classificatie
1.Classificatie en nomenclatuur
Aristoteles onderscheidde twee grote groepen dieren: die met bloed en deze zonder. De eerste
groep omvatte genera: de levendbarende viervoeters, vogels, eierleggende viervoeters, vissen en
walvissen. De andere genera omvatte de cephalopoden, crustaceeën, de insecten, de dieren met een
schelp en de zoofyten.
De manier waarop we het nu doen hangt in grote mate af van Linneaus. Hij keek naar de morfologie van
hun reproductieve organen om planten op te delen. Dieren deelde hij breder in. De mens situeerde hij
samen met de mensapen en apen in de orde van de Primaten. In zijn fysiologie werd het behoren tot
een groep niet gekoppeld aan het hebben van een gemeenschappelijke voorouder. Zijn
classificatiesysteem is een hiërarchisch systeem. Dit betekent dat taxa met een hogere rang meerdere
taxa van een lagere rang omv atten.
Het huidige classificatiesysteem kent 7 verplichte ranks: het rijk, de stam, de klasse, de orde, de familie,
het geslacht en de soort. Taxonomen kunnen nog beschikken over een groot aantal facultatieve
onderverdelingen. Deze rangen worden vooral gebruikt om bijzonder grote en complexe groepen
zoals de insecten of vissen.
Soorten in het systeem van Linneaus krijgen een tweedelige naam waarin de genusnaam wordt
gevolgd door een toenaam die specifiek is voor de betreffende soort. De genusnaam is steeds een
zelfstandig naamwoord, de toenaam is veelal een bijvoeglijk naamwoord waarvan de uitgang het
geslacht van de genusnaam moet volgen. Soms wordt d e soortnaam gevolgd door de naam van de
wetenschapper die de soort voor het eerst beschreven heeft en het jaar waarin dat gebeurde.
2.Het soortbegrip
Het fenetische soort-concept
Volgens dit concept is een soort een set organismen die sterk op elkaar gelijken en verschillen van
andere sets. Er wordt dus gebruik gemaakt van fenetische classificatie. In praktijk betekent dit dat men
zoveel mogelijk individuen en dan via statische methoden tracht clusters te onderscheiden. Soorten
komen dan overeen clusters die een zekere similariteit vertonen.
In feite is dit een numerieke versie van het vroegere typologische morfologische
soortconcept. Dit systeem definieerde soorten door te refereren naar een type -
specimen, dat bewaard werd in een museum. Nieuwe specimen werden tot een
bepaalde soort gerekend wanneer ze voldoende leken op type specimen.
Het probleem met het fenetisch soort -begrip is dat het steeds subjectieve,
arbitraire beslissingen vergt. Er bestaan geen onafhankelijke criteria om te
beslissen hoe groot of hoe klein de gelijkenis tussen organismen moet zijn om ze
tot één soort te kunnen rekenen.
Het biologisch soort-concept
Het gebruikt de mogelijkheid tot onderlinge voortplanting als criterium . Ernst Mayr definieerde een
soort als: ‘een groep van populaties waarvan de individuen zich onderling voortplanten en die
reproductief geïsoleerd zijn van andere groepen’. Daarmee plaatste hij de taxonomie van natuurlijke
soorten in het kader van de populatiegenetica. Een groep van zich onderling voortplantende
1.Classificatie en nomenclatuur
Aristoteles onderscheidde twee grote groepen dieren: die met bloed en deze zonder. De eerste
groep omvatte genera: de levendbarende viervoeters, vogels, eierleggende viervoeters, vissen en
walvissen. De andere genera omvatte de cephalopoden, crustaceeën, de insecten, de dieren met een
schelp en de zoofyten.
De manier waarop we het nu doen hangt in grote mate af van Linneaus. Hij keek naar de morfologie van
hun reproductieve organen om planten op te delen. Dieren deelde hij breder in. De mens situeerde hij
samen met de mensapen en apen in de orde van de Primaten. In zijn fysiologie werd het behoren tot
een groep niet gekoppeld aan het hebben van een gemeenschappelijke voorouder. Zijn
classificatiesysteem is een hiërarchisch systeem. Dit betekent dat taxa met een hogere rang meerdere
taxa van een lagere rang omv atten.
Het huidige classificatiesysteem kent 7 verplichte ranks: het rijk, de stam, de klasse, de orde, de familie,
het geslacht en de soort. Taxonomen kunnen nog beschikken over een groot aantal facultatieve
onderverdelingen. Deze rangen worden vooral gebruikt om bijzonder grote en complexe groepen
zoals de insecten of vissen.
Soorten in het systeem van Linneaus krijgen een tweedelige naam waarin de genusnaam wordt
gevolgd door een toenaam die specifiek is voor de betreffende soort. De genusnaam is steeds een
zelfstandig naamwoord, de toenaam is veelal een bijvoeglijk naamwoord waarvan de uitgang het
geslacht van de genusnaam moet volgen. Soms wordt d e soortnaam gevolgd door de naam van de
wetenschapper die de soort voor het eerst beschreven heeft en het jaar waarin dat gebeurde.
2.Het soortbegrip
Het fenetische soort-concept
Volgens dit concept is een soort een set organismen die sterk op elkaar gelijken en verschillen van
andere sets. Er wordt dus gebruik gemaakt van fenetische classificatie. In praktijk betekent dit dat men
zoveel mogelijk individuen en dan via statische methoden tracht clusters te onderscheiden. Soorten
komen dan overeen clusters die een zekere similariteit vertonen.
In feite is dit een numerieke versie van het vroegere typologische morfologische
soortconcept. Dit systeem definieerde soorten door te refereren naar een type -
specimen, dat bewaard werd in een museum. Nieuwe specimen werden tot een
bepaalde soort gerekend wanneer ze voldoende leken op type specimen.
Het probleem met het fenetisch soort -begrip is dat het steeds subjectieve,
arbitraire beslissingen vergt. Er bestaan geen onafhankelijke criteria om te
beslissen hoe groot of hoe klein de gelijkenis tussen organismen moet zijn om ze
tot één soort te kunnen rekenen.
Het biologisch soort-concept
Het gebruikt de mogelijkheid tot onderlinge voortplanting als criterium . Ernst Mayr definieerde een
soort als: ‘een groep van populaties waarvan de individuen zich onderling voortplanten en die
reproductief geïsoleerd zijn van andere groepen’. Daarmee plaatste hij de taxonomie van natuurlijke
soorten in het kader van de populatiegenetica. Een groep van zich onderling voortplantende