Aanbevolen lectuur:
- The Economist, Financial Times, De Tijd, Trends
- DG EcFin (Eurocommissie), IMF, World Bank
- Journal of Economic Perspectives, American Economic Review
Voorbeeld examenvraag
oorzaak: Balance Budget Multiplier
, GLOBALE ECONOMIE: LES1
Hoofdstuk 18: Macro Economie
- Groei (meetbaar met BBP) belangrijk, zodat inkomen stijgt en er meer welvaart
o BBP
§ Maatstaf van welvaart
§ Zegt niets over verdeling, geluk van bevolking, …
§ Prijs v/e product zegt niets over hoeveel dat product voor iemand
waard is
§ Er bestaan alternatieve maatstaven
- Werkloosheid
o Determinanten van werkloosheid, en hoe we die kunnen beïnvloeden
- Inflatie
o Gemeten door index, kijken naar evolutie prijsniveau
Macro-economie vs. macro-economie
- Macro: gedrag van alle consumenten bestuderen (globale consumptievraag)
- Micro: gedraag van individuele consumenten
- Macro: gedrag van alle producenten in een land
- Micro: gedrag van individuele producenten of markten
, GLOBALE ECONOMIE: LES1
ECB
- Europese Centrale Bank
- Monopolierecht om geld bij te drukken
- In macro-economie is de expliciete rol en functie van‘geld’
en dus de ECB belangrijk
Nut macro-economie
- ¹ optelsom micro-economie: extra inzichten!
- Argumenten volgen:
1) kringloop
- Som transacties in een markt voor finale
goederen en diensten
= p*q + p*q +p*q +p*q
- Gezinnen krijgen inkomens, waarmee ze
o Consumptiegoederen kopen
o Sparen à lek in kringloop
- Prijs stijgt à zal q dalen?
o Micro-economie: ja à wet van de vraag
o Macro-economie: niet per sé à prijzen stijgen, dus inkomens stijgen à meer
consumptie à vraag kan zelfs toenemen
- Wet van Say
o Elk aanbod schept haar eigen vraag
2) het belang van geld
- Er beantwoordt een geldkringloop aan de kringloop van goederen en diensten
o Geldhoeveelheid M (= voorraadvariabele)
o Geldwaarde van productie PQ (= stroomvariabele)
o Omloopsnelheid v: meet hoeveel bestaande geldvoorraad wordt gebruikt in
transacties tijdens een bepaalde periode
o 𝑀𝑉
P*Q:
- Identiteit van Fischer: 𝑃 ∗ 𝑄 = 𝑀 ∗ 𝑉 M * V : financiële stroom
o Bv. eenvoudige economie met 50 euro, in totaal wordt er voor 100 euro
verkocht. Die geldhoeveelheid wordt dus 2 keer gebruikt: M=50, V=2
o Nut Fischer: stel dan M daalt (2007-2009), dan moeten p of q ook dalen (want
V blijft min of meer gelijk)
à geld heeft een grote invloed op de economie
, GLOBALE ECONOMIE: LES1
3) informatie- en coördinatieproblemen
- Bijvoorbeeld: onzekerheid over toekomst à bedrijven kijken naar elkaar en stellen
investeringen mogelijk uit (totdat bv. de marktleider beslist om te investeren)
o Selffulfilling prophecy: Investeringsboom of terugval investeringen
- Animal spirits
o Kuddegedrag: gedrag vertonen omdat we de rest volgen
§ Vlagen van optimisme en pessimisme
§ Bv. bitcoin, Gamestop
- Spaarparadox
o Spaarquote stijgt als er onzekerheid is à minder consumeren
o à lek in kringloop: minder gekocht à meer overschot
o à minder tewerkstelling à nog meer werkloosheid