POLITIONELE ORGANISATIE
GESCHIEDENIS
ONTSTAAN POLITIE TOT DE CHAOS VAN DE JAREN ‘80
WAAROM NOOD AAN INZICHT IN HET VERLEDEN?
Monjardet (Socioloog) – 1996: Kijken naar de politie adhv 3 dimensies:
Politie als institutionele dimensie: De machtspositie van de politie! (Instituut – Relatie tot staat)
Politie als openbare dienst: De verhouding tussen de politie en de burger.
Moet de politie dan een machtsinstrument zijn? Of een instrument voor de burger? De rol veranderd ook
naargelang de ideologie!
Politie als beroep: Organisatie van werknemers met taken, structuur, ... Het is ook een beroep.
Enhus (2015) voegde er een vierde dimensie aan toe: Historische dimensie.
Er zijn zaken die continu blijven van vroeger, maar er zijn ook breuklijnen aan de rol van de politie, en die
veranderd naargelang de context veranderd.
Om na te gaan waarom veranderingen zo moeilijk zijn, is de geschiedenis belangrijk, zo kunnen we de
complexiteit van het heden ook beter begrijpen. – Fijnaut 1995
RODE DRADEN EN BREUKLIJNEN IN HET POLITIEBESTEL (OUDE EXAMENVRAAG)
= Elementen die wederkeren als we de geschiedenis analyseren.
1. GROTE VERSCHEIDENHEID EN ONEVENWICHTIGE ONTWIKKELING
Er is een diversiteit aan verschillende politie actoren die werkzaam zijn en op verschillende wijzen
ontwikkeld worden.
2. SPANNING: CENTRALE AANSTURING EN DECENTRALE (LOKALE/GEMEENTELIJKE) AUTONOMIE
Een soort slingerbeweging tussen nationale, uniforme staatsgestuurde politie vs. een lokale politie
aangestuurd door een burgemeester. België kende voortdurend spanning tussen beide → leidde tot
versnippering én conflicten (“politieoorlog”).
3. ARBEID VS. KAPITAAL
Wie bepaald wat gehandhaafd moet worden? Welke bevolking beslist dit en wiens orde gaan we
handhaven? In functie van wie werkt de politie? Door IR diende de politie vaak om de orde van de elite te
beschermen, evolueerde naar disciplinering van de arbeidersklasse.
4. SPANNING: STREVEN NAAR EFFICIËNTIE EN EFFECTIVITEIT IN POLITIEOPTREDEN EN WERKEN
ALS EEN LEGITIEME ORGANISATIE DIE DEMOCRATISCH GECONTROLEERD MOET WORDEN.
5. HOE MOETEN DE VERSCHILLENDE POLITIE-INSTANTIES SAMEN DE POLITIEZORG VERZORGEN
Betreft de samenwerking: Hoe gaan we informatie uitwisselen? Hoe zorgen we dat ze elkaar niet
tegenwerken?
1
,FDG
FRANSE EN HOLLANDSE ERFENIS ( 1794 – 1830)
FRANSE TIJD
ONTSTAAN VAN DE POLITIEFUNCTIE: EEUWENOUD BEROEP
Wanneer is die politiefunctie ontstaan? Wanneer was er vraag naar? Dit hangt samen met de
belangrijkste doelen of taken van die organisatie:
Regulering van gedrag = Basisbehoefte in een samenleving
Samenlevingen werden complexer en er kwam meer vraag naar een organisatie om de samenleving te
ordenen, waaraan een vorm van dwang werd gekoppeld om zo regels te handhaven.
Eerste sporen van politionele taak: 13e Eeuw, Stedelijke context
Schouten, sergeanten: Eerste vorm in de 13e eeuw in de stedelijke context, daar meer kans op problemen.
Opsporing en vervolging in één functie verenigd
Doel: Reguleren van het leven in de stad, regels handhaven en sanctioneren dmv geldboetes, dat dan ook
de lonen waren van de politiebemanning.
Politie als deel van gemeentelijke autonomie
15e – 16e Eeuw: Groei van steden → Toename van problemen
Politie kreeg meer en meer bevoegdheden, lokale overheden breiden politiemacht uit, door
investeringen.
Ontstaan militair politiekorps
Uitbouw departementen/politiezones
DE FRANSE TIJD (1794 – 1814)
Franse vormen van politie → Evolutie naar centraal en duaal systeem: Start in Parijs
Kenmerken Frans model blijven aanwezig tot Octopusakkoord
‘Verdere zwenk naar centralisme’
Frans model:
Burgerlijke Republiek (1797 – 1799): Politie hoort herkomst te vinden in de burgerij
Militair Napoleontisch Regime (1799 – 1814): ‘Politiestaat’
→ Politie gericht op OOHH1 en verzamelen van politieke informatie
KENMERKEN FRANSE TIJD
1. MILITARISERING
Discipline en hiërarchie als gendarmerie2 = Twee kenmerken die samen werken om de aansturing van
politiediensten te organiseren.
Maréchaussée: Eerste militaire politie op het platteland:
‘Maréchal’ zorgde voor tucht bij ruiterij en stallen van de koning.
