DEEL 1 : INLEIDING
1. INTRODUCTIE
- Liquiditeit = inkomsten – uitgaven
- Opbrengst = datgene dat je uit werking kan genereren, dus ≠ inkomsten
- Resultaat = opbrengsten – kosten
- Ingezette middelen : hoe meer, hoe beter gaat om vaste activa
- Rendement totaal vermogen
o Verband resultaat en ingezette middelen
o = (resultaat / ingezette middelen) x 100
- Rendement eigen vermogen
o Verband resultaat en eigen middelen
o = (resultaat / eigen middelen) x 100
2. CONCEPT FINANCIEEL MANAGEMENT
- 3 mogelijke benadering voor omschrijving begrip
- Benadering 1 : theoretische benadering
o Plannen, efficiënt uitvoeren, rapporteren en evalueren van waardestromen in
organisatie
o Levert nodige info om financiële beslissingen te nemen
o Met oog op efficiënt en effectief gebruik van middelen om doelen te bereiken
- Benadering 2 : winstbenadering
o = planningsproces met als doel winst te maximaliseren
o Eenzijdige focus op profit sector, niet toepasbaar op non-profit sector
- Benadering 3 : praktische benadering
o Betrekking op taken financieel manager die financiële zaken beheren in
organisatie
o Publiek financieel management als multidisciplinair veld
3. KERNTAKEN FINANCIEEL MANAGER
ALGEMEEN
- Kerntaken financieel manager
o Voeren van betrouwbare financiële administratie
o Analyse en verspreiding van financiële informatie voor andere managers
o Nemen van beslissingen
- Nadruk op nemen van beslissingen :
o M.b.t. planning hoe CF positief houden?
o M.b.t. investeringen hoe organisatie uitbouwen / doen groeien?
o M.b.t. financiering hoe investeringen financieren?
- Verband met structuur balans
o Balans volgt uit boekhouding, geeft overzicht van activa en passiva
Activa Passiva
= bezit en aanwending = bronnen / financiering
= wat heb je met middelen gedaan = oorsprong van middelen
Vaste activa (investeringen) Eigen vermogen
Vlottende activa (cash) Vreemd vermogen (KT / LT)
,FINANCIEEL MANAGEMENT VS. BOEKHOUDMANAGEMENT
- Vaak overlap tussen financiële en boekhoudkundige activiteiten
o MAAR onderscheid financieel en boekhoudmanagement is belangrijk
o BH verwerkt ter voorziening van informatiebehoeften
Taak en uitgangspunt
Boekhoud Financiële info verzamelen, opnemen in BH en periodiek rapporteren
er Kerntaak : verzamelen en rapporteren van cijfers (aanleveren informatie)
Transactiebasis en concepten kosten en opbrengsten
Uitgangspunt : correcte resultaatsbepaling
FM Beslissen op basis financiële rapportering (BH), eigen inzichten en
verwachtingen
Kerntaak : beslissen
Voldoende liquiditeit om aan KT verplichting te voldoen (inkomsten en
uitgaven)
Uitgangspunt : positieve cashflow nastreven
- ! BH vaak onder bevoegdheid van financieel manager boekhoudadministratie levert
informatie
- ! opbrengsten zijn geen inkomsten en kosten zijn geen uitgaven (zie voorbeeld)
Cashflow vs. resultaat
- Cashflow = verandering beschikbare geldmiddelen als gevolg van transacties
(feitelijke geldstroom)
o CF = inkomsten – uitgaven
o Gaat om kasmiddelen of middelen op rekening
o Leidt tot beoordeling financiële positie = liquiditeit
Positieve kasstroom : inkomsten > uitgaven dus : aangroei
liquide middelen
Negatieve kasstroom : inkomsten < uitgaven dus :
afname liquide middelen
- Boekhoudkundig resultaat = verschil kosten en opbrengsten die volgen uit werking
organisatie
o Beoordeling van werking, MAAR met winst betaal je geen schuldeisers af
o Resultaat = opbrengsten – kosten
