Pedagogische Wetenschappen 3
1. Wat is zorg?
1.1 Wat is zorgbreed werken?
In een klas zitten kleuters van ongeveer dezelfde leeftijd, waardoor we op basis van algemene
ontwikkelingslijnen en mijlpalen kunnen veronderstellen dat zij dezelfde uitdagingen en interesses
hebben. Deze ontwikkelingslijnen zijn echter slechts richtlijnen. Niet alle mensen doorlopen alle
stappen en ze ontwikkelen niet aan hetzelfde tempo.
Er bestaan grote verschillen tussen kleuters op vlak van capaciteiten en beginsituatie. Die beginsituatie
wordt bepaald door zowel nature als nurture. Zo maken sommige kleuters thuis kennis met boeken,
puzzels of gezelschapsspellen, en groeien sommigen op in een omgeving waar alleen Nederlands wordt
gesproken, terwijl dat bij anderen niet het geval is. Hierdoor zien we veel verschillen tussen kleuters.
Als leerkracht wil je dat alle kleuters zich ontwikkelen, maar omdat elke kleuter een andere
beginsituatie heeft, kan je je niet richten tot de gemiddelde kleuter, want die bestaat niet. Als jij je met
je activiteiten zou richten op de gemiddelde kleuter, dan zullen er kleuters zijn die hier niets aan
hebben, omdat het te moeilijk is, te gemakkelijk is, of niet aansluit bij hun interesse. Daarom is het
belangrijk om zorgbreed te werken, zodat alle kleuters iets opsteken uit het aanbod en verder
ontwikkelen.
Zorgbreed werken
= ervoor zorgen dat elk kind krijgt wat het nodig heeft om zich ten volle (in de diepte) en zo veelzijdig
mogelijk (in de breedte) te ontplooien.
= een preventieve (om problemen te vermijden) en proactieve (actie ondernemen, maar niet
noodzakelijk vanuit problemen) aanpak waarbij de leerkracht van bij het begin rekening houdt met de
diversiteit in de klas. Het doel is om een leeromgeving te creëren waarin alle leerlingen maximale
ontwikkelingskansen krijgen, zonder dat er meteen extra maatregelen nodig zijn.
➔ Door een zorgbrede aanpak zorg je ervoor dat je alle kinderen aan boord houdt.
Kenmerken van een zorgbrede werking:
• Het aanbod is gericht op alle leerlingen.
• De leerkracht differentieert.
• Er wordt gewerkt aan een positief leerklimaat waarin leerlingen zich veilig en betrokken voelen.
• Observatie en reflectie zijn essentieel om noden tijdig te detecteren.
Voorbeeld: bij een gezelschapsspel voorziet de leerkracht een dobbelsteen tot 6 en een dobbelsteen
tot 4, zo kunnen alle kleuters hiermee spelen.
1
, 1.2 Wat is dan zorgverbreding? Is dat hetzelfde als zorgbreed werken?
Zorgbreed werken en zorgverbreding zijn geen synoniemen. Het verschil ligt in de focus en de aanpak.
Zorgbreed werken: de leerkracht houdt van bij het begin rekening met de diversiteit in de klas.
Zorgverbreding: Als die aanpak niet volstaat, zijn extra maatregelen nodig
Zorgverbreding = een reactieve aanpak die wordt ingezet wanneer de reguliere zorg niet volstaat. Het
is een manier om de bestaande zorg uit te breiden voor leerlingen die extra ondersteuning nodig
hebben.
Kenmerken van zorgverbreding:
• De focus is gericht op leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften .
• Er worden aanvullende maatregelen genomen, zoals remediëring, extra begeleiding of aangepaste
materialen (STICORDI = STImuleren, Compenseren, Remediëren, DIspenseren ).
• Vaak gebeurt dit in samenwerking met het zorgteam of externe partners.
• Zorgverbreding kan leiden tot een individueel handelingsplan.
Voorbeeld: een kleuter die moeite heeft met fijne motoriek krijgt extra oefenmomenten met een
zorgleerkracht.
Elke leerkracht moet zorgbreed werken en aan zorgverbreding doen; elke leerkracht is een
zorgleerkracht!
