H11:media en communicatie
1 soorten communicatie
Er zijn verschillende soorten communicatie -> je kan een onderscheid maken
o.b.v. het gekozen medium= het kanaal waardoor er gecommuniceerd wordt
er is ook sprake van verbale, non-verbale of subverbale communicatie
ook kan je een indeling maken o.b.v. doelpubliek= bv vrienden of leerkracht
interpersoonlijke communicatie= er is sprake van 1 of enkele ontvangers
massacommunicatie= de spreker probeert zo een groot mogelijke groep te
bereiken
Bij massacommunicatie verloopt de communicatie indirect via een
(massa)medium, er is dus een drager nodig om de boodschap te verspreiden
-> door allerlei technologische ontwikkelingen hebben digitale media steeds een
belangrijkere plek in ons leven
-> traditionele media zoals papieren kranten verliezen steeds meer hun terrein
door digitale media, er wordt nu massaal veel informatie verspreid door sociale
media
De term massamedia houdt niet in dat lezers een brede variatie aan
onderwerpen aangeboden krijgen, sommige massamedia richt zich niet op
iedereen -> ze richten zich op een specifieke groep die geïnteresseerd is in een
bepaald onderwerp
nichepubliek= de ontvangers van massamedia die op een specifieke doelgroep
gericht zijn
2 communicatiemodellen
2.1 aristoteles
Communicatiemodel van Aristoteles is een van de oudste in de westerse wereld
-> hierin onderscheidt hij 5 elementen:
Spreker
Boodschap
Gelegenheid
Publiek
Effect
In zijn model had de spreker een belangrijke rol, bij bepaalde gelegenheden
proberen sprekers hun publiek voor zich te winnen door zorgvuldige woordkeuze
en aandacht te besteden aan hun lichaamstaal, oogcontact en intonatie -> zo
zullen politici (de sprekers) hun boodschap in een verkiezingscampagne
(gelegenheid) zo goed mogelijk verpakken om hun publiek te overtuigen om voor
hen te stemmen (effect)
Om anderen voor zich te winnen gebruikte Aristoteles 3 overtuigingsmiddelen:
1. Ethos= spreker
, 2. Pathos= publiek
3. Logos= boodschap
- Ethos= de geloofwaardigheid en de mate van autoriteit van de spreker ->
wie bekend staat om veel realisaties of kwalificaties in een bepaald
onderwerp beschikt over veel autoriteit en geloofwaardigheid, ethos kan
snel schade oplopen bv. Als de spreker gelinkt is aan corruptiezaak of
schandaal
- Pathos= het vermogen om een band te bouwen met het publiek en in te
spelen op emoties van mensen, ze moeten zich aangesproken voelen door
humor, intonatie, spreektempo en persoonlijk verhaal
- Logos= gaat over logische redeneren en argumentatie, het gaat om de
boodschap en vooral de feiten, het publiek moet ervan overtuigd zijn dat
de uitspraak klopt
-> vandaag wordt dit model nog steeds gebruikt in de politiek, maar dan via
eenrichtingsverkeer: van spreker naar een passief publiek
2.2 Shannon en Weaver
Shannon en Weaver voegde 3 elementen toe aan het model: coderen,
decoderen en ruis
-> om de communicatie te doen slagen moeten de zender en de ontvanger
beschikken over dezelfde code -> de zender zet de boodschap in de code en de
ontvanger zal de boodschap decoderen, een code bestaat uit tekens, regels en
conventies die bepalen hoe en in welke context de tekens worden gebruikt en
hoe ze gecombineerd worden
-> de communicatie verloopt daarbij niet in een vacuüm maar in een bepaalde
context, er zijn heel veel socioculturele factoren die de communicatie kunnen
beïnvloeden
-> er kan op elk moment ruis optreden, dat is een storende factor die de
communicatie belemmerd, we onderscheiden fysieke, fysiologische,
psychologische, semantische ruis
2.3 Lasswell
Lasswell is de grondlegger van de communicatiewetenschap, hij onderzocht
mechanismen van propaganda en massacommunicatie die hij probeerde te
schematiseren aan de hand van 5 vragen:
WHO says WHAT to WHOM through what to CHANNEL with WHAT EFFECT?
WIE zegt WAT aan WIE via welk KANAAL met welk EFFECT?
Wie? De zender, degene die communiceert
Zegt wat? De inhoud van de boodschap