Tika van campenhout histologie
INHOUDSTAFEL
DEEL 1. INLEIDING
DEEL 2. MICROSCOPISCHE TECHNIEKEN
DEEL 3. ALGEMENE HISTOLOGIE (WEEFSELLEER)
3.1 EPITHEEL
3.2 BINDWEEFSEL
3.3 KRAAKBEEN
3.4 BOTWEEFSEL
3.5 SPIERWEEFSEL
3.6 ZENUWWEEFSEL
DEEL 4. BLOED EN BLOEDVORMING
4.1 BLOED
4.2 BLOEDVORMING
DEEL 5. ZINTUIGEN
5.1 CHEMORECEPTOREN: REUK EN SMAAK
5.2 RECEPTOR VOOR LICHT: HET OOG
5.3 RECEPTOR VOOR GELUID EN EVENWICHT: HET OOR EN EVENWICHTSORGAAN
DEEL 6. HET INTEGUMENT
1
,Tika van campenhout histologie
DEEL 1. INLEIDING
De meeste organen zijn opgebouwd uit verschillende weefsellaagjes ( tunica = laagje )
Weefseltypen:
- Epithelen
- Bindweefsels
- Spierweefsels
- Zenuwweefsel
Welke fysiologische processen vinden plaats in de dunne darm:
- Passage voedselbolus: hiervoor is een lumen nodig dat afgelijnd is door epitheel en slijm voor
voorgeleiding
- Opname voedingsstoffen: hiervoor zijn darmvlokken (= villi) en uitstulpingen aan het celoppervlak
(= microvilli) nodig. Voor de absorptie en afgifte van voedingstoffen is een éénlagig epitheel en
celorganellen voor de verwerking nodig. Het vervoeren gebeurt door de lymfevaten.
- Peristaltische beweging (= samentrekking van spieren): door spierweefsel, dit wordt aangestuurd
door het zenuwweefsel
- Transport en verdediging: gebeurt door de bloedvaten en witte bloedcellen
- Beschadiging en herstel: stamcellen hernieuwen het epitheel (mitose)
DEEL 2. MICROSCOPISCHE TECHNIEKEN
Weefselvoorbereiding:
Fixatie = het bewaren van de structuur van weefsels en
cellen door middel van cross- linking van eiwitten
Inbedden en snijden:
- Orgaan fixeren en naspoelen.
- Ontwateren (stijgende alcohol reeks): steeds meer ethanol toevoegen tot orgaan 100% in ligt.
- Inbedden in paraffine: dit maakt het hard.
- Microtoomcoupes: ultra dunnen sneden maken.
- Opvangen op draagglaasje en drogen.
- Kleuring: verschillende soorten (HE, trichroom, azan, PAS, orceine, …).
Samengestelde microscoop:
- Focaal vlak = waar het beeld scherp wordt gesteld.
- Condensor = bundelt licht op preparaat.
- Objectief = vormt tussenbeeld en bepaald vergroting.
- Oculair = vergroting beeld en projectie op netvlies van het oog.
2
,Tika van campenhout histologie
- Numerieke apertuur (NA) = geeft aan hoeveel licht een microscoop kan opvangen en hoe scherp
het beeld is.
- Resolutie (R) = kleinste afstand waarmee 2 punten nog net gescheiden worden weergegeven
Fluorescentie = het verschijnsel waarbij een stof licht uitzendt nadat ze licht
heeft geabsorbeerd: emissielicht (het licht die de stof uitzendt) heeft minder
energie/ lagere gollengte dan excitatielicht ( het licht binnenkomt in de stof).
Fluochromen: zijn kleurstoffen die oplichten wanneer er licht op schijnt (bv, pollenkorrel). Fluorescente
eiwitten kunnen zelf licht uitzenden nadat ze met licht zijn bestraald
Immunohistochemie: Door een eiwit (of epitoop) in een dier te injecteren, maakt het dier specifieke
antilichamen aan die daarna uit het bloed worden geïsoleerd.
Immunohistochemische kleuringen (immunofluorescentie): maakt gebruik van antilichamen voor
detectie eiwitten
Transmissie elektronen microscopie: gebruikt elektronen als lichtbron. De golflengte van elektronen is
veel kleiner dan die van licht = specifieker.
Het prepraat moet dun genoeg zijn want de elektronen moeten erdoor kunnen.
DEEL 3. ALGEMENE HISTOLOGIE (WEEFSELLEER)
3.1 EPITHELEN
= een nauw aansluitende laag van dicht opeengepakte cellen. Dit is omdat in epithelen extreem lage
hoeveelheden extracellulaire matrix voorkomen.
we zien zeer nauwe spleten (20 – 50 nm) die gevuld zijn met interstitiële vloeistof. Hierdoor kan diffusie
plaatsvinden zodat voedingsstoffen krijgen en afvalstoffen kunnen worden afgevoerd.
Epitheel word gedefinieerd als een avasculair (geen bloedvaten) en bijna volledig cellulair (met weinig of
geen intercellulaire matrix) aggregaat van cellen die gespecialiseerd zijn in absorberende, secretorische,
beschermende of sensorische activiteiten.