2
,2. Continuüm van zorg
2.1 Vertrekken vanuit een gemeenschappelijk kader voor zorg
De klasleerkracht is het beste geplaatst om zorg te verlenen aan de leerlingen in de klas, omdat hij hen
het beste kent. Maar leraren vormen geen eiland; binnen een school is iedereen verantwoordelijk voor
de zorg. Het is echter belangrijk dat alle leerkrachten, zorgleerkrachten en andere betrokkenen
dezelfde taal spreken. Het continuüm van zorg is een kader dat hierbij kan ondersteunen. Het wordt
gebruikt in het onderwijs, maar ook bij andere professionelen (CLB, revalidatiecentra, ondersteuners),
waardoor alle betrokkenen vlot kunnen samenwerken.
Het continuüm van zorg = geeft structuur aan de organisatie van
leerlingenbegeleiding in je school. Het vormt één doorlopend
aansluitend geheel en bestaat uit vier fasen. Concreet betekent
dit dat scholen een basisaanbod hebben voor alle leerlingen
(zorgbreed werken) en zorg bieden voor leerlingen voor wie dit
niet volstaat (zorgverbreding). Een goed uitgebouwde basiszorg
heeft als gevolg dat minder leerlingen nood hebben aan
bijkomende maatregelen.
➢ Brede basiszorg (fase 0)
Je stimuleert de ontwikkeling van alle leerlingen door een krachtige leeromgeving uit te bouwen,
de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren
en aan het versterken van beschermende factoren. Je maakt de zorg zo breed mogelijk zodat zoveel
mogelijk kinderen komen tot maximale ontwikkeling. Stippellijnen tussen de fasen → Kinderen
kunnen tijdelijk naar een hogere fase, maar het is altijd de bedoeling dat ze terugkeren.
➢ Verhoogde zorg (fase 1)
Soms volstaat de brede basiszorg niet (meer); je voorziet dan extra begeleiding, bvb STICORDI. Je
doet nog geen beroep op externe hulp.
➢ Uitbreiding van zorg (fase 2)
Wanneer de verhoogde zorg niet volstaat is er nood aan bijkomende inzichten. Het CLB wordt
betrokken. Het kan de start betekenen van een handelingsgericht diagnostisch traject (HGD-traject)
dat eventueel uitmondt in een (gemotiveerd) verslag. In deze fase blijft de school de maatregelen
uit de fase van verhoogde zorg verderzetten.
Een HGD-traject is een proces waarbij het schoolteam, ouders en eventueel externe partners samen
zoeken naar de beste aanpak voor een kind dat extra ondersteuning nodig heeft. Het doel is altijd:
praktische adviezen en acties formuleren waarmee je als leerkracht direct aan de slag kan in de klas.
HGD wordt vooral ingezet bij verhoogde zorg (fase 2) en uitbreiding van zorg (fase 3).
➢ Individueel aangepast curriculum (fase 3)
Een beperkt aantal leerlingen beschikt over een verslag. Die leerling heeft de keuze om
studievoortgang te maken binnen het gewoon onderwijs met een individueel aangepast curriculum
(IAC) of om de overstap te maken naar het buitengewoon onderwijs.
Hoe hoger de fase, hoe kleiner de groep leerlingen. Hoe hoger de fase, hoe meer ondersteuning.
3
, 2.2 Uitgangs- en aandachtspunten bij het zorgcontinuüm
2.2.1 Zorg als een continuüm
Het zorgcontinuüm vormt één doorlopend, aansluitend geheel. De noden van leerlingen zijn niet strikt
in fasen af te bakenen. Daarom zijn in de voorstelling van het zorgcontinuüm de fasen van elkaar
gescheiden met een stippellijn. Je vraagt je niet af in welke fase de leerling op dit moment zit. Je stelt
de vraag hoe intensief een leerling best begeleid wordt en wie je daarbij kan helpen. Het
zorgcontinuüm schrijft niet voor welke concrete acties je doet in welke fase, noch wil het leerlingen
rigide koppelen aan een bepaalde fase. Op zich zegt het zorgcontinuüm niets over specifieke
kenmerken van een leerling.
De stippellijnen zorgen er ook voor dat de fasen van het zorgcontinuüm er niet in elke school hetzelfde
uitzien. Scholen die al verder staan, zullen een bredere basiszorg hebben. Een passende maatregel die
je voor één leerling toepast (bijvoorbeeld een koptelefoon laten opzetten om zich beter te kunnen
concentreren tijdens individueel werk), kan na verloop van tijd deel gaan uitmaken van de brede
basiszorg, omdat je hem beschikbaar maakt voor alle leerlingen.