O = meerwaarde gecreëerd uit werking
K = inzet aan middelen die nodig zijn om tot prestatie te komen (offers)
o Leidt tot beoordeling van werking = rendabiliteit
Positief resultaat = winst, meerwaarde dat werking oplevert
Negatief resultaat = verlies, minderwaarde dat werking oplevert
- In dubbele boekhouding zowel inkomsten en uitgaven als kosten en opbrengsten
o CF-verrichtingen of liquiditeiten : 5-rekeningen op balans
o Resultatenrekening : kosten op 6-rekening en opbrengsten op 7-rekening
- MAAR kosten en opbrengsten zijn niet noodzakelijk uitgaven en inkomsten
o Kaskosten
Meeste kosten (R) worden gevolgd door uitgave (CF) negatieve
impact liquiditeit
Zowel in resultaat als in cashflow
Zoals : personeelskosten, huur, energie
o Niet-kaskosten
, Kosten (R) die niet leiden tot uitgaven (CF)
In resultaat als offer, maar niet in CF want geen uitgaande geldstroom
Zoals : waardevermindering, voorziening, gebruik voorraad, afschrijving
o Uitgaven (CF) die geen kost (R) zijn
Niet in resultaat want geen kost, maar wel in cashflow want uitgaande
geldstroom
Zoals : terugbetaling geleend bedrag
! kost van lening (intrest) beïnvloed zowel resultaat als CF
Vb. verwerving van activa ; uitgaande geldstroom, maar verwerving is
geen kost
Gebruik in rekening brengen door middel van afschrijvingen
Waardedaling is kost voor periode waar daling is vastgesteld
o Kasopbrengsten
Opbrengsten (R) gevolgd door inkomende geldstromen (liquiditeit stijgt)
Zowel in resultaat als in cashflow
Vb. kasverkopen die onmiddellijk betaald worden
o Niet-kasopbrengsten
Opbrengsten (R) die niet zorgen voor inkomende geldstromen
In resultaat, maar (tijdelijk) niet in cashflow
Vb. verkoop op krediet
o Inkomsten (CF) die geen opbrengsten (R) zijn
Niet in resultaat (geen meerwaarde), maar wel in cashflow
Vb. ontvangst geleend bedrag is inkomst maar geen opbrengst
! aangerekende intrest is wel inkomst (meerwaarde) =
kasopbrengst
Cash flow Resultaat
Registreert In- en uitgaande geldstromen Kosten en opbrengsten
Doel Liquiditeit / kaspositie bepalen Rendabiliteit bepalen (winst of
verlies)
Illustreert Of organisatie kans maakt om Indicatie voor behalen LT doel
behouden op de bestemming te (= blijven bestaan en groeien)
komen
Rapporterin Niet verplicht Verplichting in BH, resulterend in
g RR
Verschil Neemt ook geldstromen op die Neemt ook K en O op die geen
geen kosten / opbrengsten zijn geldstroom zijn
Btw Inclusief Exclusief
Financieel manager vs. eigenaar
- Financieel manager moet handelen om doelen eigenaar te realiseren
o Doel in private sector : winstmaximalisatie
o FM moet beslissingen nemen die hoogste winst opleveren
- MAAR financieel manager moet rekeninghouden met
o Timing winst huidige winst is meer waard dan toekomstige winst
o Beschikbare cashflow nood aan voldoende vrije liquide middelen voor
winstuitkering
o Risico kans dat maximale winst niet behaald wordt
- FM : compromis met evenwicht rendement-risico waarbij aandeelwaarde stijgt
- DUS financieel manager moet zorgen dat
o Op LT : financieel vermogen van organisatie stijgt (verhogen aandeelwaarde)
o Op KT : voldoen aan financiële verplichtingen (positieve cashflow voor
continuering)
, - Focus op winst is kortzichtig :
o Winstgevende organisatie kan failliet gaan, winst kan vertekend zijn (BH
transacties)
o DUS : doelstelling van winstoptimalisatie
Belang binnen de organisatie
