H1: INLEIDING
Heath & Bryant--> 4 invalshoeken voor com.wet.-denken:
1. retoriek (Aristoteles: tactieken om publiek te beïnvloeden)
2. propaganda en media-effecten (onstaan tijdens WOI en WOII))
3. informatietheorie (hoe info elektronisch versturen?)
4. groepsdynamica
- studies Lewin: leiderschap en invloed van mensen op elkaar
- Mead: elkaar leren kennen dmv communicatie
H2: BASISCONCEPTEN EN
MODELLEN
2.1 Inleiding
Retoriek van Aristoteles --> 3 middelen:
1. ethos --> persoonlijkheid en waarden vd spreker
2. pathos --> inspelen op emoties vh publiek
3. logos --> logica van argumenten
2.2 Wat is communicatie?
VAN DALE: communicatie= (3 klemtonen)
1) Mededeling, kennisgeving (zender deelt iets mee)
2) Verbinding (transport)
3) Uitwisseling van gedachten, het geestelijk met elkaar verkeren
(uitwisseling)
==> geen eenzijdig proces
Fauconnier --> definitie van communicatie is goed wanneer...:
a) bruikbaar binnen wetenschappelijke visie
b) logisch en coherent
c) niet tegengesproken door waarneembare werkelijkheid
d) te onderscheiden van andere maatschappelijke verschijnselen
Heath & Bryant--> 2 scholen van communicatie:
1) Processchool --> communicatie = transmissie van boodschappen
a. nadruk op coderen van zender en ontvanger
b. (beïnvloedings)proces --> doel = accuraat communiceren
c. fout = verschil input en output
d. methode= sociologie en psychologie
e. primair gericht op acts of communication (communicatieve
handelingen)
, 2) Betekeniscreatie-school --> com. = productie en uitwisseling
betekenissen
a. nadruk op hoe boodschappen interageren met mensen
b. afwijkingen zijn geen fouten, maar culturele verschillen
c. centrale methode = semiotiek (studie tekens en symbolen)
d. primair gericht op works of communication (communicatieve
werken)
2.3 Breekpunten id definities van communicatie
4 breekpunten wanneer men communicatie probeert te definiëren!!!
2.3.1 Intentionaliteit als breekpunt
Figuur 1 p13: passief-actief model van McQuail
Bedoeld door zender Niet bedoeld door zender
Intentioneel ontvangen 1 2
(actief)
Niet intentioneel 3 4
ontvangen (passief)
Teleologische opvatting --> communicatie=1, evt. ook 3
- bedoeling van zender heel belangrijk
Gedragsopvatting --> communicatie = 1, 2, 3 en 4
- alle gedrag van mensen = communicatief
- Watzlawick: “you cannot not communicate”
2.3.2 Geslaagdheid als criterium?
Geslaagde Communcatie = Expressie + Transmissie + Ontvanger + Intentie +
Uitwerking
--> GC = E + T + Ox + Ib + Ub
2.3.3 Eenrichtings- of tweerichtingsverkeer
- Eenrichtingsverkeer (= lineair) --> processchool
- Tweerichtingsverkeer (= circulair) --> betekeniscreatieschool
Feedback --> nieuw proces?
2.3.4 Observatieniveau
,5 NIVEAUS COMMUNICATIE:
- intrapersoonlijke communicatie (= 1 persoon)
- interpersoonlijk communicatie (= 2 personen)
- groepscommunicatie (= 3 of meer personen)
a. intragroep = binnen 1 groep, intergroep = tussen meerdere
groepen
- organisatiecommunicatie (= binnen organisatie)
- massacommunicatie (= via medium)
2.4 Elementen in het communicatieproces
2.4.1 zender/bron
Encodeert en boodschap doorzenden (machtigste actor?).
2.4.2 ontvanger/bestemmeling
Decodeert en interpreteert boodschap.
2.4.3 boodschap
= datgene dat wordt uitgedrukt door de zender en overgedragen naar de
ontvanger
Tekens: signifiant (betekenaar, bv. k-a-t) / signifié (betekende, bv. dier met 4
poten)
- 3 soorten (Pierce):
1. symbolen (arbitraire, afgesproken tekens, bv. k-a-t)
2. iconen (fysieke gelijkenis tussen signifiant & signifié, bv. foto van
kat)
3. indices (sensorische ervaring A verwijst naar B, bv. donkere
wolken --> regen)
Code = repertorium van tekens
Coderen = omzetten in code die transmissie mogelijk maakt
2.4.4 signaal
= drager van tekens (bv. luchttrillingen, lichtgolven, ...)