Basaalmembraan = verbinding tussen epitheel en onderliggend bindweefsel.
Cytoskelet = skelet van de cel: zorgt voor versteviging en vorm. Het cytoskelet bestaat uit keratine:
Epitheelcellen produceren keratine- eiwitten die specifieke keratine filamenten vormen
3
, Tika van campenhout histologie
Epitheelcellen zijn gepolariseerd:
Apicaal domein: microvilli, stereocilia, cilia, flagellen
APICAAL DOMEIN
- Microvilli zijn vrij korte (1 µm) uitsteeksels van de cel die het apicale
celoppervlak vergroten. Bv in de dunne darm.
Binnenin betsaat deze uit actinefilamenten (met extyra actine bindende
eiwitten zodat alles in bundels blijft zitten) deze zijn gehecht aan het
terminaal web.
Rond het opp van de microvilie ligt de celmembraan, hierop ligt een laagje:
glycocalyx, dit zijn koolhydraatketens van membraaneiwitten en –lipiden
staafjeszoom = verzameling van microvilli.
- Stereocilia (Lat. stereos = stevig). Deze zijn wat langer en soms vertakt; hun functie is
uiteenlopend maar ze zijn niet beweeglijk.
- Cilia (trilharen), deze kunnen actief bewegen hiervoor zijn microtubuli nodig (deze
ontwikelen vanuit het basaal lichaampje, wat verankerd us in het terminaal web)
Centraal zitten centrale microtubuli, daarrond zitten 9 doubletten = axonema (microtubuli die aan
elkaar zijn gehecht) deze doubletten worden verbonden door nexine, deze hebben een
uitsteekseltje,het dyeine (motoreiwit), zorgt dat elk doublet ‘wandelt’ over het naastliggende
- Flagellen komen enkel voor bij spermatozoa, hebben ook een centraal axonema van
microtubuli (voor beweegelijkheid) om alle energie te kunnen aanleveren zijn
mitochondria nodig.
LATERAAL DOMEIN
= de kant waar onze cellen aan elkaar vast gehecht zitten = intercellulaire verbindingen
Indeling nagelang vorm:
- Macula: ronde of puntvormige verbinding
- Zonula: bandvormige structuur
- Fascia: onregelmatigere verbinding
Indeling naargelang functie
- Occludensverbindingen: afsluiting van intercellulaire ruimten (tight junction): bestaat uit,
claudine en occludie (eiwitten), zorgen dat alles netjes met elkaar verbonden is.
4
INHOUDSTAFEL
DEEL 1. INLEIDING
DEEL 2. MICROSCOPISCHE TECHNIEKEN
DEEL 3. ALGEMENE HISTOLOGIE (WEEFSELLEER)
3.1 EPITHEEL
3.2 BINDWEEFSEL
3.3 KRAAKBEEN
3.4 BOTWEEFSEL
3.5 SPIERWEEFSEL
3.6 ZENUWWEEFSEL
DEEL 4. BLOED EN BLOEDVORMING
4.1 BLOED
4.2 BLOEDVORMING
DEEL 5. ZINTUIGEN
5.1 CHEMORECEPTOREN: REUK EN SMAAK
5.2 RECEPTOR VOOR LICHT: HET OOG
5.3 RECEPTOR VOOR GELUID EN EVENWICHT: HET OOR EN EVENWICHTSORGAAN
DEEL 6. HET INTEGUMENT
1
,Tika van campenhout histologie
DEEL 1. INLEIDING
De meeste organen zijn opgebouwd uit verschillende weefsellaagjes ( tunica = laagje )
Weefseltypen:
- Epithelen
- Bindweefsels
- Spierweefsels
- Zenuwweefsel
Welke fysiologische processen vinden plaats in de dunne darm:
- Passage voedselbolus: hiervoor is een lumen nodig dat afgelijnd is door epitheel en slijm voor
voorgeleiding
- Opname voedingsstoffen: hiervoor zijn darmvlokken (= villi) en uitstulpingen aan het celoppervlak
(= microvilli) nodig. Voor de absorptie en afgifte van voedingstoffen is een éénlagig epitheel en
celorganellen voor de verwerking nodig. Het vervoeren gebeurt door de lymfevaten.
- Peristaltische beweging (= samentrekking van spieren): door spierweefsel, dit wordt aangestuurd
door het zenuwweefsel
- Transport en verdediging: gebeurt door de bloedvaten en witte bloedcellen
- Beschadiging en herstel: stamcellen hernieuwen het epitheel (mitose)
DEEL 2. MICROSCOPISCHE TECHNIEKEN
Weefselvoorbereiding:
Fixatie = het bewaren van de structuur van weefsels en
cellen door middel van cross- linking van eiwitten
Inbedden en snijden:
- Orgaan fixeren en naspoelen.
- Ontwateren (stijgende alcohol reeks): steeds meer ethanol toevoegen tot orgaan 100% in ligt.
- Inbedden in paraffine: dit maakt het hard.