- Elk aspect van organisatiebeheer h financiële kant
- Financieel manager heeft veel macht
o Moet communiceren met andere managers in organisatie
o Heeft altijd zicht op financiële situatie
- Parallel met minister van Begroting
- Andere managers hebben nood aan kennis en financiële gegevens om
beslissingstraject te begrijpen
4. FINANCIËLE STURING
OMSCHRIJVING
- = planning, beheer en analyse van geldstromen
- Correcte financiële sturing maakt het mogelijk doelstellingen te realiseren
o KT : continuïteit, dus voldoende middelen nodig positieve CF
o LT : groei van organisatie verhogen waarde
- Slechte sturing kan leiden tot ongenoegen
o Personeel te weinig / laattijdig betalen
Probleem om kwantitatieve en kwalitatieve arbeidscapaciteit te
bekomen
o Prijs-kwaliteit verhouding G&D niet zoals verwacht zorgt voor daling vraag
o Slechte opvolging openstaande leveranciersschulden
Theoretisch : kan juridisch aanleiding geven tot faillissement
Praktijk : strengere leveringsvoorwaarden + probleem met
bevoorrading
- DUS : middelen moeten beschikbaar zijn
- DUS : middelen moeten op correcte manier gepland en beheerd worden
- DUS : ook beheren van alle relaties m.b.t. financiële stromen
FINANCIËLE RATIO’S ALS NORM
- Ratio als meetsysteem om financiële toestand / prestatie beknopt en in essentie te
beoordelen
o Cijfers vergelijken om verwachtingen te managen
- Financiële grootheden terug te vinden in jaarrekening
- Liquiditeit
o = mate waarin organisatie in staat is op KT aan kortlopende schulden te
voldoen
vlottend actief
o Current ratio ¿
VVKT
Vlottende activa : alles (snel in om te zetten) in geld
Hoeveel middelen heeft organisatie beschikbaar om KT schuld te
betalen?
Niet goed als vlottend actief < VVKT (ratio tussen 0 en 1)
Goed als vlottend actief = VVKT (ratio = 1)
o Quick ratio : verfijning current ratio
1. INTRODUCTIE
- Liquiditeit = inkomsten – uitgaven
- Opbrengst = datgene dat je uit werking kan genereren, dus ≠ inkomsten
- Resultaat = opbrengsten – kosten
- Ingezette middelen : hoe meer, hoe beter gaat om vaste activa
- Rendement totaal vermogen
o Verband resultaat en ingezette middelen
o = (resultaat / ingezette middelen) x 100
- Rendement eigen vermogen
o Verband resultaat en eigen middelen
o = (resultaat / eigen middelen) x 100
2. CONCEPT FINANCIEEL MANAGEMENT
- 3 mogelijke benadering voor omschrijving begrip
- Benadering 1 : theoretische benadering
o Plannen, efficiënt uitvoeren, rapporteren en evalueren van waardestromen in
organisatie
o Levert nodige info om financiële beslissingen te nemen
o Met oog op efficiënt en effectief gebruik van middelen om doelen te bereiken
- Benadering 2 : winstbenadering
o = planningsproces met als doel winst te maximaliseren
o Eenzijdige focus op profit sector, niet toepasbaar op non-profit sector
- Benadering 3 : praktische benadering
o Betrekking op taken financieel manager die financiële zaken beheren in
organisatie
o Publiek financieel management als multidisciplinair veld
3. KERNTAKEN FINANCIEEL MANAGER
ALGEMEEN
- Kerntaken financieel manager
o Voeren van betrouwbare financiële administratie
o Analyse en verspreiding van financiële informatie voor andere managers
o Nemen van beslissingen
- Nadruk op nemen van beslissingen :
o M.b.t. planning hoe CF positief houden?
o M.b.t. investeringen hoe organisatie uitbouwen / doen groeien?
o M.b.t. financiering hoe investeringen financieren?
