WETENSCHAP
1.1 Politiek
Politiek--> betrekking op besturen van een samenleving
1) ruime betekenis--> elke groep van samenleven
2) beperkter: territoriaal gebonden
(Griekse politika--> zaken die met de polis te maken hebben)
(Aristoteles: mens = zoön politikon/sociaal wezen)
Politeia --> Plato’s visie op ideale staat
Meer precieze definitie: het proces waarbij samenlevingen op een voor de
leden bindende wijze de regels van hun samenleven bepalen, wijzigen, bewaren
of handhaven.
- proces: multi-level governance (nood samenwerking tussen niveaus)
- samenlevingen: sociale groep die gemeenschappelijk territorium/cultuur
delen
<-> Manuel Castells: “network society”, samenleving obv weak
ties
- voor de leden bindend: Staatsblad
Politieke wetenschap--> wetenschappelijke kennis over politiek
1.2 Variaties in politiek
1. soort samenleving
2. inhoud & reikwijdte
3. vormen
Territorialisering vd politiek --> verdeling in staten met interne besturing en
bindende regels voor interne leden
Staten (grondgebied dat intern bestuurd wordt en evt. beschermd tegen
externen)
Moderne staat (vanaf halverwege 19e eeuw) --> nieuwe vragen vanuit
samenleving voor staatsinterventie (bv. sociale rechten van T.H. Marshall)
Westerse samenleving: onderscheid privé-publiek
--> grens in beweging (seks-partnergeweld sinds kort strafbaar)
--> grens moeilijk te definiëren (bv. afluistering telefoon)
CLASSIFICATIE POL. SYSTEMEN:
1. Regime--> wat de grote principes zijn die basis vormen voor het
functioneren van een bestel.
- democratisch: macht tijdelijk en verspreid over verschillende
, groepen
- autoritair: macht bij kleine groep, burgerlijke vrijheden beperkt
2. Unitaire (gecentraliseerd bestuur) vs federale (verdeeld bestuur) staten
3. Variatie in instellingen en procedures (bv. kiessystemen
1.3 Politieke wetenschap
Doelstelling: politieke gebeurtenissen/instellingen begrijpen en verklaren.
REGELS WETENSCHAPPELIJKE METHODEN:
1. Intellectuele distantie--> niet de bedoeling om aan debat deel te
nemen (geen bias)
2. Systematiek --> systematisch data verzamelen
i. Plato en Aristoteles--> vergelijking --> inzicht
ii. Machiavelli (1469-1527)--> Il Principe (heerser mag alles
doen om macht te behouden)
iii. Montesquieu (1689-1755)--> onderzoek verschillende
staatsvormen
iv. Alexis de Tocqueville (1805-1859)--> vergelijking
Amerikaanse-Europese samenleving
3. Methoden: Kwalitatieve (categorisch) vs kwantitatieve (numeriek)
benaderingen
4. Openheid: altijd zeggen wat je doet en waarom
i. peer review (controle door vakgenoten)
ii. open access-beleid (resultaten gratis ter beschikking)
1.4 Instrumenten vd politieke wetenschap
1.4.1 concepten
1. Gender--> sociale en culturele verschillen als maatschappelijke
constructies die geënt zijn op seksen.
2. Polygarchie (Robert Dahl, 20e eeuw)--> voorwaarden:
a. controle over regering en beleid is in handen van bekozen
mandatarissen
b. verkiezingen zijn vrij en eerlijk
c. meeste volwassenen hebben recht om te stemmen/kandidaat te
stellen
d. burgers genieten gegarandeerde vrijheid van meningsuiting
e. burgers hebben vrij toegang tot info die niet door bestuur
gecontroleerd wordt
f. burgers zijn vrij om zich te verenigen in organisaties of pol. partijen
,1.4.2 modellen
= gereduceerde voorstelling van de realiteit
David Easton (20e eeuw)--> politieke kringloop:
Input:
- eisen:
a. volume overload: teveel eisen
b. content overload: te grote variatie
c. gatekeepers/sluiswachters: reguleren politieke eisen
- steun (uitingen van vertrouwen ih systeem, passief/actief)
Output:
- eisen + steun --> geconverteerd --> beslissingen -->
terugkoppeling/feedback
1.4.3 theorieën
Theorie--> hoe pol. verschijnselen met elkaar in verband staan
Hypothese--> voorspelling rond een theorie
H2: STAAT EN MACHT
2.1 Wat is macht?
TWEE ASPECTEN (Parsons, 20ste eeuw):
1. nodig om in pol. gemeenschap zaken te realiseren en samenleving te
organiseren
2. normatieve vraag: wanneer is uitoefening macht gerechtvaardigd?
Bindende regels (beperking vrijheid VS garantie vrijheid)
Naleven <-> burgerlijke ongehoorzaamheid (= protest, op civiele manier,
aanvaarding gevolgen)
--> ligt dus tussen toegelaten betoging en gewelddadige protesten in
Gezag--> machtsuitoefening die aanvaard en gevolgd wordt (legitiem dus)
--> 3 VORMEN (Weber)
1. traditioneel gezag: respect voor traditie en gewoonte
2. charismatisch gezag: persoonlijkheid machthebber
3. rationeel-legalistisch gezag: respect voor regels
--> depersonalisering van gezag --> wisseling in heersers
2.2 Hoe macht meten?
, Macht= feit dat actor A mogelijkheid heeft om te zorgen dat actor B een
handeling verricht die hij anders niet zou verrichten.
- machtstheorie van Weber: macht gedefinieerd als mogelijkheid of
vermogen
Power debate --> vraag hoe we macht kunnen meten.
= discussie aangevoerd door Robert Dahl (Who Governs, 20ste eeuw)
(wie weegt op besluitvormingsprocessen en bepaald uitkomsten)
= expliciete macht (<-> onzichtbare macht)
Engelse onderscheid:
- power: abstract vermogen
- force: concrete, waarneembare daad
Kritiek op Dahl: onzichtbaarheid van bepaalde vormen van macht
- Bahrach en Baratz (20e eeuw): meer aandacht nodig voor mobilisatie
van bias
Non-decision making--> minder zichtbare uitoefening van macht (uitblijven
van beleid)
Diffuse macht --> macht die niet terug te brengen is tot specifieke actoren.
--> bestaan latente conflicten (blijven onder de radar)
Lukes (1942-) --> 3 GEZICHTEN VAN MACHT (owv diversiteit):
1. beslissen en bevelen --> directe, expliciete vorm van macht (= zichtbaar)
2. agenda-setting --> thema’s op politieke agenda (= onzichtbaar)
3. ideale hegemonie --> bestaande culturele orde niet ter discussie (=
onzichtbaar)
Michel Foucault (1926-1984): machtsrelaties zijn nooit stabiel (circulaire
macht)
- oorzaak = discours --> geheel redeneringen waarmee we proberen grip
te krijgen op maatschappelijk onderwerp.
Beslissingen --> gevolg van machtsstrijd tussen groot aantal actoren
- effect politieke partij die beleid uitvoert veel meer zichtbaar bv. journalist
Amartya Sen (1933-) --> mensen zijn geneigd hun vrijheid op meest optimale
wijze te beleven door al hun capaciteiten te benutten.
(gebeurd niet altijd DUS geen ‘echte vrijheid’ = machtsuitoefening)
2.3 Macht van de staat
4 FASES IN PROCES VAN STAATSVORMING (Keman, 1948-):
1. Concentratie machtsmiddelen
2. Verwerven legitimiteit (overheid aanvaard als geldige gezagsdrager)
3. Staatsgezag depersonaliseren (regels ipv persoonlijkheden)