Verpleegkundige methodiek en vaardigheden 4 :
Hoofdstuk 6: Heelkunde
1. Orthopedie en traumatologie
Leerdoelen
- De belangrijkste gewrichtsprothesen kennen en kunnen uitleggen
- De verschillende types van fracturen kunnen weergeven
- De fractuurheling kennen
- De complicaties van fractuurheling kennen en bespreken
- De belangrijkste traumata kunnen beschrijven alsook de typische
klachten en behandeling
1.1. Gewrichtsprothesen
1.1.1. Knieprothese
Artrose in de knie = slijtage van het kraakbeen in het kniegewricht
Soorten knieartrose :
1) Patellofemorale artrose: slijtage van het knieschijfgewricht.
2) Femorotibiale artrose: slijtage tussen dijbeen en onderbeen.
3) Panartrose/tricompartimentele artrose: slijtage in alle drie de
compartimenten.
Oorzaken : knieschijfbreuk, aangeboren afwijkingen, O-been (genu varum),
X-been (genu valgum), belasting door werk of sport.
Behandeling :
- Niet-operatief: pijnbestrijding en conservatieve therapie.
- Operatief: knieprothese bij ernstige schade en pijn.
Soorten knieprothesen
1) Unicompartimentele prothese: bij artrose in één deel van het
femorotibiaal gewricht.
2) Femoropatellaire prothese: bij geïsoleerde patellofemorale artrose.
3) Totale knieprothese (TKP): bij slijtage in alle compartimenten.
Fixatie van de prothese
- Biologisch: botingroei in de prothese.
- Met beencement.
Complicaties :
- Infectie (meest voorkomend).
- Extra botvorming → gewrichtsstijfheid.
- Loskomen van de prothese → revisie nodig.
- Ontwrichting van de prothese.
1
VMV 4 Heelkunde
, - Zenuw- en bloedvatletsels (zeldzaam, bv. n. peroneus-uitval).
- Diepe veneuze trombose (DVT).
Revalidatie : patiënt mag vrijwel direct stappen met een hulpmiddel
halve en totale knieprothese
1.1.2. Heupprothese
Coxartrose (heupslijtage) => oorzaak meestal onbekend, vaker bij vrouwen en
op latere leeftijd.
Mogelijke oorzaken : heupbreuk, ontwrichting, heupdysplasie, avasculaire
necrose, reumatoïde aandoeningen, overgewicht.
Soorten heupprothesen
- Totale heupprothese (THP): vervanging van zowel femurkop als
acetabulum.
- Bipolaire heupprothese: enkel vervanging van de femurkop, vaak bij
ouderen met een femurhalsbreuk.
- Resurfacing heupprothese: enkel bedekking van aangetaste
botdelen, vooral voor jongere patiënten.
Fixatie :
- Met cement: opvulling tussen bot en prothese.
- Zonder cement: bot groeit vast aan de prothese.
totale heupprothese
Complicaties:
- Infectie (1-2%), soms verwijdering prothese nodig.
- Botvorming rond prothese → pijn en gewrichtsstijfheid.
- Ontwrichting in eerste week, vaak bij bukken, soms spontaan.
- Diepe veneuze trombose (DVT).
- Mechanische loslating op lange termijn → revisie nodig.
1.1.3. Schouderprothese
Schouderartrose = slijtage van kraakbeen in de humeruskop en/of het glenoid
→ pijn, zwelling, bewegingsbeperking.
Diagnose : röntgenfoto, CT-scan bij operatieve planning (evaluatie bot en rotator
cuff)
2
VMV 4 Heelkunde
,Soorten schouderprothesen
- Totale schouderprothese: vervanging van humeruskop en
gewrichtskom.
- Reverse (omgekeerde) schouderprothese: voor patiënten met artrose
én een ernstige rotator cuffscheur.
- Hemi-artroplastie: alleen vervanging van de humeruskop.
- Resurfacing prothese: vervanging van kraakbeen van de
humeruskop (soms ook van de kom) zonder verwijdering van de kop.
1.1.4. Letsels van de extremiteiten
Onderscheid bij skelettrauma in de extremiteiten :
- Contusie = kneuzing
- Distorsie = verstuiking of verzwikking
- Fractuur = botbreuk
- Luxatie = ontwrichting
- Pees en/of spierscheur
1.2. Fracturen
Fracturen = ontstaan wanneer krachten op het bot de elasticiteit overschrijden
Soorten fracturen :
- Traumatische fractuur: door externe geweldsinwerking (bv. auto-
ongeval, val).
- Pathologische fractuur: door verzwakt bot (bv. osteoporose,
botmetastasen).
- Stressfractuur: door herhaalde belasting (bv. bij militairen,
duursporters).