- Verband met structuur balans
o Balans volgt uit boekhouding, geeft overzicht van activa en passiva
Activa Passiva
= bezit en aanwending = bronnen / financiering
= wat heb je met middelen gedaan = oorsprong van middelen
Vaste activa (investeringen) Eigen vermogen
Vlottende activa (cash) Vreemd vermogen (KT / LT)
,FINANCIEEL MANAGEMENT VS. BOEKHOUDMANAGEMENT
- Vaak overlap tussen financiële en boekhoudkundige activiteiten
o MAAR onderscheid financieel en boekhoudmanagement is belangrijk
o BH verwerkt ter voorziening van informatiebehoeften
Taak en uitgangspunt
Boekhoud Financiële info verzamelen, opnemen in BH en periodiek rapporteren
er Kerntaak : verzamelen en rapporteren van cijfers (aanleveren informatie)
Transactiebasis en concepten kosten en opbrengsten
Uitgangspunt : correcte resultaatsbepaling
FM Beslissen op basis financiële rapportering (BH), eigen inzichten en
verwachtingen
Kerntaak : beslissen
Voldoende liquiditeit om aan KT verplichting te voldoen (inkomsten en
uitgaven)
Uitgangspunt : positieve cashflow nastreven
- ! BH vaak onder bevoegdheid van financieel manager boekhoudadministratie levert
informatie
- ! opbrengsten zijn geen inkomsten en kosten zijn geen uitgaven (zie voorbeeld)
Cashflow vs. resultaat
- Cashflow = verandering beschikbare geldmiddelen als gevolg van transacties
(feitelijke geldstroom)
o CF = inkomsten – uitgaven
o Gaat om kasmiddelen of middelen op rekening
o Leidt tot beoordeling financiële positie = liquiditeit
Positieve kasstroom : inkomsten > uitgaven dus : aangroei
liquide middelen
Negatieve kasstroom : inkomsten < uitgaven dus :
afname liquide middelen
- Boekhoudkundig resultaat = verschil kosten en opbrengsten die volgen uit werking
organisatie
o Beoordeling van werking, MAAR met winst betaal je geen schuldeisers af
o Resultaat = opbrengsten – kosten
O = meerwaarde gecreëerd uit werking
K = inzet aan middelen die nodig zijn om tot prestatie te komen (offers)
o Leidt tot beoordeling van werking = rendabiliteit
Positief resultaat = winst, meerwaarde dat werking oplevert
Negatief resultaat = verlies, minderwaarde dat werking oplevert
- In dubbele boekhouding zowel inkomsten en uitgaven als kosten en opbrengsten
o CF-verrichtingen of liquiditeiten : 5-rekeningen op balans
o Resultatenrekening : kosten op 6-rekening en opbrengsten op 7-rekening
- MAAR kosten en opbrengsten zijn niet noodzakelijk uitgaven en inkomsten
o Kaskosten
Meeste kosten (R) worden gevolgd door uitgave (CF) negatieve
impact liquiditeit
Zowel in resultaat als in cashflow
Zoals : personeelskosten, huur, energie
o Niet-kaskosten
, Kosten (R) die niet leiden tot uitgaven (CF)
In resultaat als offer, maar niet in CF want geen uitgaande geldstroom
Zoals : waardevermindering, voorziening, gebruik voorraad, afschrijving
o Uitgaven (CF) die geen kost (R) zijn
Niet in resultaat want geen kost, maar wel in cashflow want uitgaande
geldstroom
Zoals : terugbetaling geleend bedrag
! kost van lening (intrest) beïnvloed zowel resultaat als CF
Vb. verwerving van activa ; uitgaande geldstroom, maar verwerving is
geen kost
Gebruik in rekening brengen door middel van afschrijvingen
Waardedaling is kost voor periode waar daling is vastgesteld
o Kasopbrengsten
Opbrengsten (R) gevolgd door inkomende geldstromen (liquiditeit stijgt)
Zowel in resultaat als in cashflow
Vb. kasverkopen die onmiddellijk betaald worden
o Niet-kasopbrengsten
Opbrengsten (R) die niet zorgen voor inkomende geldstromen
In resultaat, maar (tijdelijk) niet in cashflow
Vb. verkoop op krediet
