SAMENVATTING – VRAAGSTELLING ONDERZOEKEN
HOORCOLLEGE 1: INTELLIGENTIE – CHC
1. GESCHIEDENIS INTELLIGENTIEONDERZOEK
Francis Galton
Alfred Binet
Théodore Simon
William Stern
Herbert Godda
Lewis Terman
2. VERDERE EVOLUTIE
Nieuwe verwerkingswijzen door berekenen v. correlaties & factoranalyse
2.1 DEELVAARDIGHEDEN METEN
Charles spearman (1863 – 1946)
o G-factor = algemene intelligentie
o S-factoren = specifieke cognitieve processen nodig om specifieke taken/probl. op
te lossen
Raymond Catell (1905 – 1998)
o Algemene intelligentie (G) bestaat uit
Vloeiende intelligentie (Gf)
Gekristalliseerde intelligentie (Gc)
John Horn (1928 – 2002)
o Naast Gf & Gc
Kortetermijngeheugen
Langetermijngeheugen
Visuele informatieverwerking
Auditieve informatieverwerking
John Caroll (1916 – 2003)
o Naast specifieke fact. ook overkoepelende algemene fact. (G)
Ontw. CHC-model
vertrekkende vnuit theorie v. Catell, Horn & Caroll
1
, 3. CHC MODEL
KENNEN!!!
3.1 VLOEIENDE INTELLIGENTIE (GF)
= vaardigh. om mentale operaties te gebruiken wnnr men met relatief nieuwe taak
geconfronteerd wordt
niet automatisch k. oplossen
Nauwe cogn. vaardigh.
Inductie
Redeneren
Kwantitatief redeneren
Kenmerken: (9)
Veel inzicht h.
Plantrekker, creatieve oplossingen vinden voor probl.
Snel nieuwe leerstof begrijpen
Goed k. redeneren bij vraagstukken ondanks rekenfouten
Kritische vragen stellen algemene kennisvakken zoals WO
Goed in sorteeropdrachten & rijtjes voortzetten
Vlot nieuwe oplossingen vinden voor techn. Probl.
Soort rekenoef. gemakkelijk identificeren
Goed in begrijpend lezen
3.2 KWANTITATIEVE INTELLIGENTIE (GQ)
= omvang v. verworven mathematische kennis v. persoon
= kennis betreft zowel kennis v. wiskundige feiten als wiskundige procedures
2
HOORCOLLEGE 1: INTELLIGENTIE – CHC
1. GESCHIEDENIS INTELLIGENTIEONDERZOEK
Francis Galton
Alfred Binet
Théodore Simon
William Stern
Herbert Godda
Lewis Terman
2. VERDERE EVOLUTIE
Nieuwe verwerkingswijzen door berekenen v. correlaties & factoranalyse
2.1 DEELVAARDIGHEDEN METEN
Charles spearman (1863 – 1946)
o G-factor = algemene intelligentie
o S-factoren = specifieke cognitieve processen nodig om specifieke taken/probl. op
te lossen
Raymond Catell (1905 – 1998)
o Algemene intelligentie (G) bestaat uit
Vloeiende intelligentie (Gf)
Gekristalliseerde intelligentie (Gc)
John Horn (1928 – 2002)
o Naast Gf & Gc
Kortetermijngeheugen
Langetermijngeheugen
Visuele informatieverwerking
Auditieve informatieverwerking
John Caroll (1916 – 2003)
o Naast specifieke fact. ook overkoepelende algemene fact. (G)
Ontw. CHC-model
vertrekkende vnuit theorie v. Catell, Horn & Caroll
1
, 3. CHC MODEL
KENNEN!!!
3.1 VLOEIENDE INTELLIGENTIE (GF)
= vaardigh. om mentale operaties te gebruiken wnnr men met relatief nieuwe taak
geconfronteerd wordt
niet automatisch k. oplossen
Nauwe cogn. vaardigh.
Inductie
Redeneren
Kwantitatief redeneren
Kenmerken: (9)
Veel inzicht h.
Plantrekker, creatieve oplossingen vinden voor probl.
Snel nieuwe leerstof begrijpen
Goed k. redeneren bij vraagstukken ondanks rekenfouten
Kritische vragen stellen algemene kennisvakken zoals WO
Goed in sorteeropdrachten & rijtjes voortzetten
Vlot nieuwe oplossingen vinden voor techn. Probl.
Soort rekenoef. gemakkelijk identificeren
Goed in begrijpend lezen
3.2 KWANTITATIEVE INTELLIGENTIE (GQ)
= omvang v. verworven mathematische kennis v. persoon
= kennis betreft zowel kennis v. wiskundige feiten als wiskundige procedures
2