
Komt vaak voor bij volwassenen:
- 14% vd wereldbevolking (volwassenen) = > 1 miljard mensen wereldwijd
Bij gezonde kinderen komt het niet voor; enkel zeldzaam bij:
- Systemische aandoeningen
- Ernstige immuunproblemen
Oorzaken = (vooral leeftijdsgebonden factoren)
- Slechte mondhygiëne: plaque blijft aanwezig => ontsteking van het tandvlees
- Roken = > versterkt de ontsteking, verslechtert de genezing => ↑ ernst van de ziekte
4
,Mechanisme =
Door slechte mondhygiëne, blijft het plaque aanwezig waardoor gingivitis ontstaat (= ontsteking
van het tandvlees). Indien dit onbehandeld blijft, breekt het parodontaal ligament en het bot af
=> loslating van tand en tandverlies.
1.4. Oral Cancer (mondkanker)
Voorkomen =
Komt relatief minder frequent voor, maar is een ernstige aandoening
4 gevallen per 100 000 mensen wereldwijd (grote variatie: 0-22 gevallen per 100 000
mensen)
Er is wereldwijd een grote variatie voor mondkankers. Dit komt omdat het ontstaan afhankelijk is
van:
- Leefstijl
- Risicogedrag
- Regio/land
Sterk plaatsafhankelijk
Risicofactoren=
- Roken
- Alcohol
Combinatie = extra risico
Belangrijk is om altijd goed in de mond te kijken. De typische locatie voor het ontstaan van een
mondtumor = onder de tong (ook lip en andere delen van de mondholte).
Zie samenvatting hoofd-hals NKO voor diepgaande informatie!
1.5. Oro-dentaal trauma
Voorkomen =
Komt zeer frequent voor; ongeveer 20% van de mensen wereldwijd krijgt ooit een tandtrauma.
Onbehandeld = ↓ levenskwaliteit
1 trauma = ↑ kans op nieuw trauma
Oorzaken =
Vaak een combinatie van:
- Orale factoren: malpositie van de tanden (slechte stand)
- Omgevingsfactoren: onveilige speelplaats, risicogedrag, verkeersongevallen, geweld
Behandeling =
Is vaak zeer duur en langdurig en kan soms lijden tot tandverlies => complicaties voor gezichts-
en mentale ontwikkeling + levenskwaliteit.
5
, 1.6. CLP (Cleft Lip and Palate)
Voorkomen =
CLP = meest voorkomende craniofaciale aangeboren afwijking: 1 op 1000-1500 geboortes
Variaties tussen populaties; komt vaker voor in lage inkomenslanden
Oorzaken =
- Genetische predispositie (= belangrijkste factor)
- Omgevingsfactoren tijdens de zwangerschap: slechte voeding, roken, alcohol, obesitas
Het probleem bij lage-inkomenslanden = beperkte toegang tot zorg => ↑ neonatale mortaliteit.
Behandeling =
Indien correct behandeld:
- Chirurgische correctie
- MDP aanpak
Volledige rehabilitatie mogelijk (= probleem in lage-inkomenslanden)
2. Ecologie van de mond
Ecologie van de orale caviteit =
Ecologie = dynamiek van interacties tussen:
- Organisme (bv. bacteriën)
- Hun omgeving (mond)
- En alle factoren die daarop inspelen
De mond is een ecosysteem waarin verschillende factoren met elkaar interageren: bacteriën,
tanden, speeksel, plaque (biofilm => enkel fysiek verwijderen door tanden te poetsen),
pathologie en andere factoren.
Alles beïnvloedt elkaar continu
Biofilm = verschillende bacteriën die zich hechten aan het tandoppervlak en samenwerken. Het
is dus niet 1 bacterie die de biofilm vormt maar een complexe gemeenschap.
BELANGRIJK: een gezonde mondflora = factoren zijn in evenwicht/balans. Wanneer er een
verstoring is van deze balans => ontstaan van ziekte/pathologie.
6
, 2.1. Tanden
Tanden =
Kind (melkgebit) = 20 tanden (geen premolaren, enkel snij- en hoektanden en melkmolaren).