Osteoporose = botverlies en verminderde botsterkte → verhoogd risico
op fracturen.
- Veroorzaakt door verhoogde botafbraak en/of verminderde
botaanmaak.
- Meest getroffen botten: wervels, pols, schouder, heup.
- Botdichtheid gemeten met DEXA-scan (osteoporose = >2,5 SD onder
piekbotmassa).
Risicofactoren osteoporose :
- Leeftijd, geslacht, familiale aanleg.
- Vroege menopauze, langdurige amenorroe.
- Corticosteroïdengebruik, roken, alcohol, immobiliteit.
- Tekort aan calcium/vitamine D, laag lichaamsgewicht.
- Endocriene aandoeningen (bv. hyperparathyroïdie, syndroom van
Cushing).
- Erfelijke afwijkingen (bv. osteogenesis imperfecta, Marfan-syndroom).
1.2.1. Types fracturen
Indeling fracturen
3
VMV 4 Heelkunde
, - Eenvoudige fracturen of fracturen met meerdere delen
(comminutieve of verbrijzelingsfracturen)
- Gesloten fracturen of open fracturen (gecompliceerde fracturen)
- Verplaatste of niet-verplaatste fracturen
- Naar lokalisatie: metafysair, diafysair, intra-articulair
Specifieke fracturen bij kinderen :
- Greenstickfractuur: buiging aan één zijde van het bot.
- Torusfractuur (bucklefractuur): incomplete breuk met verdikking van
de cortex.
- Epifysiolysis: groeischijfbreuk.
1.2.2. Klachten
Waarschijnlijkheidstekenen van een fractuur
- ecchymose
- zwelling
- functio laesa
- lokale drukpijn
Zekerheidstekenen van een fractuur
- abnormale stand
- crepitatie
- abnormale beweeglijkheid abnormale onbeweeglijkheid bij
luxatie
- bot doorheen wond
1.2.3. Fractuurheling
Doel van fractuurheling: herstel van botintegriteit en functie.
Voorwaarden voor botheling:
- Voldoende vascularisatie van de botfragmenten.
- Aanwezigheid van botvormende cellen.
- Mechanische stabiliteit van de fractuur.
Types botheling:
- Primaire (directe) botheling:
o Geen callusvorming, heling via Haverse kanalen.
o Vereist perfecte repositie en absolute stabiliteit.
o Trager en niet zichtbaar op RX.
4
VMV 4 Heelkunde
Hoofdstuk 6: Heelkunde
1. Orthopedie en traumatologie
Leerdoelen
- De belangrijkste gewrichtsprothesen kennen en kunnen uitleggen
- De verschillende types van fracturen kunnen weergeven
- De fractuurheling kennen
- De complicaties van fractuurheling kennen en bespreken
- De belangrijkste traumata kunnen beschrijven alsook de typische
klachten en behandeling
1.1. Gewrichtsprothesen
1.1.1. Knieprothese
Artrose in de knie = slijtage van het kraakbeen in het kniegewricht
Soorten knieartrose :
1) Patellofemorale artrose: slijtage van het knieschijfgewricht.
2) Femorotibiale artrose: slijtage tussen dijbeen en onderbeen.
3) Panartrose/tricompartimentele artrose: slijtage in alle drie de
compartimenten.
Oorzaken : knieschijfbreuk, aangeboren afwijkingen, O-been (genu varum),
X-been (genu valgum), belasting door werk of sport.
Behandeling :
- Niet-operatief: pijnbestrijding en conservatieve therapie.
- Operatief: knieprothese bij ernstige schade en pijn.
Soorten knieprothesen
1) Unicompartimentele prothese: bij artrose in één deel van het
femorotibiaal gewricht.
2) Femoropatellaire prothese: bij geïsoleerde patellofemorale artrose.
3) Totale knieprothese (TKP): bij slijtage in alle compartimenten.
Fixatie van de prothese
- Biologisch: botingroei in de prothese.
- Met beencement.
Complicaties :
- Infectie (meest voorkomend).
- Extra botvorming → gewrichtsstijfheid.
- Loskomen van de prothese → revisie nodig.
- Ontwrichting van de prothese.
1
VMV 4 Heelkunde
, - Zenuw- en bloedvatletsels (zeldzaam, bv. n. peroneus-uitval).
- Diepe veneuze trombose (DVT).
Revalidatie : patiënt mag vrijwel direct stappen met een hulpmiddel
halve en totale knieprothese
1.1.2. Heupprothese
Coxartrose (heupslijtage) => oorzaak meestal onbekend, vaker bij vrouwen en
op latere leeftijd.
Mogelijke oorzaken : heupbreuk, ontwrichting, heupdysplasie, avasculaire
necrose, reumatoïde aandoeningen, overgewicht.