o Inkomsten (CF) die geen opbrengsten (R) zijn
Niet in resultaat (geen meerwaarde), maar wel in cashflow
Vb. ontvangst geleend bedrag is inkomst maar geen opbrengst
! aangerekende intrest is wel inkomst (meerwaarde) =
kasopbrengst
Cash flow Resultaat
Registreert In- en uitgaande geldstromen Kosten en opbrengsten
Doel Liquiditeit / kaspositie bepalen Rendabiliteit bepalen (winst of
verlies)
Illustreert Of organisatie kans maakt om Indicatie voor behalen LT doel
behouden op de bestemming te (= blijven bestaan en groeien)
komen
Rapporterin Niet verplicht Verplichting in BH, resulterend in
g RR
Verschil Neemt ook geldstromen op die Neemt ook K en O op die geen
geen kosten / opbrengsten zijn geldstroom zijn
Btw Inclusief Exclusief
Financieel manager vs. eigenaar
- Financieel manager moet handelen om doelen eigenaar te realiseren
o Doel in private sector : winstmaximalisatie
o FM moet beslissingen nemen die hoogste winst opleveren
- MAAR financieel manager moet rekeninghouden met
o Timing winst huidige winst is meer waard dan toekomstige winst
o Beschikbare cashflow nood aan voldoende vrije liquide middelen voor
winstuitkering
o Risico kans dat maximale winst niet behaald wordt
- FM : compromis met evenwicht rendement-risico waarbij aandeelwaarde stijgt
- DUS financieel manager moet zorgen dat
o Op LT : financieel vermogen van organisatie stijgt (verhogen aandeelwaarde)
o Op KT : voldoen aan financiële verplichtingen (positieve cashflow voor
continuering)
, - Focus op winst is kortzichtig :
o Winstgevende organisatie kan failliet gaan, winst kan vertekend zijn (BH
transacties)
o DUS : doelstelling van winstoptimalisatie
Belang binnen de organisatie
- Elk aspect van organisatiebeheer h financiële kant
- Financieel manager heeft veel macht
o Moet communiceren met andere managers in organisatie
o Heeft altijd zicht op financiële situatie
- Parallel met minister van Begroting
- Andere managers hebben nood aan kennis en financiële gegevens om
beslissingstraject te begrijpen
4. FINANCIËLE STURING
OMSCHRIJVING
- = planning, beheer en analyse van geldstromen
- Correcte financiële sturing maakt het mogelijk doelstellingen te realiseren
o KT : continuïteit, dus voldoende middelen nodig positieve CF
o LT : groei van organisatie verhogen waarde
- Slechte sturing kan leiden tot ongenoegen
o Personeel te weinig / laattijdig betalen
Probleem om kwantitatieve en kwalitatieve arbeidscapaciteit te
bekomen
o Prijs-kwaliteit verhouding G&D niet zoals verwacht zorgt voor daling vraag
o Slechte opvolging openstaande leveranciersschulden
Theoretisch : kan juridisch aanleiding geven tot faillissement
Praktijk : strengere leveringsvoorwaarden + probleem met
bevoorrading
- DUS : middelen moeten beschikbaar zijn
- DUS : middelen moeten op correcte manier gepland en beheerd worden
- DUS : ook beheren van alle relaties m.b.t. financiële stromen
FINANCIËLE RATIO’S ALS NORM
- Ratio als meetsysteem om financiële toestand / prestatie beknopt en in essentie te
beoordelen
o Cijfers vergelijken om verwachtingen te managen
- Financiële grootheden terug te vinden in jaarrekening
- Liquiditeit
o = mate waarin organisatie in staat is op KT aan kortlopende schulden te
voldoen
vlottend actief
o Current ratio ¿
VVKT
Vlottende activa : alles (snel in om te zetten) in geld
Hoeveel middelen heeft organisatie beschikbaar om KT schuld te
betalen?
Niet goed als vlottend actief < VVKT (ratio tussen 0 en 1)
Goed als vlottend actief = VVKT (ratio = 1)
o Quick ratio : verfijning current ratio