Volwassen gebit = 32 tanden (snij- en hoektanden, premolaren en molaren)
Tand ontwikkeling =
De ontwikkeling van tanden is een complex proces. Het centrale idee is dat wat je uiteindelijk
ziet in je mond (fenotype) het resultaat is van meerdere invloeden:
Cells => developmental process => phenotype (zichtbare tand)
Factoren die een rol spelen =
1) Genetische factoren:
a. Genetic predisposition (bv vorm, aantal tanden) => multifactorieel; single gene of
major e ect
b. Genetic modifiers => beïnvloeden het e ect van andere genen; maken iets
erger/milder
Bv. ectodermale dysplasie = afwijking door genetische factoren (predisposition +
modifiers)
7
, 2) Epigenetica = hoe genen “aan/uit” staan
a. Specifiek (bv. enzymen zoals demethylase)
b. Breder (bv. hormonale invloeden in utero)
Beïnvloeden hoe genen tot uiting komen.
3) Omgevingsfactoren
a. Voeding
b. Nieraandoeningen = minder activatie van vitD => verstoorde calciumbalans (te
weinig in het bloed) => e ect op de tandontwikkeling (↑ cariësrisico)
Beïnvloeden tandvorming tijdens ontwikkeling
4) Omgevingschallenges
a. Veel complicaties/schadelijk invloeden door: infectie, koorts, trauma,…
BELANGRIJK = tandontwikkeling is multifactorieel en dus niet enkel genetisch maar een
combinatie van genen, epigenetica en omgeving.
Tanden ontwikkelen zich lang voor ze zichtbaar zijn. Wat er gebeurt tijdens die ontwikkeling
bepaalt de kwaliteit van de tand.
Eerste levensjaren =
Dit is een cruciale periode. Tot het 4de levensjaar zijn tanden en hun ontwikkeling zeer kwetsbaar:
- Glazuur is nog in ontwikkeling
- Mineralisatie is nog bezig
Zeer gevoelig voor invloeden van buitenaf
Tetracycline =
Tetracycline (breed spectrum antibioticum) mag niet gegeven worden aan kinderen < 8 jaar. Dit
omdat tetracycline bindt aan calcium en wordt ingebouwd in de tanden tijdens ontwikkeling.
Hierdoor kleuren de tanden permanent geel/bruin en kunnen ze zwakker glazuur bevatten.
Timing =
Tijd/timing = zeer belangrijk; verstoring tijdens de ontwikkeling van tanden = blijvende schade.
8
, 2.1.1. Anatomie van de tand
De tand bestaat uit 2 grote delen:
- Kroon => zichtbare deel boven het tandvlees
- Wortel => zit in het bot
Hiertussen = tandhals
Glazuur =
= buitenste laag van de kroon en het hardste weefsel in het lichaam en beschermt de tand.
Glazuur = geen gevoel!
Dentine-pulpacomplex =
- Dentine = buitenste deel:
o ligt onder het glazuur en is minder hard
- Pulpa = binnenste deel:
o Bevat zenuwen en bloedvaten
Zorgt voor gevoeligheid en vitaliteit vd tand.
Cement =
Bedekt de wortel en zorgt voor de aanhechting van het parodontaal ligament.
Parodontaal ligament =
Vezels tussen tand en bot en zorgt voor:
- Verankering
- Lichte beweeglijkheid
Alveolair bot = bot waarin het tand vastzit
Gingiva = beschermt onderliggende structuren
Cariës =
Start in het glazuur => naar dentine => bereikt pulpa = pijn/infectie
9
, 2.1.2. Macromorfologie occlusale vlakken
Occlusale vlakken =
= Kauwvlakken van de tanden (vooral molaren en premolaren). Deze vlakken hebben:
- Putten (pits)
- Fissuren (groeven)
= kleine inkepingen in het tandoppervlak
In deze pitten en fissuren blijven plaque hangen, welke moeilijker te reinigen zijn met je
tandenborstel => ↑ risico op cariës.
Thv de approximale vlakken kan je ook gaatjes krijgen door voedsel/plaques die blijven
hangen doordat dit een zeer moeilijk plaats is om te poetsen.
Cervicale glazuur-dentinegrens en wortels =
Sulcus = kleine spleet tussen je tand en tandvlees. Het heeft een normale structuur maar:
- Moeilijk plaques verwijderen => plaques accumulatie (bacteriën hopen zich op)
Hierdoor ontstaan er cariës, vooral bij blootliggende wortels door terugtrekkend tandvlees. Het
worteloppervlak is:
- Minder gemineraliseerd => gevoeliger voor cariës
Parodontitis = ontsteking van het tandvlees dat vaak ontstaat uit de plaques -> gingivitis.
Deze zone = overgangsgebied + moeilijk bereikbaar => hoog risico op zowel cariës als
parodontale aandoeningen.
10