1
OOHH = Openbare Orde Handhaving
2
De gendarmerie is een militair georganiseerde politiedienst. Ze combineert dus kenmerken van zowel leger als politie.
2
,FDG
Taak:
Orde en veiligheid bij militaire activiteiten
Later: OOHH en banditisme
Verspreid in garnizoenen: Deels geconcentreerd, maar toch centraal aangestuurd.
Parijs: Ontstaan van een centraal geleid systeem → “Lieutenant de police” 1667
= Eerste stedelijke politie
2. CENTRALISERING (Ook gedeconcentreerde elementen)
Uitbouw van de gendarmerie + Nationale wetgeving
UM (Ministerie van Politie): Oefent controle uit
Administratieve (bestuurlijke) politie vs. Gerechtelijke politie
ADMINISTRATIEVE POLITIE GERECHTELIJKE POLITIE
OOHH Opsporen en vaststellen van misdrijven
Voorkomen van misdrijven (preventief) Bewijzen verzamelen
➔ Obv politiereglementen Misdadigers voor gerecht dragen (repressief)
= Politiecommissarissen
= Veld- en boswachters
= Vrederechters
= Luitenants en kapiteins gendarmerie
Joseph Fouché: Minister van Algemene Politie (1799)
Richtte ‘Police Secrète’ op → Dienst op Openbare Veiligheid → Geheime dienst
Inwinnen, analyseren en gebruiken van inlichtingen dmv informanten en infiltranten
Reden? Nood aan verzameling van politieke informatie
*Politieke informatie gaf meer informatie (over hoe meer macht verworden kan worden) dan
criminele inlichtingen.
Politie = Machthebbers → Samenleving in het oog houden
= Haute Police → Politieke inlichtingen =/= ‘Police Basse’ → Focus op criminele inlichtingen
Informatieverzameling via mouchards3
Taak van politie:
Vrijwaren van de macht van de vorst
Tegen buitenlandse en binnenlandse bedreigingen
Politiewerk:
Focus op spionage en verklikking → Impact op de kijk van de politionele legitimiteit
*Mate waarin wij gezag toekennen aan politie, en of zij onze criminaliteit mag bestrijden
Hierdoor: Term ‘Politie’ nog lang vermijden in VK ➔ Constables4
3. VERSCHEIDENHEID
Een verscheiden politieapparaat met als belangrijkste korpsen:
Corps de la Gendarmerie Nationale 1798 – 1809 = CENTRALE POLITIE
Later: ‘Gendarmerie Impériale’
Militair georganiseerd → Vervangt Maréchaussée
Centraal gestuurd korps
3
Verklikkers
4
Negatieve bijklank van de term politie
3
,FDG
Elitekorps: OOHH over gehele grondgebied
‘Police municipale’ 1789 = LOKALE POLITIE
*Zij moesten « zorgen voor vlot en veilig verkeer, openbare rust bewaken, handhaven orde bij festiviteiten,
controleren van maten en gewichten, treffen van maatregelen bij brand, besmettelijke ziekten... En het
verhinderen dat geesteszieken en dolle dieren ongelukken veroorzaken » (Vandewalle, 1992)
Administratieve en gerechtelijke taak
Commissarissen, veldwachters
Burgemeester: Belangrijke rol!
= Eerst decentralisatie (gemeenten) → Later nationalisatie → Police Nationale
‘Garde Nationale’, opgericht tussen 1800 - 1810
= Voorloper burgerwacht
Openbare orde
Grens/kustbewaking
Nadeel verscheidenheid: Informatie-uitwisseling verloopt moeizaam
Voordeel: Iedereen gericht op zijn taak
1.3.2. HOLLANDSE TIJD 1815 – 1830
Weinig veranderingen; Conflicten bleven
Overname Franse erfenis, maar in mildere vorm → Afzwakking van de ‘politiestaat’
Niettemin: handhaving van idee van ‘haute police’ en geheime politie
Ministerie van Algemene Politie bleef bestaan, Felix van Maanen werd nieuwe minister
Korpsen:
Maréchaussée
= Gendarmerie, maar de term werd vervangen wegens beladen)
= Nieuwe centrale, militaire korps in de Nederlanden
Gemeentelijke politie (commissarissen en veldwachters)
Toename gemeentelijke autonomie van 1815 (maar weer afzwakking v.a. 1825)
Burgerwacht wordt ‘schutterij’
BELGIË NA 1830
Naar een nationaal gecentraliseerd politiesysteem:
De eerste fundamenten (1830-1885) van een Belgisch politiebestel:
1830: Belgische onafhankelijkheid
→ Naar een sterke, gecentraliseerde staat met gemeentelijke autonomie
1831: Grondwet
Twee breuklijnen:
Strijd tussen liberale vrijzinnigen en confessionele katholieken
De tegenstelling tussen arbeid en kapitaal
*België kende vroege industrialisatie (2e helft 19e Eeuw) dit brengt allerlei sociale problemen met zich
mee: werkloosheid neemt toe, werkende klasse wordt machtiger, maar moet sterker worden aangepakt.