2.2.2 Leerlingenbegeleiding als een opdracht voor elke leraar
De begeleiding van de leerlingen begint in de klas en beperkt zich niet tot de zorgcoördinator of een
beperkt aantal personeelsleden. Het is een taak van elke individuele leraar en van het volledige
schoolteam.
Als leerkracht moet je je voldoende handelingsbekwaam voelen om dit in de praktijk te brengen. De
grote diversiteit in de leerlingengroep vraagt veel competenties, aangevuld met hoge verwachtingen
van ouders en de samenleving. Een globale aanpak op schoolniveau, met aandacht voor groeikansen
én voor de professionalisering van leraren, helpt om deze verwachtingen te kanaliseren. Daarom is het
belangrijk dat ook de ondersteuningsbehoeften van de leraar bekeken worden als onderdeel van het
zorgcontinuüm.
2.2.3 Handelingsgericht werken (HGW) als motor voor het zorgcontinuüm
Handelingsgericht werken biedt je als school en als leraar in de eerste plaats een bril om te kijken naar
de begeleiding van de leerlingen. Het bundelt de krachten van alle actoren en beïnvloedt alle aspecten
van het GOK-en zorgbeleid en alle fasen van het zorgcontinuüm. HGW vertrekt vanuit zeven
uitgangspunten die sterk met elkaar verweven zijn. Je streeft ze als school allemaal na. Ze zijn
herkenbaar voor de praktijk, al is het tegelijk een grote uitdaging om ze consequent toe te passen.
1. HGW is doelgericht
Elke actie moet nodig en nuttig zijn in functie van het beoogde doel. Bij het nemen van maatregelen
bestaat een consensus bij alle betrokkenen over de wenselijkheid en de haalbaarheid van de (concreet
geformuleerde) doelen.
• Bepaal waar je naartoe wilt.
• Bepaal waarom en welke informatie nodig is om efficiënt te handelen.
• Onderzoek alleen wat strikt noodzakelijk is om de vraag te beantwoorden.
• Evaluatie moet in verhouding staan tot de informatie die ze oplevert over de onderwijsbehoeften.
• Het resultaat van een goed overleg is een advies dat antwoord geeft op de hulpvraag, dat voor alle
partijen wenselijk en haalbaar is en dat door iedereen gedragen kan worden.
4
1. Wat is zorg?
1.1 Wat is zorgbreed werken?
In een klas zitten kleuters van ongeveer dezelfde leeftijd, waardoor we op basis van algemene
ontwikkelingslijnen en mijlpalen kunnen veronderstellen dat zij dezelfde uitdagingen en interesses
hebben. Deze ontwikkelingslijnen zijn echter slechts richtlijnen. Niet alle mensen doorlopen alle
stappen en ze ontwikkelen niet aan hetzelfde tempo.
Er bestaan grote verschillen tussen kleuters op vlak van capaciteiten en beginsituatie. Die beginsituatie
wordt bepaald door zowel nature als nurture. Zo maken sommige kleuters thuis kennis met boeken,
puzzels of gezelschapsspellen, en groeien sommigen op in een omgeving waar alleen Nederlands wordt
gesproken, terwijl dat bij anderen niet het geval is. Hierdoor zien we veel verschillen tussen kleuters.
Als leerkracht wil je dat alle kleuters zich ontwikkelen, maar omdat elke kleuter een andere
beginsituatie heeft, kan je je niet richten tot de gemiddelde kleuter, want die bestaat niet. Als jij je met
je activiteiten zou richten op de gemiddelde kleuter, dan zullen er kleuters zijn die hier niets aan
hebben, omdat het te moeilijk is, te gemakkelijk is, of niet aansluit bij hun interesse. Daarom is het
belangrijk om zorgbreed te werken, zodat alle kleuters iets opsteken uit het aanbod en verder
ontwikkelen.
Zorgbreed werken
= ervoor zorgen dat elk kind krijgt wat het nodig heeft om zich ten volle (in de diepte) en zo veelzijdig
mogelijk (in de breedte) te ontplooien.
= een preventieve (om problemen te vermijden) en proactieve (actie ondernemen, maar niet
noodzakelijk vanuit problemen) aanpak waarbij de leerkracht van bij het begin rekening houdt met de
diversiteit in de klas. Het doel is om een leeromgeving te creëren waarin alle leerlingen maximale
ontwikkelingskansen krijgen, zonder dat er meteen extra maatregelen nodig zijn.
➔ Door een zorgbrede aanpak zorg je ervoor dat je alle kinderen aan boord houdt.
