Wereldoriëntatie 3
1. Educatie voor duurzame ontwikkeling
2. Natuureducatie
2.1 Natuurbeleving
2.1.1 Begrip natuurbeleving
Natuurbeleving = Het ervaren dat de natuur betekenis voor je heeft
= Een ontmoeting met de natuur, waarbij de natuur waarde en betekenis voor je krijgt. Je ervaart
positieve gevoelens en er ontstaat een relatie, een verbondenheid met de natuur.
Welke waarden/betekenis heeft de natuur?
• Materiële waarden: voedsel
• Immateriële, subjectieve waarden: blijdschap en verwondering bij het zien van een dier,
ontspanning bij een wandeling, verbondenheid met de natuur;
• Esthetische waarde: van een mooi landschap
Belang van kennis?
Kennisoverdracht is niet strijdig met natuurbeleving. Als je meer weet over de natuur, kan dat ook
betekenis geven. Maar, een activiteit in de natuur mag niet beperkt zijn tot weetjes en kennis.
Onderwijs over natuur zonder beleving = loze kennis!
2.1.2 Natuurbeleving: concrete voorbeelden
- Eigen groenten kweken en oogsten
- Vogels voederen en observeren in de winter
- Dammen bouwen en stroompjes verleggen in een beek
- Een natuurwandeling over een smal, modderig en stenig pad, over knuppelpaden, …
2.1.3 Hoe beleven kinderen de natuur?
Voorwaarden:
- Positieve gevoelens ontstaan wanneer kinderen zich op hun gemak voelen
- Als een eerste kennismaking niet prettig is verlopen, kunnen negatieve gevoelens lang blijven
doorwerken
- Een natuurrijke omgeving krijgt waarde in de mate dat kinderen er kunnen spelen, ravotten, dat er
iets te beleven valt = uitnodigende natuur! (boompje klimmen, kampen bouwen, verzamelen, met
aarde en modder spelen, …)
Uitnodigende natuur =
➢ Uitdagende natuur: intense exploratie, spannende aspecten
➢ Gebruiksnatuur: speelnatuur, eetnatuur, leverancier van grondstoffen om mee te spelen
➢ Intrigerende natuur: natuur die uitnodigt tot meer willen weten (kennisaspect)
➢ Esthetische natuur: schoonheidsbeleving, wat kinderen mooi vinden (dieren, kleurrijke bloemen…)
➢ Recreatieve natuur: natuur als doel van uitstapjes, als decor voor ontspanningsactiviteiten
1
, 2.2 Natuurbeleving en NME
2.2.1 Begrippen
• NME = Natuur-en milieueducatie. Doel = gedragsverandering → met meer zorg met de natuur
omgaan.
• Natuureducatie = ontwikkelen van belangstelling voor planten en dieren en voor
natuurbescherming
• Milieueducatie = nadruk op de bewustwording i.v.m. milieuproblemen (bvb. Water- en
luchtverontreiniging) en milieuzorg
2.2.2 Natuureducatie en kennisoverdracht
Natuureducatie heeft als bedoeling om invloed uit te oefenen op het denken en handelen van mensen,
zodat mensen op vrijwillige basis kiezen voor natuurzorg in hun eigen omgeving. Kennis bijbrengen is
onvoldoende. Inzichten over de natuur zijn nodig, maar leiden niet automatisch tot natuur- en
milieubesef bij kinderen.
2.2.3 Natuurbeleving is de basis
De houding van zorg, respect en verantwoordelijkheid ten opzichte van de natuur, ontwikkelt vanuit
natuurbeleving, vanuit de relatie die de kinderen hebben met de natuur. Natuurbeleving is één van de
fundamenten voor natuur- en milieueducatie. Pas als natuur en milieu iets voor je betekenen, ga je je
er voor inspannen.
Natuurbeleving leidt echter niet automatisch tot een zorgzame omvang met de natuur. Voor jonge
kinderen zijn het goede voorbeeld en het stellen van regels door belangrijke volwassenen, krachtige
middelen.