4
,FDG
Industriële crisis 1873 – 1885 → Disciplinering van werkende klasse
Periode van instabiliteit: Stakingen en sociale onrust
Politie focust op sociale controle en eigendomsbescherming
1.4.1. BELGISCHE POLITIEAPPARAAT (1830 -1885): STERK GEËNT OP FRANS -HOLLANDSE
MODELLEN
Weerstand tegen centralisatie → Herstel van de lokale autonomie (gemeente)
Politiebestel – 5 Korpsen:
Gemeentelijke politie
Rijkswacht
Leger
Staatsveiligheid
Burgerwachten
Beperkte financiering van centrale, voor lokale overheid:
Politiekorps is onbemand en er kan niet geïnvesteerd worden in scholing van politiemensen, geen
middelen om taak uit te voeren, onderbetaald, dit zijn typische oorzaken voor een niet -goed
functionerend politieorganisatie: Er is hierdoor gebrek aan specialisatie en de manier waarop de politie
werkt is te weinig dienstverlenend.
HET BELGISCHE POLITIEAPPARAAT ( 1830-1885): 5 KORPSEN
1) GEMEENTELIJKE POLITIE
België: Landelijke politie in kleine gemeenten + Gemeentepolitie in grotere gemeenten
Gemeenten vanaf 5000 inwoners: Politiekorps ontwikkelen!
Gemeentewet 1836: Burgemeester → (Ook vandaag nog officier van bestuurlijke politie)
Algemene politiebevoegdheid
Veiligheidsbeleid ontwikkelen
Taak: Politiereglementen toepassen (herbergen, vreemdelingen, bedelaars...)
Langzamerhand komt er ook politieke aandacht
Ducpétiaux5 (!) reorganiseert en breidt kader uit:
Uniformiseren, specialisatie, spreiding, dragen uniform...
2) GENDARMERIE NATIONALE
November 1830: Ontbinding Maréchaussée → ‘Gendarmerie nationale’
Nationaal, gedeconcentreerd en mobiel
Strak genationaliseerd militair korps: Gedisciplineerd niveau
Betreft vnl. veiligheid op het platteland
Ook burgerlijke politietaken
Aantal manschappen blijft beperkt (± 1200 begin, 2000 in 1883)
Hardhandig optreden → Werd in vraag gesteld
Drie ministers (Oorlog, Justitie en Binnenlandse Zaken) → Versnippering
Toezicht en controle moeilijk: Niemand voelt zich zo eindverantwoordelijke…
5
Ook gelinkt aan gevangeniswezen
5
, FDG
Inzet op professionalisering: Maakt specialisatie mogelijk (sterke kant).
3) LEGER
‘Binnenlandse’ ordehandhaving (optreden n.a.v. stakingen, protesten orangisten, ...)
Leger komt in actie als alle andere middelen ontoereikend zijn
Hardhandig optreden
4) STAATSVEILIGHEID
1830: Eind ‘haute police’ (Fouché): Toch behoud openbare veiligheidsdienst
Problemen: Proberen gemeentepolitie in te schakelen, illegale praktijken van spionnen
Bevoegdheden vrij onduidelijk: Pas in 1998 bij wet vastgelegd!
5) BURGERWACHT
Decreet 10/1830: Burgerwachten georganiseerd op gemeentelijk niveau.
Vnl in steden; Initiatief van de burgerij, vanuit wantrouwen
Preventieve taak; Soms ook ingezet bij militaire operaties
In loop van 19e eeuw zal zijn rol geleidelijk aan uitgespeeld geraken…
*Vraag naar gerechtelijke taak van politiediensten, ze zijn nog aan het ontwikkelen en hebben daar weinig
kijk naar… Eerste pleidooien voor afzonderlijke gerechtelijke politie:
1871: Voorstel Prins en Pergameni (Réforme de l'instruction préparatoire en Belgique)
o Nationaal georganiseerde organisatie gericht op gerechtelijk werk, expertise.
1872: Oprichting speciale afdeling voor gerechtelijk werk te Brussel
o Na 10 jaar weer afgeschaft wegens budgettaire redenen.
Waarom duurt dit zolang?
Angst van zo’n nationale, staatspolitie
Dreiging van gemeentelijke autonomie → BM zou bevoegdheden verliezen…
Lokale autonomie blijft belangrijk
Spanningen in bestel: Vraag naar centralisatie van politie, gerechtelijke expertise, etc.
Maar bestel wordt niet fundamenteel in vraag gesteld
1.4. ‘POLITIE VAN DE MISERIE’ (1870 -1914)
Eind 1880 ontstaat een somber beeld van de politie: “Alle politiediensten zijn gebrekkig, zowel door hun
aantal, als door de kwaliteit van de agenten”… Reacties:
Verhoogde militarisering
Sociale onrust: Grootschalige stakingen, dodelijke slachtoffers.
Industrialisatie, werkloosheid, toename armoede, angst voor criminaliteit bij elites, versterkt
door criminaliteitsstatistieken…
Opkomst criminele antropologie
Schooloorlog (katholieken-liberalen); Algemeen stemrecht; Politieke polarisatie: oprichting
‘Belgische Werklieden Partij’ (1885).
Politiek van het ‘sociaal verweer’
6