, Chapitre 1. Les indispensables
1. Communiquer
1.1. Langue = taal
1.1.1. Des mots masculin
L’article Het lidwoord
Le point Het punt
Le langage Het taalgebruik
Le langage familier De omgangstaal
Le signe Het teken
Le mot Het woord
Le terme Het woord, de term
1.1.2. Des mots féminin
La structure De structuur, de (op)bouw
La langue De taal
La langue maternelle De moedertaal
La phrase De zin
1.1.3. Des verbes
Prononcer Uitspreken
La prononciation De uitspraak
Traduire Vertalen
La traduction De vertaling
, 1.2. Débat et opinion = debat en mening
1.2.1. Des mots masculin
Le détail Het detail
Le dialogue De dialoog, het gesprek
Le but Het doel
Le geste Het gebaar
Le secret Het geheim
Secret, secrète Geheim, heimelijk
L’avis De mening
L’entretien (m) Het onderhoud, het gesprek
Le sujet (de la réunion) Het onderwerp (van de vergadering)
Le principe Het principe
Le point de vue Het standpunt, de mening
Le silence De stilte
L’accord De toestemming, de overeenkomst
Donner son accord Zijn toestemming geven
1.2.2. Des mots féminin
La conversation Het gesprek
L’idée Het idee
L’opinion De mening
La question De vraag
Poser une question Een vraag stellen
La raison De reden, het gelijk
Raisonnable Redelijk, verstandig
La vérité De waarheid
La parole/les paroles Het woord/de tekst van een liedje
Prendre la parole Het woord nemen
1.2.3. Des verbes
Recommander Aanbevelen, aanraden
Vu que Aangezien
Sinon Anders, indien niet
Pars, sinon tu seras en retard. Vertrek, anders ben je te laat.
Grâce à Dankzij
C’est-à-dire (c.-à-d.) Dat wil zeggen, met andere woorden
Discuter de Discussiëren over iets, iets bespreken
La discussion De discussie
À cause de Door, wegens, vanwege
Donc Dus
Exiger Eisen
, Répéter Herhalen
La répétition De herhaling
Au lieu de In plaats van
Prendre l’initiative (f) Initiatief nemen
Choisir Kiezen
Le choix De keuze
Mentir Liegen
Le mensonge De leugen
Communiquer Meedelen, op de hoogte brengen (van)
La communication De mededeling, het communiceren
Signaler Melden
Ou Of
Pour Om te, voor
Révéler (un secret) Onthullen (een geheim)
Arrêter/s’arrêter Ophouden, aanhouden, (zelf) stoppen
Remarquer Opmerken
La remarque De opmerking
Appeler Oproepen, roepen, opbellen
L’appel (m) téléphonique De (telefonische) oproep
Justifier Rechtvaardigen
Écrire Schrijven
L’écriture (f) Het handschrift
Rédiger Schrijven, opstellen
La rédaction De redactie, het schrijven, het opstellen
Épeler (attention à la conjugaison = j’épèle) Spellen
Contredire (quelqu’un) (iemand) tegenspreken
Alors que Terwijl (daarentegen)
Ajouter Toevoegen
Douter Twijfelen
Le doute De twijfel
Provoquer Uitdagen, provoceren, veroorzaken
La provocation De provocatie
Exprimer Uitdrukken, uiting geven aan
L’expression (f) De uitdrukking
Expliquer Uitleggen, verklaren
L’explication De uitleg
Constater Vaststellen
Le constat De vaststelling
Le constat d’accident Het ongevallenformulier
Étonner Verbazen
Déclarer Verklaren, bekendmaken
La déclaration De verklaring
Raconter Vertellen
Raconter la vérité De waarheid vertellen