2.3 Natuureducatie
2.3.1 Hoofd, hart en handen
Hoe werk je aan natuureducatie? Door de kinderen een hart voor de natuur bij te brengen, door
kennisoverdracht en door vaardigheden aan te leren.
Een evenwichtig aanbod is gebaseerd op de drie H’s: Hoofd, hart en handen:
➢ Hoofd: bijbrengen van kennis en inzichten
➢ Hart: werken aan de relatie met de natuur, aan waarden en houdingen van verwondering, zorg,
respect en verantwoordelijkheid
➢ Handen: ontwikkelen van motorische vaardigheden voor het omgaan met natuur, actief bezig zijn,
handelen
Voorbeeld: kippen op school
• Hoofd: kleuters leren over het levenscyclus van de kip, wat een kip nodig heeft om te leven, de
lichaamsdelen van een kip, …
• Hart: plezier en verwondering (eieren rapen, kippen aaien, zorg dragen)
• Handen: kippen voederen, hok schoonmaken, eieren rapen, …
2
, 2.3.2 Natuurbeleving en natuureducatie in het leerplan wereldoriëntatie
Minimumdoelen: Wetenschap en techniek + Aardrijkskunde
➢ 3.1.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot organismen: de fauna, de
zoogdieren, de vogels, de vissen, de insecten, de flora.
➢ 3.1.2 De kleuters kunnen:
• organismen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
➢ 3.1.3 De kleuters kennen de volgende begrippen in verband met de levenscyclus: geboren worden,
kiemen, groeien, sterven.
➢ 3.1.4 De kleuters kennen de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming, groei, voortplanting,
dood.
➢ 3.2.1 De kleuters kennen het principe van eten en gegeten worden
➢ 4.2.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en
haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de rots, de grot, het zand.
➢ …
2.3.3 Natuureducatie in de praktijk
Alle activiteiten waarin kleuters vanuit hun eigen belevingswereld met natuur kunnen omgaan =
natuureducatieve activiteiten:
- Aanbod rond dieren, planten, tuinieren (in de klas, levend hoekje, schooltuin, …)
- Natuurexploratie, natuurpad
- Spelen in de natuur
- Bezoek aan boerderij, dierentuin, dierenpark
- Natuurzorg (aantal momenten in het jaar + opbouw door de jaren heen)
➢ Sterke betrokkenheid ontstaat wanneer kinderen voor een stukje natuur kunnen zorgen:
planten water geven, dieren voeren, bosje schoonhouden, … Door te zorgen voor dat stukje
natuur, krijgen de kinderen er een hechtere band mee.
2.4 Spelen in de natuur
2.4.1 Inleiding
De natuur wordt schaarser en schaarser → de resterende natuur wordt beschermd in
natuurreservaten waar de natuur “kijknatuur” is, spelen kan hier niet.
Gevolgen als kinderen opgroeien zonder mogelijkheid tot spel in de natuur: geen betrokkenheid en
verbondenheid met de natuur. NME-centra proberen het anders aan te pakken: meer
actiemogelijkheden, avontuurlijke tochtjes, werkvormen gericht op zelf ontdekken en onderzoeken.
2.4.2 Buiten spelen en spelen in de natuur is een bedreigde bezigheid
Waarom?
- Bebouwing en moderne landbouw: veldjes en bosjes verdwijnen
- Gevaarlijk verkeer en sociale onveiligheid: ouders laten kinderen niet op de straat
- De aanwezige natuur is “kijkgroen” (verboden op het gras te betreden, …)
- Weinig avontuur: op speelterreinen en in speeltuinen is alles op voorhand uitgestippeld
3
, Gevolg?
Kinderen zitten in de auto, voor de TV, voor een computerscherm. Ze hebben te weinig beweging en
weinig sociaal contact.