- Microtoomcoupes: ultra dunnen sneden maken.
- Opvangen op draagglaasje en drogen.
- Kleuring: verschillende soorten (HE, trichroom, azan, PAS, orceine, …).
Samengestelde microscoop:
- Focaal vlak = waar het beeld scherp wordt gesteld.
- Condensor = bundelt licht op preparaat.
- Objectief = vormt tussenbeeld en bepaald vergroting.
- Oculair = vergroting beeld en projectie op netvlies van het oog.
2
,Tika van campenhout histologie
- Numerieke apertuur (NA) = geeft aan hoeveel licht een microscoop kan opvangen en hoe scherp
het beeld is.
- Resolutie (R) = kleinste afstand waarmee 2 punten nog net gescheiden worden weergegeven
Fluorescentie = het verschijnsel waarbij een stof licht uitzendt nadat ze licht
heeft geabsorbeerd: emissielicht (het licht die de stof uitzendt) heeft minder
energie/ lagere gollengte dan excitatielicht ( het licht binnenkomt in de stof).
Fluochromen: zijn kleurstoffen die oplichten wanneer er licht op schijnt (bv, pollenkorrel). Fluorescente
eiwitten kunnen zelf licht uitzenden nadat ze met licht zijn bestraald
Immunohistochemie: Door een eiwit (of epitoop) in een dier te injecteren, maakt het dier specifieke
antilichamen aan die daarna uit het bloed worden geïsoleerd.
Immunohistochemische kleuringen (immunofluorescentie): maakt gebruik van antilichamen voor
detectie eiwitten
Transmissie elektronen microscopie: gebruikt elektronen als lichtbron. De golflengte van elektronen is
veel kleiner dan die van licht = specifieker.
Het prepraat moet dun genoeg zijn want de elektronen moeten erdoor kunnen.
DEEL 3. ALGEMENE HISTOLOGIE (WEEFSELLEER)
3.1 EPITHELEN
= een nauw aansluitende laag van dicht opeengepakte cellen. Dit is omdat in epithelen extreem lage
hoeveelheden extracellulaire matrix voorkomen.
we zien zeer nauwe spleten (20 – 50 nm) die gevuld zijn met interstitiële vloeistof. Hierdoor kan diffusie
plaatsvinden zodat voedingsstoffen krijgen en afvalstoffen kunnen worden afgevoerd.
Epitheel word gedefinieerd als een avasculair (geen bloedvaten) en bijna volledig cellulair (met weinig of
geen intercellulaire matrix) aggregaat van cellen die gespecialiseerd zijn in absorberende, secretorische,
beschermende of sensorische activiteiten.
Basaalmembraan = verbinding tussen epitheel en onderliggend bindweefsel.
Cytoskelet = skelet van de cel: zorgt voor versteviging en vorm. Het cytoskelet bestaat uit keratine:
Epitheelcellen produceren keratine- eiwitten die specifieke keratine filamenten vormen
3
, Tika van campenhout histologie
Epitheelcellen zijn gepolariseerd:
Apicaal domein: microvilli, stereocilia, cilia, flagellen
APICAAL DOMEIN
- Microvilli zijn vrij korte (1 µm) uitsteeksels van de cel die het apicale
celoppervlak vergroten. Bv in de dunne darm.
Binnenin betsaat deze uit actinefilamenten (met extyra actine bindende
eiwitten zodat alles in bundels blijft zitten) deze zijn gehecht aan het
terminaal web.
Rond het opp van de microvilie ligt de celmembraan, hierop ligt een laagje:
glycocalyx, dit zijn koolhydraatketens van membraaneiwitten en –lipiden
staafjeszoom = verzameling van microvilli.
- Stereocilia (Lat. stereos = stevig). Deze zijn wat langer en soms vertakt; hun functie is
uiteenlopend maar ze zijn niet beweeglijk.
- Cilia (trilharen), deze kunnen actief bewegen hiervoor zijn microtubuli nodig (deze
ontwikelen vanuit het basaal lichaampje, wat verankerd us in het terminaal web)
Centraal zitten centrale microtubuli, daarrond zitten 9 doubletten = axonema (microtubuli die aan
elkaar zijn gehecht) deze doubletten worden verbonden door nexine, deze hebben een
uitsteekseltje,het dyeine (motoreiwit), zorgt dat elk doublet ‘wandelt’ over het naastliggende
- Flagellen komen enkel voor bij spermatozoa, hebben ook een centraal axonema van
microtubuli (voor beweegelijkheid) om alle energie te kunnen aanleveren zijn
mitochondria nodig.
LATERAAL DOMEIN
= de kant waar onze cellen aan elkaar vast gehecht zitten = intercellulaire verbindingen
Indeling nagelang vorm:
- Macula: ronde of puntvormige verbinding
- Zonula: bandvormige structuur
- Fascia: onregelmatigere verbinding
Indeling naargelang functie
- Occludensverbindingen: afsluiting van intercellulaire ruimten (tight junction): bestaat uit,
claudine en occludie (eiwitten), zorgen dat alles netjes met elkaar verbonden is.
4