- primair: rechtstreekse zintuigen (zender & ontvanger bij elkaar)
- secundair: indirecte communicatie (mechanisch/elektrisch)
2.4.5 kanaal
= drager van signalen, verbinding zender en ontvanger (bv. telefoonlijn)
2.4.6 medium
, Definitie Fauconnier: object dat boodschap draagt of technisch middel om
boodschap om te zetten in signalen.
Figuur 2: indeling Bordewijk en Van Kaam (indeling media naargelang
interactiviteit)
Controle over Controle over opgeslagen info
tijd en keuze Centraal Individueel
van object Centraal Allocutie Registratie
Individueel Consultatie Conversatie
Allocutie: zender centraal, controle info en tijdstip (bv. publieke toespraak)
Consultatie: zender beslist over info maar niet over tijdstip (bv. krant)
Conversatie: gelijkheid zender en ontvanger
Registratie: info = publiek dat centraal verzameld wordt (bv. examens)
2.4.7 ruis
= elke stimulus die ontvangst van boodschap belemmert
4 categorieën ruis (Rothwell):
1. fysieke, mechanische of kanaalruis (noise)--> storing bij fysieke
transmissie signaal
bv. spelende kinderen
2. psychologische ruis --> interne gedachten die interfereren
bv. er niet bij zijn met gedachten
3. fysiologische ruis --> fysieke toestand van de ontvanger die boodschap
belemmert
bv. honger hebben
4. semantische ruis --> gebrek aan kennis codes of verkeerde connotatie
bv. dialecten
2.4.8 feedback
= info die ontvanger stuurt naar zender zodat dit communicatieproces kan
evalueren.
- verbaal / non-verbaal
- onmiddellijk/uitgesteld
2.5 Communicatiemodellen
2.5.1 Inleiding
McQuail en Windahl: communicatiemodel = vereenvoudigde voorstelling die
voornaamste elementen vh communicatieproces en hun onderlinge relaties
tonen.
Heath & Bryant--> 4 invalshoeken voor com.wet.-denken:
1. retoriek (Aristoteles: tactieken om publiek te beïnvloeden)
2. propaganda en media-effecten (onstaan tijdens WOI en WOII))
3. informatietheorie (hoe info elektronisch versturen?)
4. groepsdynamica
- studies Lewin: leiderschap en invloed van mensen op elkaar
- Mead: elkaar leren kennen dmv communicatie
H2: BASISCONCEPTEN EN
MODELLEN
2.1 Inleiding
Retoriek van Aristoteles --> 3 middelen:
1. ethos --> persoonlijkheid en waarden vd spreker
2. pathos --> inspelen op emoties vh publiek
3. logos --> logica van argumenten
2.2 Wat is communicatie?
VAN DALE: communicatie= (3 klemtonen)
1) Mededeling, kennisgeving (zender deelt iets mee)
2) Verbinding (transport)
3) Uitwisseling van gedachten, het geestelijk met elkaar verkeren
(uitwisseling)
==> geen eenzijdig proces
Fauconnier --> definitie van communicatie is goed wanneer...:
a) bruikbaar binnen wetenschappelijke visie
b) logisch en coherent
c) niet tegengesproken door waarneembare werkelijkheid
d) te onderscheiden van andere maatschappelijke verschijnselen
Heath & Bryant--> 2 scholen van communicatie:
1) Processchool --> communicatie = transmissie van boodschappen
a. nadruk op coderen van zender en ontvanger
b. (beïnvloedings)proces --> doel = accuraat communiceren
c. fout = verschil input en output
d. methode= sociologie en psychologie
e. primair gericht op acts of communication (communicatieve
handelingen)
, 2) Betekeniscreatie-school --> com. = productie en uitwisseling
betekenissen
a. nadruk op hoe boodschappen interageren met mensen
b. afwijkingen zijn geen fouten, maar culturele verschillen
c. centrale methode = semiotiek (studie tekens en symbolen)
d. primair gericht op works of communication (communicatieve
werken)
2.3 Breekpunten id definities van communicatie
4 breekpunten wanneer men communicatie probeert te definiëren!!!