2.4.3 Kinderen hebben contact met en spel in de natuur nodig
Kinderen spelen liever in een “wild landje” dan in een mooi aangelegde speeltuin. Via spel en spontane
ontdekkingen krijgen kinderen meer respect voor de natuur. Hun spel lijkt vaak op vernielzucht maar
veroorzaakt uiteindelijk weinig schade aan de natuur: bladeren en takken groeien wel terug.
Spelen in de natuur heeft veel voordelen voor de ontwikkeling:
• Kinderen vergroten hun motorische vaardigheden
• Ze leren risico’s en hun eigen bekwaamheden beter inschatten
• Ze leren omgaan met niet-voorspelde, onvoorziene omstandigheden (wat ze in het latere leven
zullen nodig hebben
• Als ze zelf hun spel organiseren ontwikkelen ze hun sociale vaardigheden
• Het natuurlijke milieu doet beroep op hun creativiteit en fantasie : de stok wordt een speer en het
heuveltje een burcht, tussen de struiken richten ze hun “huisje” in enz…
• De “veilige” gestandaardiseerde toestellen van speeltuinen bieden de kinderen geen nieuwe
uitdagingen en ze zijn er vaak snel op uitgekeken.
• Onderzoek wijst uit dat door spel in een groene omgeving stress en agressiviteit verminderen en
de concentratie bevorderd wordt.
2.4.4 Initiatieven
- Speelbossen
- Natuurspeeltuinen
- Natuurspeelplaatsen op school
2.4.5 Wat zegt onderzoek?
• Ervaringen van kinderen in de natuur resulteren in milieubewuster gedrag en -attitudes op latere
leeftijd
• Zowel korte als langere natuureducatieve programma’s in de natuur leiden tot kennistoename en
een groter natuurbewustzijn
• Positieve ervaringen in de natuur voor leerlingen jonger dan 11 jaar hebben een duurzaam effect
op de verbondenheid met de natuur en vormen hen tot volwassenen die hun verantwoordelijkheid
opnemen ten opzichte van het milieu.
• Ervaringen in de natuur zelf hebben een groter effect dan educatie op school
4
1. Educatie voor duurzame ontwikkeling
2. Natuureducatie
2.1 Natuurbeleving
2.1.1 Begrip natuurbeleving
Natuurbeleving = Het ervaren dat de natuur betekenis voor je heeft
= Een ontmoeting met de natuur, waarbij de natuur waarde en betekenis voor je krijgt. Je ervaart
positieve gevoelens en er ontstaat een relatie, een verbondenheid met de natuur.
Welke waarden/betekenis heeft de natuur?
• Materiële waarden: voedsel
• Immateriële, subjectieve waarden: blijdschap en verwondering bij het zien van een dier,
ontspanning bij een wandeling, verbondenheid met de natuur;
• Esthetische waarde: van een mooi landschap
Belang van kennis?
Kennisoverdracht is niet strijdig met natuurbeleving. Als je meer weet over de natuur, kan dat ook
betekenis geven. Maar, een activiteit in de natuur mag niet beperkt zijn tot weetjes en kennis.
Onderwijs over natuur zonder beleving = loze kennis!
2.1.2 Natuurbeleving: concrete voorbeelden
- Eigen groenten kweken en oogsten
- Vogels voederen en observeren in de winter
- Dammen bouwen en stroompjes verleggen in een beek
- Een natuurwandeling over een smal, modderig en stenig pad, over knuppelpaden, …