Kenmerken van een zorgbrede werking:
• Het aanbod is gericht op alle leerlingen.
• De leerkracht differentieert.
• Er wordt gewerkt aan een positief leerklimaat waarin leerlingen zich veilig en betrokken voelen.
• Observatie en reflectie zijn essentieel om noden tijdig te detecteren.
Voorbeeld: bij een gezelschapsspel voorziet de leerkracht een dobbelsteen tot 6 en een dobbelsteen
tot 4, zo kunnen alle kleuters hiermee spelen.
1
, 1.2 Wat is dan zorgverbreding? Is dat hetzelfde als zorgbreed werken?
Zorgbreed werken en zorgverbreding zijn geen synoniemen. Het verschil ligt in de focus en de aanpak.
Zorgbreed werken: de leerkracht houdt van bij het begin rekening met de diversiteit in de klas.
Zorgverbreding: Als die aanpak niet volstaat, zijn extra maatregelen nodig
Zorgverbreding = een reactieve aanpak die wordt ingezet wanneer de reguliere zorg niet volstaat. Het
is een manier om de bestaande zorg uit te breiden voor leerlingen die extra ondersteuning nodig
hebben.
Kenmerken van zorgverbreding:
• De focus is gericht op leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften .
• Er worden aanvullende maatregelen genomen, zoals remediëring, extra begeleiding of aangepaste
materialen (STICORDI = STImuleren, Compenseren, Remediëren, DIspenseren ).
• Vaak gebeurt dit in samenwerking met het zorgteam of externe partners.
• Zorgverbreding kan leiden tot een individueel handelingsplan.
Voorbeeld: een kleuter die moeite heeft met fijne motoriek krijgt extra oefenmomenten met een
zorgleerkracht.
Elke leerkracht moet zorgbreed werken en aan zorgverbreding doen; elke leerkracht is een
zorgleerkracht!
2
,2. Continuüm van zorg
2.1 Vertrekken vanuit een gemeenschappelijk kader voor zorg
De klasleerkracht is het beste geplaatst om zorg te verlenen aan de leerlingen in de klas, omdat hij hen
het beste kent. Maar leraren vormen geen eiland; binnen een school is iedereen verantwoordelijk voor
de zorg. Het is echter belangrijk dat alle leerkrachten, zorgleerkrachten en andere betrokkenen
dezelfde taal spreken. Het continuüm van zorg is een kader dat hierbij kan ondersteunen. Het wordt
gebruikt in het onderwijs, maar ook bij andere professionelen (CLB, revalidatiecentra, ondersteuners),
waardoor alle betrokkenen vlot kunnen samenwerken.
Het continuüm van zorg = geeft structuur aan de organisatie van
leerlingenbegeleiding in je school. Het vormt één doorlopend
aansluitend geheel en bestaat uit vier fasen. Concreet betekent
dit dat scholen een basisaanbod hebben voor alle leerlingen
(zorgbreed werken) en zorg bieden voor leerlingen voor wie dit
niet volstaat (zorgverbreding). Een goed uitgebouwde basiszorg
heeft als gevolg dat minder leerlingen nood hebben aan
bijkomende maatregelen.
➢ Brede basiszorg (fase 0)
Je stimuleert de ontwikkeling van alle leerlingen door een krachtige leeromgeving uit te bouwen,
de leerlingen systematisch op te volgen en actief te werken aan het verminderen van risicofactoren
en aan het versterken van beschermende factoren. Je maakt de zorg zo breed mogelijk zodat zoveel
mogelijk kinderen komen tot maximale ontwikkeling. Stippellijnen tussen de fasen → Kinderen
kunnen tijdelijk naar een hogere fase, maar het is altijd de bedoeling dat ze terugkeren.
➢ Verhoogde zorg (fase 1)
Soms volstaat de brede basiszorg niet (meer); je voorziet dan extra begeleiding, bvb STICORDI. Je
doet nog geen beroep op externe hulp.
➢ Uitbreiding van zorg (fase 2)
Wanneer de verhoogde zorg niet volstaat is er nood aan bijkomende inzichten. Het CLB wordt
betrokken. Het kan de start betekenen van een handelingsgericht diagnostisch traject (HGD-traject)
dat eventueel uitmondt in een (gemotiveerd) verslag. In deze fase blijft de school de maatregelen
uit de fase van verhoogde zorg verderzetten.