2.3.1 Intentionaliteit als breekpunt
Figuur 1 p13: passief-actief model van McQuail
Bedoeld door zender Niet bedoeld door zender
Intentioneel ontvangen 1 2
(actief)
Niet intentioneel 3 4
ontvangen (passief)
Teleologische opvatting --> communicatie=1, evt. ook 3
- bedoeling van zender heel belangrijk
Gedragsopvatting --> communicatie = 1, 2, 3 en 4
- alle gedrag van mensen = communicatief
- Watzlawick: “you cannot not communicate”
2.3.2 Geslaagdheid als criterium?
Geslaagde Communcatie = Expressie + Transmissie + Ontvanger + Intentie +
Uitwerking
--> GC = E + T + Ox + Ib + Ub
2.3.3 Eenrichtings- of tweerichtingsverkeer
- Eenrichtingsverkeer (= lineair) --> processchool
- Tweerichtingsverkeer (= circulair) --> betekeniscreatieschool
Feedback --> nieuw proces?
2.3.4 Observatieniveau
,5 NIVEAUS COMMUNICATIE:
- intrapersoonlijke communicatie (= 1 persoon)
- interpersoonlijk communicatie (= 2 personen)
- groepscommunicatie (= 3 of meer personen)
a. intragroep = binnen 1 groep, intergroep = tussen meerdere
groepen
- organisatiecommunicatie (= binnen organisatie)
- massacommunicatie (= via medium)
2.4 Elementen in het communicatieproces
2.4.1 zender/bron
Encodeert en boodschap doorzenden (machtigste actor?).
2.4.2 ontvanger/bestemmeling
Decodeert en interpreteert boodschap.
2.4.3 boodschap
= datgene dat wordt uitgedrukt door de zender en overgedragen naar de
ontvanger
Tekens: signifiant (betekenaar, bv. k-a-t) / signifié (betekende, bv. dier met 4
poten)
- 3 soorten (Pierce):
1. symbolen (arbitraire, afgesproken tekens, bv. k-a-t)
2. iconen (fysieke gelijkenis tussen signifiant & signifié, bv. foto van
kat)
3. indices (sensorische ervaring A verwijst naar B, bv. donkere
wolken --> regen)
Code = repertorium van tekens
Coderen = omzetten in code die transmissie mogelijk maakt
2.4.4 signaal
= drager van tekens (bv. luchttrillingen, lichtgolven, ...)
- primair: rechtstreekse zintuigen (zender & ontvanger bij elkaar)
- secundair: indirecte communicatie (mechanisch/elektrisch)
2.4.5 kanaal
= drager van signalen, verbinding zender en ontvanger (bv. telefoonlijn)
2.4.6 medium
, Definitie Fauconnier: object dat boodschap draagt of technisch middel om
boodschap om te zetten in signalen.
Figuur 2: indeling Bordewijk en Van Kaam (indeling media naargelang
interactiviteit)
Controle over Controle over opgeslagen info
tijd en keuze Centraal Individueel
van object Centraal Allocutie Registratie
Individueel Consultatie Conversatie
Allocutie: zender centraal, controle info en tijdstip (bv. publieke toespraak)
Consultatie: zender beslist over info maar niet over tijdstip (bv. krant)
Conversatie: gelijkheid zender en ontvanger
Registratie: info = publiek dat centraal verzameld wordt (bv. examens)
2.4.7 ruis
= elke stimulus die ontvangst van boodschap belemmert
4 categorieën ruis (Rothwell):
1. fysieke, mechanische of kanaalruis (noise)--> storing bij fysieke
transmissie signaal
bv. spelende kinderen
2. psychologische ruis --> interne gedachten die interfereren
bv. er niet bij zijn met gedachten
3. fysiologische ruis --> fysieke toestand van de ontvanger die boodschap
belemmert
bv. honger hebben
4. semantische ruis --> gebrek aan kennis codes of verkeerde connotatie
bv. dialecten
2.4.8 feedback
= info die ontvanger stuurt naar zender zodat dit communicatieproces kan
evalueren.
- verbaal / non-verbaal
- onmiddellijk/uitgesteld
2.5 Communicatiemodellen
2.5.1 Inleiding
McQuail en Windahl: communicatiemodel = vereenvoudigde voorstelling die
voornaamste elementen vh communicatieproces en hun onderlinge relaties
tonen.