2.1.3 Hoe beleven kinderen de natuur?
Voorwaarden:
- Positieve gevoelens ontstaan wanneer kinderen zich op hun gemak voelen
- Als een eerste kennismaking niet prettig is verlopen, kunnen negatieve gevoelens lang blijven
doorwerken
- Een natuurrijke omgeving krijgt waarde in de mate dat kinderen er kunnen spelen, ravotten, dat er
iets te beleven valt = uitnodigende natuur! (boompje klimmen, kampen bouwen, verzamelen, met
aarde en modder spelen, …)
Uitnodigende natuur =
➢ Uitdagende natuur: intense exploratie, spannende aspecten
➢ Gebruiksnatuur: speelnatuur, eetnatuur, leverancier van grondstoffen om mee te spelen
➢ Intrigerende natuur: natuur die uitnodigt tot meer willen weten (kennisaspect)
➢ Esthetische natuur: schoonheidsbeleving, wat kinderen mooi vinden (dieren, kleurrijke bloemen…)
➢ Recreatieve natuur: natuur als doel van uitstapjes, als decor voor ontspanningsactiviteiten
1
, 2.2 Natuurbeleving en NME
2.2.1 Begrippen
• NME = Natuur-en milieueducatie. Doel = gedragsverandering → met meer zorg met de natuur
omgaan.
• Natuureducatie = ontwikkelen van belangstelling voor planten en dieren en voor
natuurbescherming
• Milieueducatie = nadruk op de bewustwording i.v.m. milieuproblemen (bvb. Water- en
luchtverontreiniging) en milieuzorg
2.2.2 Natuureducatie en kennisoverdracht
Natuureducatie heeft als bedoeling om invloed uit te oefenen op het denken en handelen van mensen,
zodat mensen op vrijwillige basis kiezen voor natuurzorg in hun eigen omgeving. Kennis bijbrengen is
onvoldoende. Inzichten over de natuur zijn nodig, maar leiden niet automatisch tot natuur- en
milieubesef bij kinderen.
2.2.3 Natuurbeleving is de basis
De houding van zorg, respect en verantwoordelijkheid ten opzichte van de natuur, ontwikkelt vanuit
natuurbeleving, vanuit de relatie die de kinderen hebben met de natuur. Natuurbeleving is één van de
fundamenten voor natuur- en milieueducatie. Pas als natuur en milieu iets voor je betekenen, ga je je
er voor inspannen.
Natuurbeleving leidt echter niet automatisch tot een zorgzame omvang met de natuur. Voor jonge
kinderen zijn het goede voorbeeld en het stellen van regels door belangrijke volwassenen, krachtige
middelen.
2.3 Natuureducatie
2.3.1 Hoofd, hart en handen
Hoe werk je aan natuureducatie? Door de kinderen een hart voor de natuur bij te brengen, door
kennisoverdracht en door vaardigheden aan te leren.
Een evenwichtig aanbod is gebaseerd op de drie H’s: Hoofd, hart en handen:
➢ Hoofd: bijbrengen van kennis en inzichten
➢ Hart: werken aan de relatie met de natuur, aan waarden en houdingen van verwondering, zorg,
respect en verantwoordelijkheid
➢ Handen: ontwikkelen van motorische vaardigheden voor het omgaan met natuur, actief bezig zijn,
handelen
Voorbeeld: kippen op school
• Hoofd: kleuters leren over het levenscyclus van de kip, wat een kip nodig heeft om te leven, de
lichaamsdelen van een kip, …
• Hart: plezier en verwondering (eieren rapen, kippen aaien, zorg dragen)
• Handen: kippen voederen, hok schoonmaken, eieren rapen, …
2
, 2.3.2 Natuurbeleving en natuureducatie in het leerplan wereldoriëntatie
Minimumdoelen: Wetenschap en techniek + Aardrijkskunde
➢ 3.1.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot organismen: de fauna, de
zoogdieren, de vogels, de vissen, de insecten, de flora.
➢ 3.1.2 De kleuters kunnen:
• organismen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
➢ 3.1.3 De kleuters kennen de volgende begrippen in verband met de levenscyclus: geboren worden,
kiemen, groeien, sterven.
➢ 3.1.4 De kleuters kennen de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming, groei, voortplanting,
dood.
➢ 3.2.1 De kleuters kennen het principe van eten en gegeten worden
➢ 4.2.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en
haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de rots, de grot, het zand.