Soorten heupprothesen
- Totale heupprothese (THP): vervanging van zowel femurkop als
acetabulum.
- Bipolaire heupprothese: enkel vervanging van de femurkop, vaak bij
ouderen met een femurhalsbreuk.
- Resurfacing heupprothese: enkel bedekking van aangetaste
botdelen, vooral voor jongere patiënten.
Fixatie :
- Met cement: opvulling tussen bot en prothese.
- Zonder cement: bot groeit vast aan de prothese.
totale heupprothese
Complicaties:
- Infectie (1-2%), soms verwijdering prothese nodig.
- Botvorming rond prothese → pijn en gewrichtsstijfheid.
- Ontwrichting in eerste week, vaak bij bukken, soms spontaan.
- Diepe veneuze trombose (DVT).
- Mechanische loslating op lange termijn → revisie nodig.
1.1.3. Schouderprothese
Schouderartrose = slijtage van kraakbeen in de humeruskop en/of het glenoid
→ pijn, zwelling, bewegingsbeperking.
Diagnose : röntgenfoto, CT-scan bij operatieve planning (evaluatie bot en rotator
cuff)
2
VMV 4 Heelkunde
,Soorten schouderprothesen
- Totale schouderprothese: vervanging van humeruskop en
gewrichtskom.
- Reverse (omgekeerde) schouderprothese: voor patiënten met artrose
én een ernstige rotator cuffscheur.
- Hemi-artroplastie: alleen vervanging van de humeruskop.
- Resurfacing prothese: vervanging van kraakbeen van de
humeruskop (soms ook van de kom) zonder verwijdering van de kop.
1.1.4. Letsels van de extremiteiten
Onderscheid bij skelettrauma in de extremiteiten :
- Contusie = kneuzing
- Distorsie = verstuiking of verzwikking
- Fractuur = botbreuk
- Luxatie = ontwrichting
- Pees en/of spierscheur
1.2. Fracturen
Fracturen = ontstaan wanneer krachten op het bot de elasticiteit overschrijden
Soorten fracturen :
- Traumatische fractuur: door externe geweldsinwerking (bv. auto-
ongeval, val).
- Pathologische fractuur: door verzwakt bot (bv. osteoporose,
botmetastasen).
- Stressfractuur: door herhaalde belasting (bv. bij militairen,
duursporters).
Osteoporose = botverlies en verminderde botsterkte → verhoogd risico
op fracturen.
- Veroorzaakt door verhoogde botafbraak en/of verminderde
botaanmaak.
- Meest getroffen botten: wervels, pols, schouder, heup.
- Botdichtheid gemeten met DEXA-scan (osteoporose = >2,5 SD onder
piekbotmassa).
Risicofactoren osteoporose :
- Leeftijd, geslacht, familiale aanleg.
- Vroege menopauze, langdurige amenorroe.
- Corticosteroïdengebruik, roken, alcohol, immobiliteit.
- Tekort aan calcium/vitamine D, laag lichaamsgewicht.
- Endocriene aandoeningen (bv. hyperparathyroïdie, syndroom van
Cushing).
- Erfelijke afwijkingen (bv. osteogenesis imperfecta, Marfan-syndroom).
1.2.1. Types fracturen
Indeling fracturen
3
VMV 4 Heelkunde
, - Eenvoudige fracturen of fracturen met meerdere delen
(comminutieve of verbrijzelingsfracturen)
- Gesloten fracturen of open fracturen (gecompliceerde fracturen)
- Verplaatste of niet-verplaatste fracturen
- Naar lokalisatie: metafysair, diafysair, intra-articulair
Specifieke fracturen bij kinderen :
- Greenstickfractuur: buiging aan één zijde van het bot.
- Torusfractuur (bucklefractuur): incomplete breuk met verdikking van
de cortex.
- Epifysiolysis: groeischijfbreuk.
1.2.2. Klachten
Waarschijnlijkheidstekenen van een fractuur
- ecchymose
- zwelling
- functio laesa
- lokale drukpijn
Zekerheidstekenen van een fractuur
- abnormale stand
- crepitatie
- abnormale beweeglijkheid abnormale onbeweeglijkheid bij
luxatie
- bot doorheen wond
1.2.3. Fractuurheling
Doel van fractuurheling: herstel van botintegriteit en functie.
Voorwaarden voor botheling:
- Voldoende vascularisatie van de botfragmenten.
- Aanwezigheid van botvormende cellen.
- Mechanische stabiliteit van de fractuur.
Types botheling:
- Primaire (directe) botheling:
o Geen callusvorming, heling via Haverse kanalen.
o Vereist perfecte repositie en absolute stabiliteit.
o Trager en niet zichtbaar op RX.
4
VMV 4 Heelkunde