Een HGD-traject is een proces waarbij het schoolteam, ouders en eventueel externe partners samen
zoeken naar de beste aanpak voor een kind dat extra ondersteuning nodig heeft. Het doel is altijd:
praktische adviezen en acties formuleren waarmee je als leerkracht direct aan de slag kan in de klas.
HGD wordt vooral ingezet bij verhoogde zorg (fase 2) en uitbreiding van zorg (fase 3).
➢ Individueel aangepast curriculum (fase 3)
Een beperkt aantal leerlingen beschikt over een verslag. Die leerling heeft de keuze om
studievoortgang te maken binnen het gewoon onderwijs met een individueel aangepast curriculum
(IAC) of om de overstap te maken naar het buitengewoon onderwijs.
Hoe hoger de fase, hoe kleiner de groep leerlingen. Hoe hoger de fase, hoe meer ondersteuning.
3
, 2.2 Uitgangs- en aandachtspunten bij het zorgcontinuüm
2.2.1 Zorg als een continuüm
Het zorgcontinuüm vormt één doorlopend, aansluitend geheel. De noden van leerlingen zijn niet strikt
in fasen af te bakenen. Daarom zijn in de voorstelling van het zorgcontinuüm de fasen van elkaar
gescheiden met een stippellijn. Je vraagt je niet af in welke fase de leerling op dit moment zit. Je stelt
de vraag hoe intensief een leerling best begeleid wordt en wie je daarbij kan helpen. Het
zorgcontinuüm schrijft niet voor welke concrete acties je doet in welke fase, noch wil het leerlingen
rigide koppelen aan een bepaalde fase. Op zich zegt het zorgcontinuüm niets over specifieke
kenmerken van een leerling.
De stippellijnen zorgen er ook voor dat de fasen van het zorgcontinuüm er niet in elke school hetzelfde
uitzien. Scholen die al verder staan, zullen een bredere basiszorg hebben. Een passende maatregel die
je voor één leerling toepast (bijvoorbeeld een koptelefoon laten opzetten om zich beter te kunnen
concentreren tijdens individueel werk), kan na verloop van tijd deel gaan uitmaken van de brede
basiszorg, omdat je hem beschikbaar maakt voor alle leerlingen.
2.2.2 Leerlingenbegeleiding als een opdracht voor elke leraar
De begeleiding van de leerlingen begint in de klas en beperkt zich niet tot de zorgcoördinator of een
beperkt aantal personeelsleden. Het is een taak van elke individuele leraar en van het volledige
schoolteam.
Als leerkracht moet je je voldoende handelingsbekwaam voelen om dit in de praktijk te brengen. De
grote diversiteit in de leerlingengroep vraagt veel competenties, aangevuld met hoge verwachtingen
van ouders en de samenleving. Een globale aanpak op schoolniveau, met aandacht voor groeikansen
én voor de professionalisering van leraren, helpt om deze verwachtingen te kanaliseren. Daarom is het
belangrijk dat ook de ondersteuningsbehoeften van de leraar bekeken worden als onderdeel van het
zorgcontinuüm.
2.2.3 Handelingsgericht werken (HGW) als motor voor het zorgcontinuüm
Handelingsgericht werken biedt je als school en als leraar in de eerste plaats een bril om te kijken naar
de begeleiding van de leerlingen. Het bundelt de krachten van alle actoren en beïnvloedt alle aspecten
van het GOK-en zorgbeleid en alle fasen van het zorgcontinuüm. HGW vertrekt vanuit zeven
uitgangspunten die sterk met elkaar verweven zijn. Je streeft ze als school allemaal na. Ze zijn
herkenbaar voor de praktijk, al is het tegelijk een grote uitdaging om ze consequent toe te passen.
1. HGW is doelgericht
Elke actie moet nodig en nuttig zijn in functie van het beoogde doel. Bij het nemen van maatregelen
bestaat een consensus bij alle betrokkenen over de wenselijkheid en de haalbaarheid van de (concreet
geformuleerde) doelen.
• Bepaal waar je naartoe wilt.
• Bepaal waarom en welke informatie nodig is om efficiënt te handelen.
• Onderzoek alleen wat strikt noodzakelijk is om de vraag te beantwoorden.
• Evaluatie moet in verhouding staan tot de informatie die ze oplevert over de onderwijsbehoeften.
• Het resultaat van een goed overleg is een advies dat antwoord geeft op de hulpvraag, dat voor alle
partijen wenselijk en haalbaar is en dat door iedereen gedragen kan worden.
4