➢ …
2.3.3 Natuureducatie in de praktijk
Alle activiteiten waarin kleuters vanuit hun eigen belevingswereld met natuur kunnen omgaan =
natuureducatieve activiteiten:
- Aanbod rond dieren, planten, tuinieren (in de klas, levend hoekje, schooltuin, …)
- Natuurexploratie, natuurpad
- Spelen in de natuur
- Bezoek aan boerderij, dierentuin, dierenpark
- Natuurzorg (aantal momenten in het jaar + opbouw door de jaren heen)
➢ Sterke betrokkenheid ontstaat wanneer kinderen voor een stukje natuur kunnen zorgen:
planten water geven, dieren voeren, bosje schoonhouden, … Door te zorgen voor dat stukje
natuur, krijgen de kinderen er een hechtere band mee.
2.4 Spelen in de natuur
2.4.1 Inleiding
De natuur wordt schaarser en schaarser → de resterende natuur wordt beschermd in
natuurreservaten waar de natuur “kijknatuur” is, spelen kan hier niet.
Gevolgen als kinderen opgroeien zonder mogelijkheid tot spel in de natuur: geen betrokkenheid en
verbondenheid met de natuur. NME-centra proberen het anders aan te pakken: meer
actiemogelijkheden, avontuurlijke tochtjes, werkvormen gericht op zelf ontdekken en onderzoeken.
2.4.2 Buiten spelen en spelen in de natuur is een bedreigde bezigheid
Waarom?
- Bebouwing en moderne landbouw: veldjes en bosjes verdwijnen
- Gevaarlijk verkeer en sociale onveiligheid: ouders laten kinderen niet op de straat
- De aanwezige natuur is “kijkgroen” (verboden op het gras te betreden, …)
- Weinig avontuur: op speelterreinen en in speeltuinen is alles op voorhand uitgestippeld
3
, Gevolg?
Kinderen zitten in de auto, voor de TV, voor een computerscherm. Ze hebben te weinig beweging en
weinig sociaal contact.
2.4.3 Kinderen hebben contact met en spel in de natuur nodig
Kinderen spelen liever in een “wild landje” dan in een mooi aangelegde speeltuin. Via spel en spontane
ontdekkingen krijgen kinderen meer respect voor de natuur. Hun spel lijkt vaak op vernielzucht maar
veroorzaakt uiteindelijk weinig schade aan de natuur: bladeren en takken groeien wel terug.
Spelen in de natuur heeft veel voordelen voor de ontwikkeling:
• Kinderen vergroten hun motorische vaardigheden
• Ze leren risico’s en hun eigen bekwaamheden beter inschatten
• Ze leren omgaan met niet-voorspelde, onvoorziene omstandigheden (wat ze in het latere leven
zullen nodig hebben
• Als ze zelf hun spel organiseren ontwikkelen ze hun sociale vaardigheden
• Het natuurlijke milieu doet beroep op hun creativiteit en fantasie : de stok wordt een speer en het
heuveltje een burcht, tussen de struiken richten ze hun “huisje” in enz…
• De “veilige” gestandaardiseerde toestellen van speeltuinen bieden de kinderen geen nieuwe
uitdagingen en ze zijn er vaak snel op uitgekeken.
• Onderzoek wijst uit dat door spel in een groene omgeving stress en agressiviteit verminderen en
de concentratie bevorderd wordt.
2.4.4 Initiatieven
- Speelbossen
- Natuurspeeltuinen
- Natuurspeelplaatsen op school
2.4.5 Wat zegt onderzoek?
• Ervaringen van kinderen in de natuur resulteren in milieubewuster gedrag en -attitudes op latere
leeftijd
• Zowel korte als langere natuureducatieve programma’s in de natuur leiden tot kennistoename en
een groter natuurbewustzijn
• Positieve ervaringen in de natuur voor leerlingen jonger dan 11 jaar hebben een duurzaam effect
op de verbondenheid met de natuur en vormen hen tot volwassenen die hun verantwoordelijkheid
opnemen ten opzichte van het milieu.
• Ervaringen in de natuur zelf hebben een groter effect dan educatie op school
4